HILGENGA, Jan

Jan Hilgenga

secretaris moderne landarbeidersbond en SDAP Kamerlid, is geboren te Midwolda op 21 juni 1883 en overleden te Utrecht op 7 mei 1968. Hij was de zoon van Hindrik Hilgenga, broodbakker en caféhouder, en Jantje Scholte. Op 12 mei 1911 trad hij in het huwelijk met Paulina Kramer, met wie hij twee dochters kreeg.

Afkomstig uit het orthodox-protestantse Midwolda volgde Hilgenga normaallessen tot onderwijzer in Finsterwolde en Nieuwolda. In Finsterwolde kwam hij in contact met het vrije socialisme dat daar onder de landarbeiders leefde. 'Ik dweepte met het anarchisme en Domela was mijn idool', bekende hij later. Hij leerde er ook zijn toekomstige echtgenote kennen. Na aanvankelijk als klerk-telegrafist bij de Staatsspoorwegen te hebben gewerkt, werd hij commissionair in stro en aardappelen. Hij was correspondent van de Winschoter Courant en Het Volksweekblad en agent van de Holland-Amerika-lijn. Met zijn studievriend Jo Westerling richtte hij in januari 1913 een SDAP-afdeling Midwolda op. Westerling werd voorzitter, Hilgenga secretaris. In hetzelfde jaar leidde hij namens de Nederlandsche Landarbeidersbond te Blijham zijn eerste staking. Eerst als tijdelijk propagandist voor het Oldambt en vanaf 1916 als districtsbestuurder voor Groningen en Drenthe wist hij een groot deel van de Oldambtster landarbeiders los te weken van het vrije socialisme en te winnen voor de moderne vakbeweging. In 1915 kwam hij als eerste socialist in de gemeenteraad van Midwolda.

In 1918 benoemd tot secretaris van de bond, verhuisde hij in 1919 naar Leeuwarden en in 1921 naar Utrecht. Hilgenga was binnen de bond de drijvende kracht, opererend in de schaduw van voorzitter Pieter Hiemstra, op wie de Friese SDAP-afdelingen in hoge mate beslag legden. Hij redigeerde het bondsorgaan Vereenigt U. In zijn rubriek 'Kennis is macht' trachtte hij de veelal ongeschoolde landarbeiders enige ontwikkeling bij te brengen. Als geheelonthouder bestreed hij het drankmisbruik bij hen. Ondanks zijn marxistische overtuiging was hij niet wars van bijbelse symboliek om het gelijk van de moderne bond te betuigen. Hij voerde talloze onderhandelingen voor collectieve arbeidsovereenkomsten en leidde tientallen stakingen. Juist de christelijke landarbeidersbond, waarvan hij de leiders uit Midwolda persoonlijk kende, vond hij vaak tegenover zich. In de crisisjaren verplaatste de klassenstrijd zich meer en meer naar de onderhandelingstafel. Hilgenga betreurde dit niet. Als antwoord op de crisis benadrukte hij de noodzaak tot ordening van de landbouw en tot socialisatie van grond en productiemiddelen. Geordende arbeidsverhoudingen zag hij hierbij als een eerste stap. Communistisch verzet hiertegen beantwoordde hij door het lidmaatschap van de Communistische Partij in Nederland onverenigbaar met dat van de bond te laten verklaren, een lijn die het NVV vervolgens overnam. Hij becritiseerde echter ook het Plan van de Arbeid wegens te sterke gerichtheid op de middengroepen en het ontbreken van een socialistisch perspectief. In de Commissie Reorganisatie Landbouwcrisiswetgeving kwam hij in 1937 met een minderheidsnota. In dat jaar volgde hij Hiemstra op als lid van de Tweede Kamer en het jaar daarop als bondsvoorzitter. In 1939 kreeg hij zitting in de Landbouwcommissie van SDAP en NVV. In de Kamer hield hij zich vrijwel uitsluitend bezig met de belangen van het platteland en van de landarbeiders. Kort voor de Duitse inval voltooide hij het omvangrijke gedenkboek Veertig jaren Nederlandse Landarbeidersbond (Amsterdam 1940). Hilgenga, die zich eerder scherp tegen het fascisme en de boerenprotestbeweging Landbouw en Maatschappij keerde, stond na mei 1940 een politiek van aanpassing voor. Onder indruk van door de bezetter genomen maatregelen ten gunste van de landarbeiders en de inschikkelijkheid van de boeren, overschatte hij de mogelijkheid om op deze manier tot een geordende landbouw te komen. Aan de liquidatie van de confessionele bonden werkte hij van harte mee. Pas op 15 juni 1942 nam hij ontslag als voorzitter. De Ereraad van de SDAP berispte hem in 1945, die van het NVV achtte het hele bestuur medeverantwoordelijk. Hilgenga bedankte voor de Tweede Kamer maar verzette zich heftig toen zijn bond besloot alleen hemzelf en oud-secretaris G. Akkerman van verdere functies uit te sluiten. Als rechtvaardiging schreef hij de brochure De Nederlandse vakbeweging in de branding (mei 1940-mei 1942). Hilgenga bleef echter zijn bond een warm hart toedragen. Hij volgde - scherpzinnig als altijd - de landbouwpolitiek op de voet, adviseerde het bestuur en sprak in 1955 het congres toe. Hij werd lid van de PvdA. Een boek over de historie van het Oldambt heeft hij niet kunnen voltooien. De in de jaren zestig oplevende arbeidersstrijd volgde hij vol belangstelling tot zijn dood in mei 1968.

Archief: 

Collectie Hilgenga in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens, 194).

Publicaties: 

Behalve de genoemde Het landbouwconflict in Oostelijk Groningen (Utrecht 1929); De landarbeiders en de alcohol (Utrecht z.j.); De ordening van de landbouw (Utrecht 1935); Stad en platteland (Utrecht 1937); Aan de orthodox-protestantse land-, tuin- en zuivelarbeiders (Utrecht 1937); Aan de agrarische arbeiders van Nederland (Utrecht 1941).

Literatuur: 

P. Hoekman, J. Houkes, O. Knottnerus (red.), Een eeuw socialisme en arbeidersbeweging in Groningen (1885-1985) (Groningen 1986) 164-183.

Portret: 

J. Hilgenga, 1940, particulier bezit

Handtekening: 

Huwelijksakte van Van Hilgenga/Kramer dd 12 mei 1911. Reg 1911, akte 9; akteplaats Finsterwolde. Als bruidegom.

Auteur: 
Otto S. Knottnerus
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 58-60
Laatst gewijzigd: 

00-00-1987