BERGMEIJER, Jan Andries

Jan Andries Bergmeijer

voorman in de Sociaal-Democratische Bond, Socialistenbond, SDAP en vakbeweging, is geboren te Dordrecht op 9 oktober 1854 en overleden te Amsterdam op 6 november 1941. Hij was de zoon van Jan Willem Bergmeijer, zeeman, en Johanna Hendrika Nedermeijer. Op 10 september 1884 trad hij in het huwelijk met Elisabeth Scharloo, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg.

Bergmeijer was enig kind. Zijn vader stierf toen hij nog geen zestien was. Zijn moeder, die lezen noch schrijven kon, 'moest met naaien het brood voor zich en haar gezin verdienen', want haar zoon 'was kweekeling aan een openbare school en dus nog niet in den tijd van verdienste. De moedige vrouw werkte zich bijna blind en op 18-jarigen leeftijd haalde de zoon zijn onderwijzersakte', aldus W.H. Vliegen. Bergmeijer was vanaf zijn elfde tot zijn achttiende jaar 'kweekeling' op de door hem zelf doorlopen Dordtse stadsarmenschool. Hij volgde er (omdat de, na de Lager-Onderwijswet van 1857 langzamerhand tot stand komende, nieuwe opleidingsscholen voor onderwijzer - zogenaamde 'kweekscholen' of 'normaalscholen' - voor hem onbereikbaar waren) de 'opleiding in de practijk door de bovenmeester'. In 1872 vertrok hij, wellicht mede door het huwelijk van zijn moeder in 1872 met een ongeschoold sjouwerman, 'overhaast' naar Hendrik-Ido-Ambacht. Hij bleef er hulponderwijzer tot 1877 en verdiende vierhonderd gulden per jaar. In 1878 keerde hij vanuit Zwijndrecht, zijn volgende standplaats, naar Dordrecht terug. Bergmeijer verwierf in zijn geboortestad een betrekking aan een 'gemengde school' met betalende en niet-betalende leerlingen, waar hij tot zijn pensionering in 1922 bleef. Hij had in 1878 de hoofdonderwijzersakte gehaald en was in die tijd bovendien begonnen met het verwerven van degelijke kennis van Frans, Duits en Engels. Dat behoorde niet tot de eisen voor de toenmalige examens van hulp- en hoofdonderwijzer, maar Bergmeijer had die talenkennis nodig voor zijn met hartstocht aangevatte studie van de geschiedenis. Hoewel hij op zijn 28e de akte Middelbaar Onderwijs - geschiedenis haalde, slaagde de radicale Bergmeijer er niet in om een functie bij het middelbaar onderwijs te verwerven. Zijn atheïstische levensovertuiging, die hij niet onder stoelen of banken stak, speelde hem hierbij ongetwijfeld parten. Bij het Dageraadsjubileum in 1906 getuigde hij van de grote betekenis die Het leven van Jezus (1835) van D.F. Strauss voor hem en verschillende van zijn generatiegenoten had gehad. Over het christendom zou hij zich alleen nog in de meest laatdunkende termen uitlaten. Bergmeijer behoorde bovendien levenslang tot de Multatulianen en nog op hoge leeftijd zette hij als lid van de propagandacommissie zich in voor het Multatuli Museum. In 1881 sloot hij zich aan bij het district Zuid-Holland van de Vereeniging van Onderwijzersgezelschappen. Hij ontplooide er zijn eerste vakbondsactiviteiten. Als lid van de Dordtse liberale kiesvereniging Burgerplicht streefde hij naar vrijheid en recht voor alle burgers en daarom sloot hij zich ook aan bij de Nederlandsche Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht. In september 1882 presideerde hij een vooral door onderwijzers bezochte openbare kiesrechtvergadering van die bond in Dordrecht met als belangrijkste spreker Ferdinand Domela Nieuwenhuis van de net opgerichte Sociaal-Democratische Bond (SDB). Nieuwenhuis sprak over 'sociaaldemokratie' en maakte als persoon grote indruk op Bergmeijer die in het 'stille Dordt' voortaan als 'rood' werd aangeduid. Maar de stap naar de sociaal-democratie kon of wilde Bergmeijer nog niet maken. De discriminatie die hij ondervond bij het zoeken naar een bij zijn capaciteiten passende werkkring viel hem niet licht. Zijn vrouw en hij hadden het moeilijk. Hun in 1885 geboren zoon overleed in 1891. Een jaar later kregen zij een dochter, maar hun derde kind stierf toen het nog geen twee jaar oud was.

In de verkiezingsstrijd van 1891 trad Bergmeijer, na een verzoek van zijn liberale geestverwanten, met succes als debater op tegen anti-revolutionaire woordvoerders in de Hoekse Waard. Door zijn belezenheid en redenaarstalent stak hij ver boven zijn collega's uit. De liberale overwinning schonk hem echter geen voldoening omdat de liberalen belastinghervormingen belangrijker bleken te vinden dan het kiesrecht. Mede onder invloed van Dordtse sociaal-democratische arbeiders werd hij, nadat hij de heren van Burgerplicht 'ronduit gezegd had zich in de liberale partij lelijk te hebben vergist', lid van de SDB. Dit toetreden, toen, was 'een daad van grote moed'. De SDB verkeerde in verwarring. Domela Nieuwenhuis had in 1891 niet alleen zijn Kamerzetel maar ook zijn geloof in het nut van parlementaire activiteiten verloren. De SDB, verscheurd door strijd tussen parlementairen en antiparlementairen, wilde in de eerste plaats een 'economische partij' zijn. In overeenstemming met die opvatting streefde ook Bergmeijer naar verbetering van het lot van allen die zijns inziens slachtoffer waren van de kapitalistische maatschappij, want het 'gansche kiesrecht' was volgens de SDB in Dordrecht 'geen droppel arbeidersbloed' waard. Met J.H.F. van Zadelhoff richtte hij een afdeling van de vooruitstrevende en strijdbare Bond van Nederlandsche Onderwijzers (BvNO) op. Hij was de eerste jaren afdelingsvoorzitter van de BvNO. Tevens was hij lid van de in 1890 opgerichte Sociaal-Democratische Onderwijzers-Vereeniging. Toen de SDB in 1893 afzag van kiesrechtstrijd, zelfs als 'agitatiemiddel', was dat voor Bergmeijer geen reden de SDB te verlaten. Na het officiële verbod van de SDB in 1894 bleef hij als secretaris van de afdeling Dordrecht de in Socialistenbond (SB) omgedoopte SDB trouw. Voor de in 1894 opgerichte SDAP voelde hij geen spoortje sympathie. De praktische kant van de klassenstrijd bleek voor Bergmeijer belangrijker dan theoretische kwesties. De afdeling Dordrecht van de SB wilde de propaganda voor de achturendag niet vervangen door propaganda voor afschaffing van het privaatbezit. Toch kwam er geen verwijdering tussen de naar het anarchisme neigende Domela Nieuwenhuis en Bergmeijer. Domela verzocht de Bergmeijers zelfs zijn moeilijk op te voeden en moeizaam lerende stiefzoon George Rhijnvis Feith ter verdere opvoeding en opleiding in hun gezin op te nemen wat zij drie jaar lang deden. 'De lastigste jongens ... worden lang niet altijd de slechtste mensen', orakelde Nieuwenhuis in een van zijn vele brieven aan Bergmeijer. Op 1 mei 1896 richtte Bergmeijer met enkele geestverwanten de Dordrechtsche Bestuurders Bond (DBB) op. Bergmeijer was tot 1898 secretaris en tot 1914 voorzitter van de DBB die zich ook voor niet-socialisten openstelde. Hoewel de bestuurdersbond zich niet met 'politiek' zou inlaten, werden de Dordtse afdelingen van de SB, de in 1897 afgescheiden Vrije Socialisten, de Socialistische Jongeliedenbond en ten slotte de SDAP er later toch lid van. Bergmeijer was ook buiten Dordrecht voor de SB actief. Hij werd redacteur van de met de SB verbonden Sociale Gids en voor de Almanak van de Socialistenbond, die in 1897 voor het eerst uitkwam, schreef hij historische artikelen over opstand en revolutie. In het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt sprak hij socialistische vergaderingen zo doeltreffend toe dat de burgemeester van Dordrecht de Amsterdamse politie vroeg hem over Bergmeijer te rapporteren. De verstandhouding met Domela Nieuwenhuis verslechterde. Begin 1897 bleek tussen hen een diepgaand verschil in opvatting te bestaan. Bergmeijer noemde zijn mede-SB'er Tjerk Luitjes een 'mooiprater' en 'warhoofd' die de arbeiders op een dwaalspoor zou brengen en die bezig was met 'vernietigen en vernielen der organisatie zo broodnoodig voor de arbeiders'. Deze uitbarsting betekende niet dat Bergmeijer, zoals Nieuwenhuis dacht, 'parlementair' was geworden. 'Ik ben', schreef hij Nieuwenhuis, 'voor alles een hartstochtelijk voorstander der vakbeweging, het parlementarisme staat mij daarbij leelijk in de weg'.

Het jaar 1897 zou voor Bergmeijers politieke ontwikkeling van beslissende betekenis blijken. Gematigde sociaal-democraten zagen door de nieuwe kieswet van S. van Houten een mogelijkheid om 'werkliedenkiesvereenigingen' op te richten die arbeidersvertegenwoordigers in de vertegenwoordigende lichamen konden brengen. Bovendien sloot de Dordtse afdeling van de BvNO zich na veel aarzelen bij de DBB aan. Met andere leden van de SB als Van Zadelhoff en G. te Veldhuis besloot Bergmeijer zich niet van andere socialisten en vooruitstrevenden te isoleren. Hij werd lid van de nieuwe Dordtse werkliedenkiesvereniging Volksbelang. Ondertussen kwam Nieuwenhuis telkens met kritiek op De Sociale Gids en hij keurde het bovendien af dat Bergmeijer ook de redactie van de vooral in Zeeland verschijnende De Toekomst op zich had genomen. Tegen de zin van Nieuwenhuis raadde Bergmeijer de kiesgerechtigde Dordtse arbeiders aan bij de noodzakelijke herstemming op de liberaal te stemmen om zo 'de klerikaal te weren'. In het najaar kwam hij met het idee om in Dordrecht een cooperatieve bakkerij te beginnen. Deze zou als eerste in het land een belangrijk deel van de winst voor de strijd van de arbeidersbeweging bestemmen. Pas in 1936 gaf Bergmeijer zijn voorzitterschap van de Coöperatieve Broodbakkerij en Verbruiksvereniging 'Vooruit' U.A. - zijn laatste functie in de arbeidersbeweging op. Toen Domela Nieuwenhuis op het Rotterdams Kerstcongres van de SB de redactie van Recht voor Allen neerlegde, vormde Bergmeijer met enkele geestverwanten voor Recht voor Allen een commissie van redactie. Vliegen noemde dit later 'een moedige, hoewel vruchteloze poging om de Socialistenbond in leven te houden'. Bergmeijer hield de strijd voor versterking van de SB lang vol. Hij was altijd als spreker beschikbaar en leidde Recht voor Allen, ondanks kritiek van Nieuwenhuis dat hij 'gemene artikelen' zou publiceren, zo goed als hij kon. Zijn redacteurschap was voor minister van Binnenlandse Zaken H. Goeman Borgesius reden de burgemeester inlichtingen over Bergmeijer te vragen. Voorgelicht door het schoolhoofd antwoordde deze dat Bergmeijer weliswaar niet aan het schoolfeest bij de troonbestijging van Wilhelmina had willen deelnemen, maar dat aan zijn kennis, welsprekendheid, ijver en plichtsbetrachting niets ontbrak. Al 'geruime tijd' was hem de derde klas (kinderen van zeven en acht jaar) toegewezen, zodat 'beïnvloeding' van zijn leerlingen voor hem moeilijk was.

Begin 1899 groeide Bergmeijers onvrede met de beweging. 'Vadertje' Domela Nieuwenhuis beschouwde hij als dood, maar voor de SDAP - 'een troepje bourgeois' voelde hij niets. P.J. Troelstra, die hem niet lag, zocht echter contact met hem voor inlichtingen over Volksbelang. Toen Recht voor Allen nog maar één keer per week kon verschijnen, offerde Bergmeijer de SB op 'ten dienste van het algemeen' zoals hij het later uitdrukte, door in juni 1900 een fusie met de SDAP tot stand te brengen. Nu kon in Dordrecht een afdeling van de SDAP worden opgericht. Bergmeijer bleef daarnaast actief in de vrijdenkersvereniging De Dageraad, vertaalde boeken en brochures en publiceerde artikelen in De Volksstem, een onafhankelijk weekblad 'voor de kleine man'. Zijn, wat Vliegen noemde, 'sensatiemakende bekering' zorgde voor nog meer nadruk op het praktische werk. Voor het Landelijk Onderwijs-Comité stelde Bergmeijer een Rapport der Enquêtes (z.pl. 1902) op. Vooral voor leerplichtige 'behoeftige schoolkinderen' waren voedsel en kleding nodig. Het beviel hem niet dat de SDAP het bestaansrecht van door de overheid gesubsidieerde bijzondere scholen erkende. Na de eerste spoorwegstaking in 1903 nam Bergmeijer zitting in het plaatselijk Comité van Verweer. Dordtse burgers eisten tevergeefs zijn ontslag als onderwijzer. Met L.M. Hermans voerde Bergmeijer de redactie van het Rotterdamse arbeidersweekblad Voorwaarts, orgaan van de Federatie Zuid-Hollandsch Zuiderkwartier van de SDAP. Alleen door gedisciplineerde strijd van vakorganisatie, partij en coöperatie kon volgens hem het kapitalistische stelsel worden overwonnen. Op het Internationaal Socialistisch Congres van 1904 in Amsterdam koos Bergmeijer voor het 'orthodox-marxistische' standpunt van August Bebel. Daarbij trok hem vooral de filosofie van Josef Dietzgen die voor velen een aanvulling op de maatschappijtheorie van Marx inhield. De DBB ontwikkelde zich onder Bergmeijers leiding in parlementaire richting en sloot zich later aan bij het NVV. Er kwam een Bureau voor Arbeidsrecht en met zijn brochure Een Noodkreet (Dordrecht 1906) vestigde Bergmeijer de aandacht op de slechte werkomstandigheden van de steenhouwers. Samen met E. Sinoo van de Nederlandsche Steenhouwersbond voerde hij actie voor maatregelen om de werkomstandigheden van de steenhouwers te verbeteren. De Steenhouwerswet van 1911 bekroonde hun werk. In de brochure rekende Bergmeijer tevens af met de 'malle dingen' van het anarchisme. De richtingenstrijd in de SDAP vond hij eveneens een afkeurenswaardige 'malligheid'. Hij behoorde met F.M. Wibaut, W.A. Bonger en J.W. Albarda tot de 'gematigde marxisten'. Daarbij verloor Bergmeijer het belang van kleine inspanningen niet uit het oog. Regelmatig stuurde hij J.G. Götze van De Dageraad postzegels en zilverpapier voor de Weezenkas.

Na haar eindexamen gymnasium leerde Bergmeijers dochter Irene in de Kweekelingen Geheelonthoudersbond (KGOB) Koos Vorrink kennen die regelmatig naar Dordrecht kwam. Bergmeijer was op hem gesteld en besprak allerlei politieke onderwerpen met hem. Van 1909 tot 1920 redigeerde hij met Van Zadelhoff en de Dordtse arts dr. Th. Stoop de vernieuwde Volksstem, het gematigde weekblad van SDAP en NVV in Dordrecht. In 1914 werd Bergmeijer in het partijbestuur van de SDAP gekozen (tot 1929). Na zijn pensionering werd hij in 1923 voorzitter van de leidinggevende Jeugdcommissie van de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC) in Dordrecht en raadslid (wat hij tot 1935 bleef). Ook was hij lid van de Zuidhollandse Staten (1919 1923, 1927 1935). In die vertegenwoordigende lichamen hield hij zich vooral bezig met sociale problemen, jeugdzaken en historische onderwerpen. Tot Kamerlid wist Bergmeijer het, ondanks zijn bereidheid daartoe, niet te brengen. Vliegen merkt in dit verband op: 'Bergmeijer had een zekere natuurlijke welsprekendheid, die hem tot een gewenscht spreker maakten. Maar een politikus die zich op de hoogte kon en wilde houden van de vraagstukken op sociaal-politiek gebied, stak blijkbaar niet in hem'. Zijn interesse ging, zoals ook uit de door hem vertaalde geschriften blijkt, uit naar de filosofie en de grote historische gebeurtenissen. In de jaren twintig wantrouwde vooral secretaris C. Werkhoven hem omdat hij met Vorrink over de beraadslagingen in het partijbestuur sprak. Vorrink zou vervolgens R. Stenhuis, de ambitieuze NVV-voorzitter, die bezig was met de voorbereiding van een nieuwe door hem beheerste 'Arbeiderspartij', steeds van het besprokene op de hoogte hebben gebracht. Bergmeijer vond dat er in de SDAP 'een regeerkliek' was die hem 'regelmatig' overal buiten hield. Angst voor armoede (blijkend uit verzoeken om onkosten vergoed te krijgen) en een zekere verstrooidheid (het laten liggen van papieren of het 'in der haast' meenemen van een verkeerde paraplu) bezorgden Bergmeijer nog wel eens last. In de jaren twintig en dertig werd hij verzorgd door de verpleegster en AJC leidster Catharina Margaretha (Katrien) Dijkstra, nadat zijn vrouw, die in 1910 in een psychiatrische inrichting in Delft was opgenomen, in 1925 was overleden. Katrien Dijkstra bleef zijn huisgenote ook na haar in 1934 gesloten huwelijk met J. Zock. In september 1940 ging Bergmeijer bij zijn dochter in Amsterdam wonen, waar hij in november 1941 overleed. In de Dordrechtsche Courant en Het (door NSB'ers geleide) Volk prees Van Zadelhoff Bergmeijers grote verdiensten voor de strijd van de arbeiders en hij noemde het diepe leed dat Bergmeijer in zijn lange leven had ondervonden, de oorzaak van diens fouten en 'menige grillige hardheid'.

Archief: 
Dossier J.A. Bergmeijer in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 246).
Publicaties: 
Behalve de genoemde: 'De Staking der Machinisten en Stokers op de Rijnvaart' in: De Nieuwe Tijd, 1900, 242-256; James' geschiedenis der Fransche Revolutie (Amersfoort 1905); 'Het Christus-probleem' in: De Dageraad. Geschiedenis, Herinneringen en Beschouwingen 1856-1906 (Amsterdam 1906) 162-169; 'De fusie van S.D.A.P. en Socialistenbond' in: Gedenkboek ter gelegenheid van het vijf en twintig-jarig bestaan van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij in Nederland (Amsterdam 1919) 135-137; vertalingen: F. Hird, De Noodkreet der Kinderen (Amsterdam 1899); G. Kessler, Het ABC der Sociaal-Demokratie (Amsterdam z.j.); U. Gohier, Rome en de brandkast. Uit het Fransch vertaald en van aanteekeningen en een aanhangsel voorzien (Amsterdam 1901); J. Dietzgen, De toekomst der Sociaal-Demokratie (Amsterdam 1902); Fr. Nietzsche, De wil tot macht. Proeve eener omzetting aller waarden. Bewerkt (Amsterdam z.j.).
Literatuur: 
J. Sanders, Een kwart-eeuw in den Dordschen Raad (Dordrecht 1927); Vliegen, Dageraad II, 449-453, Kracht I, 263-264; Dordrechtsche Courant, 6.11.1941; Het Volk, 7.11.1941 en 10.11.1941 (avondblad); J.F. Meyer, J.A. Bergmeijer. Onderwijzer, vakbonds- en kiesrechtman, socialistisch propagandist (1854-1941) (Amsterdam z.j.; kandidaatsscriptie politicologie); J. Alleblas, Jan Andries Bergmeijer. Pionier van de moderne arbeidersbeweging (Dordrecht 1989, in handschriftenverzameling Gemeentearchief Dordrecht nr. 2826); J. Alleblas, 'Dordrecht in vroeger tijden. Jan Andries Bergmeijer: Pionier van de arbeidersbeweging' in: 8 + magazine(Dordrecht), juni 1989; H. Buiting, Richtingen- en partijstrijd in de SDAP (Amsterdam 1989); H. de Boer, Dordrechtsche Bestuurdersbond 1896-1906 (Dordrecht 1989); A.J.M. Wagemakers, Buitenstaanders in actie. Socialisten en neutraal-georganiseerden in confrontatie met de gesloten Tilburgse samenleving 1888-1919 (Tilburg 1990); B. van Dongen, Revolutie of integratie (Amsterdam 1992).
Portret: 
J.A. Bergmeijer, uit Vliegen, Dageraad I (Amsterdam 1905), t.o. 360
Auteur: 
C.H. Wiedijk
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 11-16
Laatst gewijzigd: 
23-09-2002