REES, Jacob van

Jacob van Rees

(roepnaam: Koos), christen-anarchistisch drankbestrijder en anti-militarist, is geboren te Amsterdam op 16 april 1854 en overleden te Hilversum op 4 januari 1928. Hij was de zoon van Otto van Rees, hoogleraar rechtsgeleerdheid en statistiek, en Jeanette Vreede. Op 22 september 1881 trad hij in het huwelijk met Constance Adriana Katharina Gerdula Vatiché, met wie hij twee dochters en een zoon kreeg.

Van Rees groeide op in een sociaal voelend milieu. Zijn vader had belangstelling voor de coöperatieve beweging en publiceerde daarover De arbeidersvereenigingen (z.pl. 1866). De Utrechtse hoogleraren F.C. Donders en P. Harting kwamen bij de familie over de vloer. Beiden zetten zich in voor volksopvoeding en het bestrijden van drankmisbruik. Van Rees' oud-oom, de predikant E.J.W. Koch, was jarenlang voorzitter van de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van Sterken Drank (NV). Van Rees studeerde biologie in Utrecht en promoveerde op 24-jarige leeftijd in 1878. In 1886 kreeg hij een lectoraat histologie aangeboden en drie jaar later werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar aan de Amsterdamse universiteit. Deze functie bekleedde hij tot in 1924. Hij maakte een aantal studiereizen, werkte aan het Zoölogisch Instituut te Napels en studeerde van 1883 tot 1885 in Freiburg. De eerste vijftien jaar na zijn promotie wijdde Van Rees uitsluitend aan wetenschappelijke arbeid. Door de langdurig gebogen houding bij het microscopisch onderzoek meende hij een maagkwaal opgelopen te hebben, die hem jarenlang plaagde. Hij verdiepte zich in zijn voedingsgewoonten en kwam uiteindelijk tot een radicaal-ethisch standpunt, waarbij hij tabaksgebruik verwierp, drankbestrijder en vegetariër werd en vivisectie afwees. In zijn laboratorium mochten geen dierproeven worden gedaan. Vooral de opvoeding van de jeugd had zijn belangstelling en in 1892 trad Van Rees toe tot de Nederlandsche Onderwijzers Propaganda Club voor Drankbestrijding, waarvoor hij vele malen sprak. Naar eigen zeggen leerde hij daar het spreken voor een publiek. In deze tijd schreef hij een aantal drankbestrijdingsbrochures die zich richtten tot leerlingen van middelbare scholen.

In 1895 raakte Van Rees tijdens een propagandatocht bekend met dominee A. de Koe, die onder invloed van Leo Tolstoj stond. Er ontstonden relaties met andere Tolstoj-bewonderaars en Van Rees werd opgenomen in de humanitaire beweging, waar hij gelijkgestemden ontmoette als Felix Ortt en Lodewijk van Mierop. In augustus 1897 besloten Van Rees, Ortt, J.K. van der Veer, Daniël de Clercq en anderen tot de uitgave van het christen-anarchistische blad Vrede, dat de denkbeelden van de Internationale Broederschap verspreidde. Het blad kantte zich tegen alcohol, vivisectie, vaccinatiedwang en propageerde natuurgeneeswijzen, vegetarisme en geweldloosheid. Van Rees was bovendien Esperantist en aanhanger van de spelling-Kollewijn. De anarchistische opvattingen van de Internationale Broederschap leidden er toe dat de aanhangers zich in de NV niet thuisvoelden. Van Mierop bereidde daarom een drankbestrijdersbeweging voor die wel bij hen paste. Hij vroeg Van Rees voorzitter te worden van de in december 1897 opgerichte Algemeene Nederlandsche Geheelonthoudersbond (ANGOB). Van Rees oefende deze functie uit tot 1925 en nam in 1916 het initiatief tot de Blauwe Week. De ideeën van de Internationale Broederschap strekten zich uit over tal van zaken. De aanhangers propageerden het leven in communistisch verband, zoals dat in de Bergrede tot uitdrukking kwam. Van Rees kocht veertien hectare land bij Blaricum en verschafte de financiën die nodig waren om in 1899 een landbouwkolonie te kunnen beginnen. Zelf ging hij niet in de kolonie wonen - zijn vrouw wilde niet - maar liet vlakbij in Laren een villa bouwen. Verderop in het bos kwam een werkhut, waar hij de overlast van muizen bestreed door deze te vangen en in het bos weer los te laten. In Hilversum stichtte Van Rees een drankvrij Volksgebouw, dat de schilder Herman Heijenbrock inrichtte. Er werden lezingen gehouden en Van Rees vertoonde er zijn toverlantarenplaatjes voor de jeugd. Nauw gelieerd aan de Internationale Broederschap was de in 1903 opgerichte Humanitaire School, die vanuit de Larense woonkamer van Van Rees een sterke bloei doormaakte. Later verliet hij het huis - hij bezat nog de villa Trompenburg in Hilversum - en werd zijn woning een school. Van Rees' geweldloosheid bracht hem er toe het individuele dienstweigeren te steunen. In 1903 schreef hij een open brief aan Abraham Kuyper naar aanleiding van de dienstweigering van zijn latere schoonzoon Jan Terwey, die om die reden in de gevangenis zat. In 1901 richtten Ortt en Van Mierop de Rein Leven-Beweging op. Zij betrokken ook Van Rees erbij. De beweging wilde het seksuele leven vergeestelijken en gaf daartoe het blad Rein Leven uit. Van Rees werd in 1902 ere-lid van de Amsterdamsche Studenten Vereeniging 'Rein Leven'.

In 1905 gaf Van Rees het propagandablad voor humanitair anarchisme Ontwaakt uit. Achter het blad stond de Anarchistisch-Humanitaire Vereeniging. Van Rees wilde fuseren met het blad De Vrije Communist van Christiaan Cornelissen, maar hij kon zich niet voegen naar het a-religieuze van de vrije communisten. In 1906 richtten Van Rees, Ortt, Van Mierop en Louis Bahler een nieuwe Vrede-beweging op. Deze ging in 1907 op in het Vrije Menschen Verbond, dat op zijn beurt opging in de Bond van Christen-Socialisten. Van Rees ging in deze ontwikkelingen mee zonder ooit op de voorgrond te treden. In 1915 ondertekende hij het uit deze kring voortgekomen Dienstweigeringsmanifest, waarvoor hij tot tien dagen hechtenis werd veroordeeld. Later vertelde hij dat de straf te dragen viel, omdat hij er voor gezorgd had zelf de celdeur achter zich dicht te doen: 'Ik had dan het gevoel: dat heb je je zelf aangedaan en men heeft je niet opgesloten'. In 1907 werd de Internationale Loge van Goede Tempelieren Nederland opgericht door het echtpaar Boissevain. Na korte tijd trad Van Rees toe en werd de voorzitter van de IOGTN. Jarenlang was hij Groot-Tempelier en in 1919 werd hij internationaal leider. In augustus 1927 bezocht Van Rees als lid van het internationaal bestuur de 53e zitting van de Tempeliers in de Verenigde Staten. Hij combineerde de reis met een bezoek aan het congres tegen alcoholisme in Winona Lake. Van Rees onderhield contacten met jeugdorganisaties als de Kweekelingen Geheelonthoudersbond, de Jongelieden Geheelonthoudersbond en ook met de Duitse jeugdbeweging. Toen de laatste in 1913 op de Hohe Meissner een op innerlijke beleving gerichte beginselverklaring aannam, was Van Rees erbij aanwezig. Ook in 1923 kwam hij naar deze jaarlijkse Duitse bijeenkomst. Eveneens onderhield hij banden met de Praktische Idealisten Associatie (PIA), die in 1918 vanuit Engeland in Nederland geïntroduceerd was. Van Rees ging graag met jongeren kamperen, waarbij hij deskundig wist te demonstreren hoe in de aarde een kuiltje voor de heup te graven met daarin stro. Van Rees was een kleine man met een baardige profetenkop, heldere ogen en een hoge stem. Hij was altijd gehuld in een donker getinte cape met vele zakken waarin zich allerlei voorwerpen bevonden. Zijn karakter werd beschreven als kinderlijk en enthousiast, een man met een groot hart voor vele zaken. Al deze jaren werkte hij mee aan tal van bladen als Veilig Spoor (orgaan van de Spoorweg-Onthouders Vereeniging), De Goede Tempelier, De Wegwijzer, Sluit Schiedam! en De Geheelonthouder. In de jaren 1926-1927 maakte Van Rees, die toen lid was van de door Bart de Ligt gedomineerde Bond van Religieuze Anarcho-Communisten (BRAC), in dienst van de Internationale Loge van Goede Tempeliers een propagandatocht door Indië. Daar waarschuwde hij tegen het gebruik van alcohol en opium. Dit waren niet de vrolijkste jaren van zijn leven. In Aeschi, waar de familie veelal vakanties doorbracht, stierf in 1926 één van zijn dochters en een jaar later zijn vrouw. Eind 1927 liep hij een zware longontsteking op na verwaarlozing van een kou die hij tijdens een lezing had gevat. Bij zijn begrafenis zongen de leerlingen van de Humanitaire School.

Archief: 

Archief J. van Rees in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 215) en Universiteitsbibliotheek (Amsterdam).

Publicaties: 

Herman van Helmholtz' in: Mannen van beteekenis in onze dagen (Haarlem 1892); 'Waarom geheelonthouders ook in de studentenwereld?' in: Propria Cures, februari 1896; Dit geldt mij. Een woord aan de leerlingen van Gymn. en H.B.S. (Hilversum 1898); Het kind en de alcohol (z.pl. 1902); Open brief aan den Wel Ed. Hooggel. Heer Dr. A. Kuyper, oud-hoogleraar van de Vrije Univ. te Amsterdam, naar aanleiding van de dienstweigering van Jan P. Terwey (Amersfoort 1903); Over de organisatie van de jeugd (z.pl. 1911); De neutrale onafhankelijke Orde van Goede Tempelieren (Hilversum 1914); zie voor een bibliografie van zijn wetenschappelijke werken Prof. Dr. J. van Rees dankbaar herdacht (Assen 1929) 110.

Literatuur: 

Een kwart eeuw idealisme. Gedenkboek ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig bestaan van den Algemeenen Nederlandschen Geheelonthoudersbond (z.pl. 1922); J . B. Schuil in: Haarlemsch Dagblad, 14.4.1924; Hilversumsche Courant, 17.4.1924; Prof. Dr. J. van Rees dankbaar herdacht (Assen 1929); R. Jans, Tolstoj in Nederland (Bussum 1952); G. Harmsen, Blauwe en rode jeugd (Assen 1961, Nijmegen 1975); A.C.J. de Vrankrijker, Onze anarchisten en utopisten rond 1900 (Bussum 1972); Otto en Adya van Rees. Leven en werk tot 1934 (z.pl. 1975); Becker, Frieswijk, Bedrijven; Bestevaer prof. Dr. J. van Rees herdacht. Uitgave ten bate van het Van Rees Comité tot stichting van de Van Rees-aula en de geheelonthouding (z.pl. z.j.); M. Bruijn, De man achter Sil. Over Cor P. Bruijn als idealist, onderwijspionier en schrijver 1883-1978 (Den Haag 1984); L. Heyting, De wereld in een dorp. Schilders, schrijvers en wereldverbeteraars in Laren en Blarium 1880-1920 (Amsterdam 1994); J. James, 'Jacobus van Rees (1854-1928) een vreemde eend in de universitaire bijt' in: Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 140, 1996, 2554-2559; S. van Leer, Besmetting en bevrijding. Jacob van Rees, geheelonthouding en het verlangen naar zuiverheid (doctoraalscriptie geschiedenis Amsterdam 1998); A. Kluveld-Reijerse, Reis door de hel der onschuldigen. De expressieve politiek van de Nederlandse anti-vivisectionisten 1890-1940 (Amsterdam 2000).

Portret: 

J. van Rees, IISG

Auteur: 
Ruud Uittenhout
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 171-174
Laatst gewijzigd: 

12-08-2002