BOSCH KEMPER, jonkvrouw Jeltje de

Jeltje de Bosch Kemper

(bijnaam: de Freule), voorvechtster van economische zelfstandigheid van vrouwen, is geboren te Amsterdam op 28 april 1836 en aldaar overleden op 16 februari 1916. Zij was de dochter van jonkheer Jeronimo de Bosch Kemper, advocaat-generaal en hoogleraar in de rechtswetenschap, en Maria Aletta Hulshoff.

'Wat ik gedaan heb van mijn achttiende jaar, toen ik de kleine particuliere meisjesschool van juffrouw Gräver verliet, tot 1871, ik weet het niet meer. Thuis zitten borduren, tekenen, pianospelen, wat naaien, brieven schrijven, visites maken en nu en dan wat vertalen voor de Volksletterkunde van "De Vriend van Armen en Rijken". Ik geloof, dat ik nogal veel gelezen heb uit de bibliotheek van mijn vader' verzuchtte De Bosch Kemper later. Zij was geboren als oudste van zes kinderen in een deftig Amsterdams gezin. Haar moeder overleed toen zij acht jaar was. Haar vader hertrouwde, maar zijn tweede vrouw bleek geestesziek en voor vader en dochter steeds meer 'a skeleton in the cupboard' tot zij in 1892 overleed. Behalve voor haar stiefmoeder droeg zij de zorg voor een zieke broer die later overleed. De Bosch Kemper hield zielsveel van haar vader en liet zich met graagte door hem vormen op geestelijk en godsdienstig gebied. Zij was lid van de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente in Amsterdam en liet zich in 1854 dopen door haar dominee J.G. de Hoop Scheffer. Hoogste levensdoel voor vader en dochter was het meewerken aan de komst van Gods Koninkrijk op aarde. Haar vader had de gewoonte met haar te spreken over zijn werk en sociale activiteiten. Hij was een sociaal voelend mens die moderne volksontwikkeling zag als middel om revolutie tegen te gaan. Hij propageerde de verspreiding van nuttige kennis in goede en goedkope lectuur om armoede en achterlijkheid te keren, richtte in 1845 de instelling De Vriend van Armen en Rijken op en publiceerde in 1851 een geschiedkundig onderzoek naar de armoede in Nederland. In de periode waarin het boek The Subjection of Women (1869) van John Stuart Mill en Harriët Taylor 'velen tot eene openbaring werd', zoals De Bosch Kemper later schreef, werd ook zij geraakt 'door een gevoel van solidariteit, dat om dezen tijd in de vrouwenwereld was ontwaakt'. Haar zuster Christine was haar voorgegaan en had in 1866 niet zonder moeite toestemming van haar vader gekregen naar Genève te gaan om daar cursussen te volgen. Zij werd zich van haar aanleg voor onderwijzeres bewust en begon terug in Amsterdam met het geven van onderwijs aan meisjes. Rijk geworden door de erfenis van haar moeder, stichtte Christine een fonds om de opvoeding van meisjes te steunen. Dit Christine de Bosch Kemper Fonds bestaat nog steeds.
Toen Betsy Perk begin 1871 de Algemeene Nederlandsche Vrouwenvereeniging onder de zinspreuk 'Arbeid Adelt' oprichtte, toonde De Bosch Kemper zich vanuit haar achtergrond van 'het verleenen van hulpbetoon' en haar zusters ervaringen in mei 1871 bereid lid te worden van het Amsterdamse afdelingsbestuur. Er ontstond echter onenigheid met Perk die vond dat de doelstelling van Arbeid Adelt in een verkeerde richting werd omgebogen (enkel de bevordering van 'arbeidszin' in plaats van 'kunst- en arbeidszin'). Dit leidde tot een collectief ontslag van het Amsterdamse afdelingsbestuur per 1 maart 1872 en de oprichting in april van de Algemeene Nederlandsche Vrouwenvereeniging 'Tesselschade' met in wezen hetzelfde doel als 'Arbeid Adelt', te weten het lot te verbeteren van beschaafde maar onbemiddelde vrouwen door hen te helpen in eigen onderhoud te voorzien. Bij de organisatorische verwikkelingen had De Bosch Kemper van duidelijke maar nogal autocratische opvattingen over de gang van zaken blijk gegeven en was vice-voorzitter geworden. Met Tesselschade als thuisbasis ontpopte zij zich tot organisator en stimulator van veel activiteiten op maatschappelijk terrein, steeds met hetzelfde doel: meer en betere werkgelegenheid voor beschaafde vrouwen. Als penningmeester van Tesselschade (vanaf 1874) zorgde zij dat er een Opleidingsfonds kwam, zette een Correspondentie-blaadje voor de afdelingsbesturen op, het latere Tesselschade, en was 25 jaar voorzitter van het hoofdbestuur (van 1886 tot 1911). Via Tesselschade probeerde zij het peil van het handwerkonderwijs op de lagere scholen te verhogen. In 1882 werd door haar toedoen een afdeling kunstnaaldwerk geopend aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid, in Nederland iets nieuws. De Dagteeken- en Kunstambachtschool voor Meisjes in Amsterdam kwam onder haar voorzitterschap vanaf 1887 tot bloei. Bij het 25-jarig bestaan van Tesselschade hield zij haar leden voor: 'Het is geen schande meer iets te verdienen, het wordt een schande niets behoorlijks te kennen'.

Met open oog voor arbeid in het bijzonder geschikt voor vrouwen ging De Bosch Kemper in 1878 enthousiast in op voorstellen om een opleiding voor verpleegsters op te richten. Het vak van beroepsverpleegster bestond nog niet. Hiertoe werd de Vereeniging voor Ziekenverpleging gesticht. Zij gaf het goede voorbeeld door zelf mee te doen aan de eerste theoretische cursus zonder ooit het beroep van verpleegster uit te oefenen. Met Anna Reynvaan kwam zij tot de conclusie dat er een contactblad moest komen voor zusters, artsen en ziekenhuisbesturen. Van 1890 tot 1913 was zij 'leidster en voorzitster' van het Maandblad voor Ziekenverpleging. Het Congres voor Ziekenverpleging, dat zij, een vrouw, in 1892 voorzat - een novum in Nederland - leidde tot de oprichting van de Nederlandsche Bond voor Ziekenverpleging (1893). In Bond en Maandblad pleitte zij voor een goede opleiding, behoorlijk salaris en betere arbeidsvoorwaarden voor verpleegsters. Op haar initiatief werd in 1891 de Amsterdamse Huishoudschool opgericht voor aanstaande huisvrouwen, maar ook voor wie hoofd van de huishouding zou worden in een inrichting of lerares bij het kook- en huishoudonderwijs. Hiermee was alweer een nieuw beroepsterrein voor ('beschaafde') vrouwen opengelegd. Meisjes die aan de Universiteit van Amsterdam studeerden, stimuleerde zij door hun dispuut Dicendo discentes docemus gastvrijheid te verlenen.

De Bosch Kempers werkzaamheid strekte zich intussen verder uit dan het gebied van onderwijs en vakopleiding. De achterstelling van vrouwen in de burgerlijke wetgeving was zij als een groot onrecht gaan voelen. Uit een juristenfamilie afkomstig achtte zij het mogelijk daarin verandering te brengen. In 1894 werd onder haar presidium het Comité ter Verbetering van den Maatschappelijken en den Rechtstoestand der Vrouw in Nederland gevormd door vier dames en vier herenjuristen. Hun doel wilden zij voornamelijk bereiken door het aanbieden van verzoekschriften aan regering, Tweede Kamer, gemeenteraden en dergelijke, telkens als daar een vrouwenbelang in het geding was. De dames van het Comité voelden behoefte aan een spreekbuis, een centraal feministisch blad, naast het radicale Evolutie. De Bosch Kemper vond Henriëtte van der Meij bereid de redactie op zich te nemen van Belang en Recht, samen uit te geven met de Vrouwenbond in Groningen en de vereniging van onderwijzeressen Thugatèr. In deze opzet kwam het van 1896 tot 1906 twee keer per maand uit, rustig, deskundig, leesbaar. Het publiceerde de verzoekschriften van het Comité, die bij de regering onder meer aandrongen op de benoeming van inspectrices van arbeid en van vrouwen bij het Rijksschooltoezicht alsmede op het toelaten van vrouwen als getuigen bij het passeren van notariële akten. Veel bijval kreeg het Comité bij zijn actie tot opheffing van het verbod tot onderzoek naar het vaderschap van buitenechtelijke kinderen. Twee keer verspreidde het Comité tegen verkiezingstijd een manifest om aan te dringen op kiesrecht voor vrouwen, wat De Bosch Kemper betreft niet van ganser harte. Pas in 1907 werd zij lid van de Nederlandsche Bond voor Vrouwenkiesrecht, toen die zich ter rechter zijde afsplitste van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. In Belang en Recht van 15 juni 1898 was De Bosch Kemper in botsing gekomen met Aletta Jacobs, die haar autocratie verweet. Aan de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid, die in 1898 werd gehouden, had zij niet mee willen doen, omdat 'aan het product niet te zien is of het door een man of een vrouw is gemaakt'. Hoewel zij alom gewaardeerd werd om haar initiatief, energie, intelligentie en gulheid, laadde zij de verdenking op zich negatief te staan tegenover plannen die niet onder haar leiding werden ontworpen en uitgevoerd. Met het klimmen der jaren - zij bleef tot op hoge leeftijd actief - was De Bosch Kemper gegroeid van een filantropisch naar een feministisch standpunt. Steunde zij vroeger in stilte fatsoenlijke armen, nu eiste zij publiekelijk gelijkheid van mannen en vrouwen voor de wet en gelijke behandeling voor de 'rechtbank der moraliteit'. Zij eiste gelijke opleiding en daarna gelijk loon voor gelijke arbeid. Volgens haar biograaf Johanna Naber is de geschiedenis van de economische bevrijding van Nederlandse vrouwen niet te scheiden van de naam van Jeltje de Bosch Kemper.

Archief: 
Familiearchief De Bosch Kemper in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 252-253).
Publicaties: 
Artikelen in Tesselschade, Maandblad voor Ziekenverpleging en Belang en Recht; 'De Vrouwenbeweging' in: Vragen van den Dag, maart 1896; 'De Vrouwenbeweging' in: Eene halve eeuw 1848-1898 (Amsterdam 1898).
Literatuur: 
A.G. Tours-Hebbenaar, 'Jonkvrouwe De Bosch Kemper' in: Mannen en vrouwen van beteekenis in onze dagen, 1906, 329-382; J.W.A. Naber, Het leven en werken van Jeltje de Bosch Kemper (Haarlem 1918); W.H. Posthumus-van der Goot e.a., Van moeder op dochter (Leiden 1948, Nijmegen 1977); I. Prins, in: Baanbreeksters (Amsterdam 1960, 19782) 72-75; A. Boswijk, D. Couvée, Vrouwen vooruit! (Amsterdam 1962); H.P. Hogeweg-de Haart in: BWN I, 76-77.
Portret: 
jonkvrouw Jeltje de Bosch Kemper, IISG
Auteur: 
Hermien van Veen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 23-26
Laatst gewijzigd: 
23-09-2002