STAM, Martinus Adrianus

Mart Stam

(roepnaam: Martin en Mart), partijloos architect actief in de socialistische beweging, is geboren in Purmerend op 5 augustus 1899 en overleden in Goldach, Zwitserland op 23 februari 1986. Hij was de zoon van Arie Stam, belastingontvanger, en Alida Geertruida de Groot. Op 3 juli 1922 trad hij in het huwelijk met Lena Lebeau, met wie hij een dochter kreeg. Dit huwelijk werd ontbonden op 31 december 1934. Op 14 oktober 1934 trouwde hij in Moskou met Charlotte Ida Anna (Lotte) Beese, architecte, met wie hij eveneens een dochter kreeg. Dit huwelijk werd nietig verklaard op 12 maart 1936, waarna zij op 6 augustus 1936 in Amsterdam opnieuw in het huwelijk traden. Dit huwelijk werd ontbonden op 23 augustus 1945. Op 24 april 1946 trouwde Stam met Olga Heller, vertaalster en secretaresse.

Stam werd geboren als tweede en laatste kind. Zijn ouders waren vooruitstrevend en brachten hun idealen op hun kinderen over. Zijn moeder was sociaal actief. Stam maakte zijn lagere schoolopleiding niet af en volgde vanaf 1913 op twee middagen de opleiding tot meubelmaker aan de plaatselijke Stadsteekenschool. Hij was actief in de socialistisch georiënteerde Jongelieden Geheelonthoudersbond (JGOB), werd voorzitter van zijn regionale afdeling en maakte zijn schrijversdebuut in het bondsblad Jonge Strijd. Van zijn eerste eigen uitgave, het tijdschrift Levensverdieping, verschenen in 1919 twee nummers. Op voorspraak van de eveneens uit Purmerend afkomstige architect J.J.P. Oud volgde Stam de opleiding tot tekendocent aan de Rijksnormaalschool voor Tekenonderwijzers in Amsterdam (van 1916 tot 1919). Gelijktijdig volgde hij een schriftelijke cursus burgerbouwkunde bij het Polytechnisch Bureau Nederland in Arnhem. Tijdens zijn stage in Amsterdam bij de architect van de zogeheten Amsterdamse School, Jo van der Mey, raakte hij met hem bevriend. Terwijl hij meewerkte aan het door Van der Mey ontworpen Scheepvaarthuis ontplooide Stam zich doelgericht tot een sociaal bewuste, modernistische architect en onderscheidde hij zich door leidinggevende capaciteiten te tonen. Ook zijn lichaamslengte (1.93 meter) viel op. Alvorens zich zelfstandig te vestigen werkte Stam als bouwkundig tekenaar bij talrijke architectenbureaus. Hij begon bij Granpré Molière, Verhagen en Kok in Rotterdam en vestigde zich in deze stad in opkomst. Hij werkte aan het Rotterdamse tuindorp Vreewijk, dat internationaal als vernieuwende stedenbouw werd opgemerkt. Dit professionele debuut vormde Stams kennismaking met nieuwe ontwikkelingen in de stedenbouw. Hij werd lid van de kunstenaarsvereniging Opbouw. Vanwege zijn pacifistische overtuiging weigerde hij de militaire dienstplicht en werd daarbij gesteund door de Internationale Anti-Militaristische Vereeniging. Na tien maanden detentie in Scheveningen publiceerde hij de brochure Brieven uit de cel (Amsterdam 1920) en hervatte hij zijn werk aan Vreewijk. 

In 1922 trouwde Stam in Haarlem met Lena Lebeau. Zij schreef zich in Haarlem in, hij in Purmerend. In datzelfde jaar vestigde Stam zich in Berlijn, de internationaal georiënteerde hoofdstad van de instabiele Weimarrepubliek en broedplaats voor kunsten en architectuur. Stam kwam er in aanraking met Russische en Tjechoslowaakse kunst, bezocht er de Erste Russische Kunstausstellung en raakte bevriend met de constructivist El Lissitzky. Walter von Walthausen huurde Stam voor enkele weken bij onbekend gebleven projecten in. Hij kreeg een tijdelijke aanstelling als bouwkundig tekenaar bij Max Taut. Daarna nam hij deel aan Die erste Bauhaus-Ausstellung in Weimar, waar hij het ontwerp Börsenhof tentoonstelde. Hij kreeg een tijdelijke aanstelling bij Hans Poelzig in Berlijn, maar de hyperinflatie vanaf januari 1923 maakte zijn vertrek uit Berlijn onafwendbaar. In deze stad had hij echter zijn kijk op architectuur kunnen verbreden. Op aanraden van zijn vriend Werner Moser probeerde Stam zijn geluk in Zwitserland. Zijn essay ‘Holland und die Baukunst unserer Zeit’ was zojuist in de prestigieuze Schweizerische Bauzeitung verschenen. Hij kreeg een tijdelijke aanstelling bij Werners vader Karl Moser in Zürich en trad in 1924 in dienst bij Arnold Itten, die in Thun een eenmansbedrijf had. Samen met Hans Schmidt, Hannes Meyer en anderen richtte Stam het tijdschrift ABC – Beiträge zum Bauen op. In de loop van vijf jaar verschenen tien nummers, waarin hij het grootste aandeel had. In dit goed gelezen avant-garde blad profileerde Stam zich als een functionalist, die voor de massa wilde bouwen. Zijn verbluffende ontwerp voor het treinstation Genève-Cornavin, dat geheel van beton en glas gedacht was, kreeg veel publiciteit. Zijn perspectieftekeningen voor de Wolkenbügel bouwden voort op een futuristisch ontwerp van Lissitzky. Stam publiceerde deze tekeningen echter niet, waarschijnlijk omdat de ontwerpen niet functionalistisch waren. Wel exposeerde hij zijn stationsontwerp op de Grosse Berliner Kunstausstellung, waaraan hij als buitenlands lid van de linksgeoriënteerde Novembergruppe deelnam. Stam besloot Zwitserland te verlaten, waar hij zijn verblijf had benut om zich de stijl en techniek van het zogeheten Nieuwe Bouwen eigen te maken en om zich in deze beweging te manifesteren. Een verblijf van vier maanden in Parijs vormde hierna een intermezzo. Parijs had als cultureel centrum de fakkel van Berlijn overgenomen. Hij volgde er een cursus betontechniek en hield zich bezig met verkeersvraagstukken. Ook maakte hij kennis met Piet Mondriaan, met wie hij bevriend raakte. Samen bezochten zij de tentoonstelling l’Art d’aujourd’hui, waar surrealisten exposeerden. Hierna bracht hij enkele maanden in Purmerend door, waar hij in 1926 zijn eerste opdracht op eigen naam realiseerde, de Dr. Maatsbank, als gedenkteken voor de plaatselijke huisarts.

Stam begon in 1926 te werken bij Brinkman en Van der Vlugt in Rotterdam, waar hij aan projecten meewerkte als de Theosofische Tempel, de Hut van Krishnamurti, de Villa aan de Plas en vooral de Van Nellefabriek. Hij ging in Vreewijk wonen en werd vaste medewerker van de Internationale Revue i 10 onder hoofdredactie van Arthur Müller Lehning. Tussen 1927 en 1929 schreef hij hiervoor vijf artikelen. Naar aanleiding van een prijsvraag van de gemeente Amsterdam, waaraan hij niet deelnam, publiceerde hij in 1927 zijn provocerende project Vernieuwing Rokin-Dam. Stam werd gekozen als voorzitter van de architectenkring De Opbouw en droeg als activistisch bestuurder bij aan de linkse oriëntatie hiervan. Eveneens in 1927 realiseerde Stam een huizenrij in de Weissenhofsiedlung in Stuttgart met ‘huizen als machines’. Deze experimentele woonwijk maakte deel uit van de tentoonstelling Die Wohnung van de Deutsche Werkbund, die een half miljoen bezoekers trok. Voor deze gelegenheid maakte Stam in kleine oplage experimentele staalbuismeubels, waarmee hij de eerste achterpootloze stoel tot stand bracht. Zowel de huizen als de stalen meubels waren bedoeld voor de laagstbetaalden. Deze spraakmakende creaties bewerkstelligden zijn doorbraak als vernieuwend ontwerper. Stam was samensteller van de Internationale Architectuur Tentoonstelling van De Opbouw in Restaurant De la Paix in Rotterdam. In april 1928 ontsloeg Leen van der Vlugt Stam op staande voet, nadat deze aanspraak op het auteurschap van de Van Nellefabriek had gemaakt, mogelijk omdat zijn bijdrage daaraan gebagatelliseerd werd. Samen met Gerrit Rietveld vertegenwoordigde Stam Nederland op de oprichtingsbijeenkomst van het Congrès Internationaux d’Architecture Moderne (CIAM) in het Zwitserse La Sarraz, een bundeling van vooruitstrevende architecten in 1928. In deze periode werd Stam een belangrijke woordvoerder van de modernistische architectuurbeweging. Na de geboorte van hun dochter in juli 1927 emigreerde het gezin in augustus 1928 naar Frankfurt am Main. Dit gebeurde op uitnodiging van de stadsarchitect Ernst May die een groot vernieuwingsproject van het sociaaldemocratische stadsbestuur leidde. Samen met Werner Moser ontwierp Stam in 1930 de spraakmakende Ouderenhuisvesting Harry und Emma Budge-Heim en in 1932 ontwierp Stam de woonwijk Hellerhof, waarvan de strokenbouw op grote schaal navolging kreeg. Hij publiceerde drie artikelen in Das neue Frankfurt, waarin hij goede en betaalbare woningen en meubels voorstond. Hij was medesamensteller van de buitengewone tentoonstelling Der Stuhl, waar hij eigen stoelen en schilderijen van Mondriaan exposeerde, en van de even vernieuwende CIAM-tentoonstelling Die Wohnung für das Existenzminimum. In 1929 vond het tweede CIAM-congres in Frankfurt plaats. In 1928 en 1929 gaf Stam gastcolleges elementaire bouwleer en stedenbouw aan het Bauhaus in Dessau. Hij ontwierp de Villa Palička, die in 1932 gewijzigd gerealiseerd werd in de Babasiedlung in Praag en veel waardering kreeg. In het Amsterdamse Stedelijk Museum nam hij deel aan de 2e tentoonstelling architectuur, schilderwerk, beeldhouwwerk. Deze periode in Duitsland vormde het onbetwiste hoogtepunt van Stams carrière. Hij ontplooide zich veelzijdig en ontwikkelde charisma. De beurskrach van 1929 dwong hem echter tot vertrek. 

Waar andere architecten uitweken naar de Verenigde Staten, koos Stam voor de Sovjet-Unie, omdat hij nieuwe steden hoopte te kunnen bouwen. Hij vestigde zich in oktober 1930 in Moskou als lid van de zogeheten May-brigade, een groep van ongeveer dertig architecten die onder leiding van May in de Sovjet-Unie werkten. Stam voerde in verschillende delen van de Sovjet-Unie opdrachten uit in het kader van het Eerste Vijfjarenplan. Tot 1932 ontwikkelde hij het stedenbouwkundige prototype voor Magnitogorsk in West-Siberië, dat een industriestad van strategisch belang moest worden. May nam Stams concept van een uitbreidbare stad over in zijn plannen voor Russische steden. In deze tijd verbrak Stam de relatie met Lebeau, die met hun dochter naar Nederland terugkeerde. In 1932-1933 ontwierp hij het stedenbouwkundig plan voor Makejevka (Makijivka) in de Oekraïne. De firma Thonet nam intussen zijn meubelontwerpen in productie. In Charkov (Charkiv) ontmoette Stam Lotte Beese, die hij nog kende als architectuurstudente in het Bauhaus. Hij ging met haar in Moskou samenwonen. In de periode 1933-1934 maakte hij een stedenbouwkundig ontwerp voor het Russische Orsk. Nadat zijn advies om van het bouwen van een stad in Balgasj in Kazachstan af te zien vanwege de door kopererts vergiftigde grond niet was overgenomen, weigerde hij in 1934 medewerking aan de overheidsplannen hiervoor. Er ontstond een dreigende situatie maar na maandenlang wachten konden Beese en hij het land verlaten. Zij waren in Moskou getrouwd om haar uitreis te bespoedigen, maar dit huwelijk werd later in Nederland nietig verklaard, omdat hij nog getrouwd was met Lebeau. Ondanks de voortijdige beëindiging van het enorme stedenbouwproject had Stam een stadsmodel ontwikkeld dat binnen en buiten de Sovjet-Unie navolging vond.

In november 1934 vestigden Stam en Beese zich in Amsterdam. Nadat de scheiding van Lebeau in december was uitgesproken, overleed zij op 12 januari 1935. De zoon van Beese werd Stams stiefkind. Later dat jaar kregen Beese en Stam een dochter en in 1936 trouwden zij opnieuw in Amsterdam. Stam maakte kennis met grafisch ontwerper Willem Sandberg, die in 1936 conservator van het Amsterdams Stedelijk Museum werd. Een jarenlange vriendschap en samenwerking volgde. Stam werd lid (en bestuurslid) van de Amsterdamse architectenvereniging De 8 en de Vereeniging voor Ambachts- en Nijverheidskunst en leverde een bijdrage aan de tentoonstelling De stoel gedurende de laatste 40 jaar. Met zijn vrouw vormde hij een architectenbureau en hij ging samenwerken met Willem van Tijen en Hugh Maaskant. Hij werd redactielid van de 8 en opbouw en publiceerde in dit vaktijdschrift tussen 1934 en 1942 55 artikelen, die vaak als een oproep lezen. In samenwerking met Van Tijen en Maaskant bouwde Stam in 1936 in Amsterdam een rij 'drive-in' woningen, die in Nederland een novum waren. In de periode 1937-1938 ontwierp hij meubels voor de firma Metz & Co., waarbij hij zich op kostenbewuste massaproductie richtte. In 1937 nam hij deel aan het vijfde CIAM-congres in Parijs en exposeerde er op de gelijktijdige wereldtentoonstelling zijn binnenhuisarchitectuur. Het ontwerp Tangent en Radiaal uit 1937 voor een nieuw Amsterdams raadhuis kwam tot stand in samenwerking met Beese, Van Tijen en Maaskant. Hij was medevormgever van de tentoonstelling Abstracte kunst en jurylid van de prijsvraag Goedkoope Woningen. Stams prijsvraagontwerp voor een Nederlands paviljoen voor de World’s Fair, de wereldtentoonstelling in New York, won de eerste prijs, maar het plan werd gepasseerd. In deze vooroorlogse crisisjaren waren bouwopdrachten in Nederland schaars, zeker voor architecten van het Nieuwe Bouwen. De eenheid in deze beweging ging onder deze druk verloren. Toch wist Stam met zijn architectuur, binnenhuisarchitectuur, meubel- en tentoonstellingsontwerpen tot een veelzijdige productie te komen. 

In september 1939 werd Stam benoemd tot directeur van het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs in Amsterdam, de latere Gerrit Rietveld Academie. Na de bezetting van Nederland door het Duitse leger begin mei 1940 werd de tentoonstelling In Holland staat een huis, waarvan hij medesamensteller was, afgelast. Stam werd actief in de Persoonsbewijzencentrale, het onderdeel van het kunstenaarsverzet dat identiteitspapieren vervalste. Na jarenlange huwelijksproblemen gingen Stam en Beese in 1943 uit elkaar en werd de echtscheiding in 1945 uitgesproken. Stam, die een verhouding met Olga Heller had, ging nu met haar samenwonen en zou in 1946 met haar trouwen. Zij was in 1911 in Palestina geboren, in Wenen opgegroeid en had Stam in 1940 leren kennen. Na de bevrijding in mei 1945 werd Stam medeoprichter van de Vereniging van Beoefenaars der Gebonden Kunsten (GKf) en was waarschijnlijk betrokken bij twee tentoonstellingen van deze kunstenaarsvakbond: g.k.f. vereeniging van beoefenaars der gebonden kunsten en Experimenten van wandschilders. Met Sandberg en anderen richtte hij het eigenzinnige tijdschrift open oog op. Hij had een groot aandeel in de twee nummers die in 1946 en 1947 verschenen. Hij was betrokken bij de tentoonstelling Weerbare democratie, volk in verzet. Stam was medeontwerper van Nagele, een pioniersdorp in de Noordoostpolder, gebaseerd op de principes van het Nieuwe Bouwen. Zijn reconstructieplan voor het verwoeste centrum van Dresden werd afgewezen. Eind 1946 organiseerde hij in het Stedelijk Museum Amsterdam de P M piet mondriaan herdenkingstentoonstelling. In 1947 nam hij deel aan het zesde CIAM-congres in Bridgwater in Engeland. Stam was medeoprichter van de federatieve stichting Goed Wonen, een initiatief van de GKf met als doel Nederlanders bewuster van hun interieur te maken. Als lid van de redactiecommissie van Goed Wonen droeg hij tussen 1946 en 1954 incidenteel bij aan dit publiekstijdschrift. Zijn meubelontwerpen werden in februari 1948 in de eerste verkoopcatalogus van dit blad opgenomen. Ondanks waardering voor zijn inzet gold Stam als een ‘rooie hond’. Hij vond dat hij werd tegengewerkt en besloot Nederland te verlaten. 

In juni 1948 vertrok Stam naar de Sowjetische Besatzungszone, de latere Duitse Democratische Republiek (DDR), waar hij zijn ideeën over onderwijs wilde realiseren. Hij werd benoemd tot directeur van de Hochschule für Werkkunst en van de Akademie für Bildende Künste in Dresden en vestigde zich daar. In 1949 nam hij deel aan het zevende CIAM-congres in het Italiaanse Bergamo. Na een machtsstrijd kreeg Stam een opmerkelijke overplaatsing. In 1950 werd hij directeur van de Hochschule für angewandte Kunst in Berlin-Weissensee en van het Institut für industrielle Gestaltung. Stam vestigde zich in Oost-Berlijn. Maar onder toenemende druk van de Koude Oorlog dwong Moskou de Oost-Duitse communistische partij tot een politieke omslag, zodat deze afstand nam van ‘westers’ design, zoals van het Bauhaus. De campagne tegen de ‘formalist’ Stam werd geïntensiveerd. Tenslotte werd hij ontslagen en bedreigd, waarop hij de DDR ontvluchtte. Stam keerde in november 1953 terug naar Amsterdam, waar hij op vier verschillende adressen woonde. Hij werd chef de bureau bij Ben Merkelbach en Piet Elling en was ontwerper van de tentoonstelling wonen en wonen. Hij werd lid van de Liga Nieuw Beelden, een groep kunstenaars en architecten die het Nieuwe Bouwen omarmde, en vestigde zich in 1956 zelfstandig. Hij had veel opdrachten, met name voor hoogbouw, zowel kantoren als woningbouw. Het kantoorgebouw van de Geïllustreerde Pers in Amsterdam uit 1959 geldt onbetwist als zijn naoorlogse hoogtepunt. Stam nam echter steeds minder deel aan het culturele debat. Zijn laatste, linksgeoriënteerde, artikel verscheen in 1959 in Form: ‘Gedanken über die Ausbildung von künstlerischem Nachwuchs’. Hij kwam een zware ziekte te boven, verdiepte zich in het christendom, hief zijn bureau op en trok zich uit het openbare leven terug. Na een reis van drie maanden door Israël vestigden hij en zijn vrouw zich in het najaar van 1966 in Zwitserland. Hij realiseerde de Villa Mostam in Arcegno in Ticino en bewoonde die in 1967 zelf. Hij ontving een jaarlijks eregeld van de Nederlandse staat vanwege zijn ‘bijdrage aan het culturele klimaat’ en vestigde zich vervolgens in Hilterfingen, in de Villa Heller, zijn laatste architectonische ontwerp (1970). Het echtpaar woonde hierna op steeds wisselende adressen, in hotels en kuuroorden, nooit langer dan vijf maanden op dezelfde verblijfplaats. Mogelijk verklaarde de achtervolgingswaan van zijn vrouw Olga deze onrust. In 1977 was hij betrokken bij de oprichting van het Stuhlmuseum in het Duitse Beverungen. Begin 1986 overleed hij op 86-jarige leeftijd in Goldach aan het Bodenmeer. Hij werd op begraafplaats Enzenbühl in Zürich ter aarde besteld.

Stams levensgeschiedenis toont dat zijn politieke gezindheid zijn loopbaan meer geschaad heeft dan zijn rechtlijnige karakter. Het Nieuwe Bouwen werd als ‘gebouwd socialisme’ gezien, waarbij Stam tot de ‘principiëlen’ binnen deze beweging gerekend werd. Zijn oeuvre bleef klein maar werd vanaf 1925 als richtinggevend herkend. Walter Gropius, Ludwig Mies van der Rohe en Le Corbusier gingen de architectuurdiscussie met hem aan en binnen enkele jaren verwierf hij wereldroem met zijn Weissenhofsiedlung in Stuttgart. Zijn werk vond een weerslag in de eigentijdse kritiek. Pas vanaf de jaren zestig ontstond essayistisch werk over hem en rond 1990 verschenen enkele monografieën. Stams oeuvre maakt deel uit van het cultureel erfgoed en verschillende van zijn bouwwerken werden tot monument verklaard. Zijn artistieke betekenis blijkt uit zijn experimenteerzin, zijn geniaal talent voor complexe opgaven en de schoonheid van de consequentie die zijn werk typeert. De belangrijkste hoogtepunten zijn het Geneefse treinstation, het vernieuwingsplan voor het Amsterdamse stadscentrum, de huizenrij in de Weissenhofsiedlung, de achterpootloze stoel en de Villa Palička. Maatschappelijk van belang zijn Stams inspanningen om voor minder draagkrachtigen een gezond huis en praktische meubels binnen bereik te brengen, waarvoor hij zijn scheppend vermogen en zijn overtuigingskracht heeft inzet. Zijn pleidooi tegen status en voor een sobere groene leefstijl heeft niet aan actualiteit ingeboet. In een naar architecten genoemde wijk in Amersfoort is een Mart Stamerf.

Archief: 

Archief Mart Stam in Het Nieuwe Instituut, Rotterdam, zie https://zoeken.hetnieuweinstituut.nl/nl/archieven/details/STAM/keywords/stam; nalatenschap Olga Stam in Deutches Architektur Museum, Frankfurt am Main. 

Publicaties: 

‘Holland und die Baukunst unserer Zeit’ in: Schweizerische Bauzeitung, 1923, 15, 185-188; 18, 225-228; 19, 241-243; 21, 268-272; [repliek] 26, 339-340; ‘Modernes Bauen 1’ in: ABC - Beiträge zum Bauen, 1924, 2, 4; ‘Modernes Bauen 2’ in: ABC - Beiträge zum Bauen, 1925, 3/4, 4; ‘Modernes Bauen 3’ in: ABC - Beiträge zum Bauen, 1925, 3/4, 5; ‘Op zoek naar een ABC van het bouwen’ in: Het Bouwbedrijf, 1926, 11, 378; 17, 521-524; 1927, 1, 18-20; ‘Wie bauen?’ in: Bau und Wohnung (Stuttgart 1927) 124-131; ‘Fort mit den Möbelkünstler’ in: ABC - Beiträge zum Bauen, 1927/1928, 4, 6; ‘M-Kunst’ in: bauhaus zeitschrift für gestaltung, 1928, 2/3, 16; ‘Das Mass, das richtige Mass, das Minimummass’ in: Das neue Frankfurt, 1929, 2, 29-30; ‘Op 13 juni sprak voor ons in het Stedelijk Museum Dr. S. Giedion uit Zürich, de belangstelling was groot. Onderwerp: “Das Bad als Kulturmasz”’ in: de 8 en opbouw, 1935, 16, 165-167; ‘Bouwkunst in het nieuwe Rusland’ in: de Groene Amsterdammer, 6.6.1936, 10-11; ‘Aan de architecten’ in: de 8 en opbouw, 1938, 4, 39-40; ‘De architectenkant is de menselijke kant’ in: de 8 en opbouw, 1938, 23, 225-226; ‘Men vraagt... “een paleis”’ in: de 8 en opbouw, 1939, 23, 258; ‘De karakterloosheid en middelmatigheid’ in: de 8 en opbouw, 1939, 14, 148; ‘Behoudzucht’ in: open oog. avantgardecahier voor visuele vormgeving, 1947, 2, 2-12; ‘Van het eigen erf naar de twaalfde etage’ in: Goed Wonen, 1953, 8, 123-128; ‘Gedanken über die Ausbildung von künstlerischem Nachwuchs’ in: Form, Internationale Revue, 1959, 6, 25-26.

Literatuur: 

H. Buys, ‘Mart Stam’ in: Elsevier’s geïllustreerd maandschrift, juli-december 1939, 385-389; G. Oorthuys, Mart Stam. Overzicht van zijn werk (Den Haag 1969); C. Boot, ‘Mart Stam. Kunstnijverheid als aanzet voor een menselijke vormgeving’ in: Wonen – TA/BK, 11, 1982, 10-16; J. Rogier, ‘Alles is in beweging in de stad, een gemaakte vorm is een leugen. Mart Stam streefde fanatiek naar ordening’ in: Vrij Nederland, 14.8.1982, 15 (reactie P. Vollaard in: 28.8.1982); J. Huisman, ‘Architect van “Nieuwe Bouwen” in Zürich overleden. Mart Stam, bouwer voor heilstaat’ in: NRC Handelsblad, 4.3.1986; A. Oosterman, ‘De mythe van Mart Stam doorgeprikt’ in: de Groene Amsterdammer, 18.6.1986, 17-18; M. Bock, De 8 en Opbouw 1936-1937. Tijdschrift van het Nieuwe Bouwen: volledige heruitgave (Amsterdam 1985); W. Oechslin e.a., Mart Stam 1923-1925: Eine Reise in die Schweiz 1923-1925 (Zürich 1991); H. Kroon, ‘Historische zoektocht naar het Siberië van Mart Stam’ in: de Volkskrant, 25.6.1991; G. Oorthuys, ‘Portrait of an architect’ in: Rassegna, 47/3, 1991, 6-15; I. Haagsma en H. de Haan, ‘Een communist wordt kluizenaar’ in: de Volkskrant, 15.11.1991; S. Rümmele, Mart Stam (Zürich 1991); W. Möller en O. Máčel, Ein Stuhl macht geschichte (Dessau 1992); W. Möller, (red.) ABC – Beiträge zum Bauen, 1924-1928: reprint, kommentar (Baden 1993); J. Molenaar, ‘“My name was not to be mentioned”: Mart Stam and the firm of Brinkman and Van der Vlugt. A conversation with Gerrit Oorthuys, September 23, 1989’ in: Wiederhall (Amsterdam 1993) 14, 22-27; G. Oorthuys en H. Onrust, Mart Stam, de architect: leven en werk (1996, documentaire); W. Möller, Mart Stam 1899-1986, Architekt, Visionär, Gestalte. Sein Weg zum Erfolg 1919-1930 (Tübingen 1997); H. van Bergeijk en O. Máčel, ‘We vragen de kunstenaars kind te zijn van eigen tijd’. Teksten van Mart Stam (Nijmegen 1999); J. Otsen, ‘De Purmerendse jaren van Mart Stam’ in: Onvoltooid verleden, nr. 19, maart 2004, 23-32; J. Otsen, ‘De Russische jaren van Mart Stam’ in: Onvoltooid verleden, nr. 22, november 2006, 37-45; H. Barr en U. May, Das neue Frankfurt (Frankfurt am Main 2007); H. van Bergeijk, ‘Zoeken naar Stam. Enige opmerkingen betreffende Mart Stam’ in: Ezelsoren, 3, 2009, 35-43; S. Jacobs, Mart Stam. Dichter van staal en glas (Amsterdam 2016); S. Jacobs, Mart Stam. Oeuvrecatalogus (Amsterdam 2018); H. Oosterhof, ‘Want de grond behoort ons allen toe’. Leven en werk van stedenbouwkundig architecte Lotte Stam-Beese (Nijmegen 2018).

Portret: 

Mart Stam, omstreeks 1925. Bron: G. Oorthuys en W. Möller in: Rassegna, 91, 1991, afb. 61

Handtekening: 

Huwelijksakte van Stam/Lebeau dd. 03 juli 1922. Akte 413, akteplaats Haarlem. Als bruidegom.

Auteur: 
Stef Jacobs
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online (2019)