KOOIJMAN, Pieter Adrianus

Pieter Adrianus Kooijman

(roepnaam: Piet), anarchistisch activist en theoreticus, is geboren te Rotterdam op 25 februari 1891 en overleden te Den Haag op 17 januari 1975. Hij was de zoon van Adrianus Kooijman, vleeshouwer, en Hester Elisabeth Catharina Kolverschoten. Op 24 juli 1929 trad hij in het huwelijk met Martje Olthoff, administratief medewerkster, met wie hij twee dochters en een zoon kreeg.
Pseudoniemen: M.O., Observator (?), Weetgraag.

Kooijman groeide op in een middenstandsgezin, doorliep de ambachtsschool en was achtereenvolgens in Rotterdam, Amsterdam en Den Haag werkzaam als draaier/bankwerker en automonteur/chauffeur. Hij sloot zich al jong aan bij de SDAP, maar koos in 1918 voor de Communistische Partij in Nederland (CPN). Vanwege zijn kritiek op politieke partijen en vakorganisaties en zijn propaganda voor bedrijfsbezetting verliet hij de CPN in 1920 en vormde met Leen van der Linde de Groep Sociaal-Anarchisten Den Haag. De samenwerking met de landelijke Federatie van Sociaal-Anarchisten duurde slechts kort, omdat de groep zich tegen elk 'bonzendom' in de arbeidersbeweging keerde. Daarop werd contact gelegd met de radicale vleugel van de Sociaal-Anarchistische Jongeren Organisatie (SAJO), waarvan Anton Constandse en Jo de Haas exponenten waren.

Eind 1921 pleegde Kooijman met Van der Linde en De Haas een bomaanslag op de woning van een militair te Den Haag. Dit krijgsraad-lid werd medeverantwoordelijk gesteld voor het vonnis tegen de dienstweigeraar Herman Groenendaal. Aanvankelijk steunden de meeste anarchisten de actie. Toen echter bleek dat het protest niet zozeer het militarisme alswel het reformisme van 'de bonzen' betrof, ebde de solidariteit weg. Alleen het uit de SAJO voortgekomen Alarm van Constandse bleef de daders en hun motieven verdedigen. Kooijman werd veroordeeld tot zes jaar gevangenis, omdat hij beschouwd werd als hoofddader van de aanslag, waarbij overigens slechts materiële schade was toegebracht. Zijn straftijd zat hij uit in eenzame opsluiting in Leeuwarden. Voortdurend kwam hij daar in verzet tegen het strenge gevangenisregiem. Zijn hongerstaking leidde in 1926 tot vragen in de Eerste Kamer. Ondertussen zag hij kans contact te houden met Alarm. Na zijn vrijlating in 1928 werd Kooijman weer politiek actief en werkte hij mee aan Opstand en Recht voor Allen, anarchistische bladen die in de lijn van het vroegere Alarm het syndicalisme fel bekritiseerden en revolutionaire bedrijfsbezetting propageerden. Hoewel Kooijman een uitstekend vakman was, speelde zijn verleden hem parten bij het vinden van een werkkring. Als werkloze voerde hij in Den Haag actie tegen de werkverschaffing en werd hij herhaaldelijk door de uitgezondenen als vertrouwensman gekozen. Overigens noemde de anarchist Kooijman zich zowel toen als later meestal revolutionair of alarmist. In 1931 kreeg de anti-syndicalistische stroming binnen het anarchisme, waarvan Kooijman - en aanvankelijk ook Constandse - de belangrijkste woordvoerders waren, vorm in het Landelijk Verbond van Alarm-groepen. Het orgaan ervan, dat in 1932-1933 en van 1937-1939 verscheen, heette (opnieuw) Alarm.

Onder invloed van de economische crisis wijzigde Kooijman zijn opvatting over de betekenis van het proletariaat. Tegenover het historisch-materialisme van Karl Marx stelde hij zijn materialistisch-determinisme, dat moest uitlopen op de ondergang van zowel de kapitalistische als de arbeidersklasse. Dit dialectisch denken, dat hij in 1934 samenvatte in zijn 'Alarm-stellingen', leidde tot verwerping van de klassenstrijd. Niet het proletariaat, maar het groeiende produktievermogen ofwel de techniek was volgens hem de stuwende kracht in de maatschappij. Kooijman meende dat er sprake was van een potentiële overvloed aan goederen. Slechts door kunstmatig in stand gehouden tekorten konden de kapitalistische, fascistische en socialistische staten hun macht handhaven. En aangezien de techniek produktie en consumptie reeds van elkaar gescheiden had, kon ieder individu het recht op vrije consumptie laten gelden. Zo opgevat vormden de uit het produktieproces gestoten, en daardoor uit hun klasse gevallen werklozen een nieuwe voorhoede. Als gedeklasseerden moest hun parool 'neem en eet' luiden. Met andere werklozen bracht Kooijman in winkels en restaurants zijn theorie demonstratief in praktijk.

Na vele jaren van werkloosheid bezorgde zijn vriend en geestverwant Lieuwe Hornstra hem uiteindelijk een vaste baan als controleur bij De Bijenkorf. Na zijn pensionering publiceerde Kooijman in de jaren zestig geregeld in het anarchistische blad De Vrije, waardoor de discussies over zijn theorie weer oplaaiden. Via Roel van Duyn, toendertijd medewerker van dat blad, is een deel van Kooijmans opvattingen in de filosofie van Provo terecht gekomen. De idee van de consumptiemaatschappij en de rol van de gedeklasseerden (bij Provo het provotariaat) zijn aan het alarmisme van Kooijman ontleend.

Archief: 

Collectie P.A. Kooijman in familiebezit (Den Haag).

Publicaties: 

De revolutionaire daad (Amsterdam 1922; met anderen); Heden, verleden en toekomst in zakformaat (z.pl. 1935; herziene uitgave Rotterdam 1964).

Literatuur: 

G. Harmsen, Blauwe en rode jeugd (Assen 1961); L. Hornstra, 'P.A. Kooijman 75 jaar' in: Vrij Nederland, 30.4.1966; L. Hornstra (red.), P.A. Kooijman - Neem en eet (Den Haag 1967) 5-28; Het Vrije Volk, 6.3.1968; Nieuwe Rotterdamse Courant, 20.2.1971; H. Ramaer in: De Nieuwe Linie 9.1.1974; A.L. Constandse, 'Piet Kooymans strijd tegen het verraad van de arbeiders. Bij de dood van een anarchist' in: Vrij Nederland, 25.1.1975, reactie L. Hornstra in: 8.3.1975, reactie A. Lehning in: 12.4.1975; A. Constandse, De Alarmisten 1918-1933 (Amsterdam 1975); L. Hornstra, 'Bij de dood van een revolutionair' in: De Vrije Socialist, februari 1975, 2; P. Ebbes, Jo de Haas. Uit het leven van een propagandist voor de anti-militaristische-, socialistische- en vrije gedachte (doctoraalscriptie geschiedenis RUG 1984); A. Constandse, De bron waaruit ik gedronken heb (Amsterdam 1985).

Portret: 

P.A. Kooijman, particulier bezit

Auteur: 
Hans Ramaer
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 104-106
Laatst gewijzigd: 

26-08-2002