IVENS, George Henri Anton

George Henri Anton (Joris) Ivens

(roepnaam: Joris), communist en documentair filmmaker, is geboren te Nijmegen op 18 november 1898 en overleden te Parijs op 28 juni 1989. Hij was de zoon van Cornelis Adrianus Peter Ivens, koopman, en Dorothea Louise Jacqueline Antonetta Muskens. Van 1923 tot midden 1926 onderhield Ivens een relatie met de fotografe Luise Germaine Krull. Ondanks dat van een intieme verhouding geen sprake meer was, huwde Ivens haar op 2 april 1927. Een in 1937 begonnen procedure voor echtscheiding werd niet doorgezet. Het huwelijk werd ontbonden op 27 augustus 1943. In 1928 ging hij een relatie aan met Anna (Anneke) van der Feer. In 1931 vertrokken ze naar Moskou waar ze met enige onderbreking samenwoonden tot januari 1936. Na het verbreken van de intieme relatie bleef wel een vriendschappelijke band bestaan. In 1927 begon Ivens een relatie met Helena Victoria Rosa van Dongen. Tot 1936 was sprake van een driehoeksrelatie, waarbij Van Dongen en Van der Feer elkaar duldden en zelfs onderling correspondeerden. In het voorjaar van 1933 vestigden Ivens en Van Dongen zich in Parijs. In 1934 volgde zij Ivens naar Moskou, waar Ivens met Van der Feer samenwoonde. Van Dongen ging met Ivens naar de Verenigde Staten, waar ze enige tijd samenwoonden. Toen Ivens naar Spanje ging, was hun intieme relatie voorbij. In 1943 volgde een korte opleving en zij woonden enige tijd samen aan de Westkust. Op 1 januari 1944 traden zij in het huwelijk. Ivens verbrak de relatie echter definitief op 3 januari 1944. Hij liet Van Dongen daar geruime tijd van in het ongewisse. De datum van echtscheiding is niet bekend, maar Van Dongen hertrouwde in 1950. Op 3 januari 1944 begon Ivens een relatie met Marion Koblitz (bekend als Marion Michelle). In maart 1945 liet Ivens Michelle naar Australië komen en ging een vrij huwelijk met haar aan. In januari 1947 vertrokken ze naar Europa. Ivens verbrak de relatie met Michelle pas drie maanden na zijn volgende huwelijk. Op 25 januari 1951 ging Ivens een relatie aan met Maria Fiszer (pseudoniem Ewa), met wie hij op 21 oktober 1951 in Warschau huwde. Hun relatie duurde tot 1964. Het huwelijk werd in 1967 ontbonden. In het voorjaar van 1963 ging Ivens een relatie aan met Marceline Rozenberg (bekend als Marceline Loridan). Aan hun huwelijk op 15 januari 1977 ging een vrij huwelijk vooraf vanaf eind 1964. Alle huwelijken en relaties bleven kinderloos.

Met apparatuur die hij had geleend uit de fotowinkel van zijn vader regisseerde Ivens op dertienjarige leeftijd zijn eerste film, 'De Wigwam', een western waarin het hele gezin meespeelde. Joris werd geacht zijn vader, eigenaar van de keten van CAPI-fotozaken, op te volgen. Met het oog daarop werd hij in 1919 naar de Hoogere Handelsschool te Rotterdam gestuurd. Daar werd hij actief in het studentenleven en leerde onder meer Arthur Müller-Lehning kennen. Na zijn studie trok hij naar de Technische Hogeschool te Berlijn-Charlottenburg, waar hij lessen in fotochemie volgde. Hij werkte in camerafabrieken te Dresden en Jena. Daar werd hij geconfronteerd met de gevolgen van de hyperinflatie en zag hij hoe de politie arbeidersprotesten uiteensloeg. In Berlijn trof hij Müller-Lehning weer. Het linkse milieu van bohémiens waarin zij verkeerden stimuleerde Ivens om over politiek na te denken. Na zijn terugkeer in Nederland in 1924 werd hij benoemd tot adjunct-directeur van CAPI en hoofd van het Amsterdamse filiaal van de firma. In de hoofdstad genoot hij met volle teugen van wat het culturele en politieke leven ter linkerzijde hem te bieden had. In mei 1927 stelde hij projectieapparatuur van CAPI beschikbaar aan een groep kunstenaars en intellectuelen die in de sociëteit De Kring de verboden Russische film 'De Moeder' vertoonde. Het succes van deze besloten voorstelling leidde tot de oprichting van de Filmliga, een vereniging die zich de vertoning van avant-gardefilms en kwaliteitsprodukties ten doel stelde. Door buitenlandse cineasten uit te nodigen in haar orgaan Filmliga serieuze filmkritiek te bedrijven en jonge talentvolle filmmakers aan te moedigen, stimuleerde de Filmliga de Nederlandse filmcultuur. Met zijn eerste film ontpopte Ivens, die als technisch adviseur in het verenigingsbestuur had plaatsgenomen, zich in 1928 als hét talent van de Filmliga. 'De Brug', een bewegingsstudie van de hefbrug over de Rotterdamse Koningshaven, die na zijn Liga-première een heus bioscooproulement beleefde, evenals 'Regen' (1929), een lyrisch filmgedicht over Amsterdam tijdens een regenbui, bezorgden hem een internationale reputatie.

Via H. Pieck raakte Ivens actief betrokken bij de activiteiten van de communistische Vereeniging voor Volks Cultuur (VVVC). In de winter van 1929 maakte hij in gezelschap van deze schilder een filmreportage van het bezoek van L. de Visser, Kamerlid voor de Communistische Partij in Nederland (CPN), aan de Drentse veenstreek. De film, die bekend werd onder de titel 'Arm Drenthe', draaide behalve op VVVC-voorstellingen ook in het voorprogramma van de Amsterdamse Cinema Royal, terwijl Piecks tekeningen in het geïllustreerde weekblad Het Leven werden gepubliceerd. Hierna begon Ivens aan een grote opdracht van de Algemeene Nederlandsche Bouwarbeidersbond. Als centrale thema voor 'Wij Bouwen' koos hij de beroepstrots van de bouwvakkers. Vooral het heien en het werk aan de afsluiting van de Zuiderzee inspireerden hem. Nauwelijks was de film gereed of Ivens vertrok begin 1930 naar de Sovjet-Unie. Hier vertoonde hij zijn werk aan een arbeiderspubliek en viel hem fundamentele kritiek ten deel, zoals: waarom kwamen er geen mensen voor in 'De Brug'? Maar ook werd hem lof toegezwaaid: de manier waarop hij in het deel van 'Wij Bouwen' over de Zuiderzeewerken het zware werk van de arbeiders die de basaltstenen op hun plaats zetten in beeld had gebracht, was vanuit het gezichtspunt van een arbeider. Deze reis gaf Ivens' carrière een nieuwe wending. Na zij terugkeer nam hij weliswaar een opdracht van het Philips-concern aan voor het maken van een geluidsfilm, maar daarnaast zette hij zich actief in voor de VVVC. Hij monteerde bestaande journaalopnamen om en voorzag zo de beelden van een linkse lading. Deze 'VVVC-Journaals' werden in 1930-1931 met veel succes op bijeenkomsten van de vereniging vertoond. Daar draaide ook een door hem en zijn assistent M. Kolthoff gemaakte film over het CPN-dagblad De Tribune. Verder was hij een van de oprichters van de Vereeniging van Arbeidersfotografen. Ook het arbeiderstheater profiteerde van zijn adviezen. In 1932 ging een grote wens in vervulling en kon hij in de Sovjet-Unie een film over de bouw van hoogovens in Magnitogorsk opnemen, 'Heldenlied', waarvoor de Duitse componist H. Eisler de muziek schreef. Na zijn terugkeer stortte Ivens, intussen CPN-lid, zich opnieuw in allerlei linkse culturele activiteiten. Hij werd medewerker van Links Richten, het orgaan van het gelijknamige arbeidersschrijverscollectief, en redacteur van de opvolger, Links Front. Hij gaf les aan de net opgerichte Marxistische Arbeiders School en was direct betrokken bij de acties in en rond het Amsterdamse Rembrandt-theater, die ertoe leidden dat de Duitse oorlogsfilm 'Morgenrood' uit de roulatie werd genomen.

In de zomer van 1933 vroeg zijn Belgische collega H. Storck Ivens te assisteren bij de produktie van een film over de Borinage. In deze Belgische mijnstreek, waar Vincent van Gogh van 1878 tot 1880 als lekenprediker had gewerkt, had in 1932 een grote staking plaatsgevonden. Basis voor de film vormde een rapport van de communistische arts P. Hennebert over de ellende in de mijnwerkersgezinnen. De film betekende een 'draai van 180 ° in mijn carrière', aldus Ivens. Hij nam afscheid van de avantgardistische esthetiek van 'mooifilmerij'. Elk filmbeeld in 'Misère au Borinage' moest een aanklacht zijn. In deze film maakte hij bovendien gebruik van de onder documentaire cineasten omstreden methode van de 'reconstructie'. Zo werd de herdenking te Wasmes van de vijftigste sterfdag van Karl Marx een half jaar na dato door de betrokkenen speciaal voor de film nagespeeld. Rond diezelfde tijd monteerde Ivens in Parijs een nieuwe versie, 'Nieuwe Gronden' getiteld, van zijn film over de drooglegging van de Zuiderzee, dit keer met een door hem zelf gesproken commentaar en muziek van Eisler, waarin hij het 'dumpen' van mensen en grondstoffen onder het kapitalisme aan de kaak stelde. Omdat hij bang was als gevolg van de politieke boodschap in deze twee films geen werk meer te kunnen vinden in Nederland, vertrok hij in het voorjaar van 1934 naar de Sovjet-Unie. Daar stokte zijn carrière echter, en hij was blij dat hij begin 1936 voor een lezingencyclus naar de Verenigde Staten kon afreizen. Zijn komst betekende een stimulans voor linkse cineasten in dat land. In 1937 kon Ivens dankzij financiële steun van Amerikaanse kunstenaars en intellectuelen in Spanje de burgeroorlog filmen. E. Hemingway schreef en sprak het commentaar bij 'The Spanish Earth', die zelfs in het Witte Huis aan president F.D. Roosevelt werd vertoond. In 1938 reisde Ivens naar China om de oorlog tegen de Japanse invasietroepen te filmen ('The Four Hundred Million'). Met hulp van Zhou Enlai wist hij een van zijn filmcamera's naar het thuisland van het Rode Leger, Yan'an, te smokkelen. Dit bezoek was het begin van een opmerkelijke band met China, die tot zijn dood zou duren.

Voor Ivens begon de Tweede Wereldoorlog pas met de Duitse inval in de Sovjet-Unie op 22 juni 1941. Hij bood de Nederlandse autoriteiten zijn film 'Nieuwe Gronden' aan, die in een aangepaste versie (zonder de aanklacht tegen het kapitalistische systeem) als propaganda voor de Nederlandse zaak werd uitgebracht. Op een Canadese torpedojager filmde hij de gevaarlijke overtocht van scheepsconvooien over de Atlantische Oceaan ('Action Stations', 1943). In 1944 werd hij benaderd voor de post van Film Commissioner of the Dutch East Indies. Het was de bedoeling dat hij de bevrijding van Indonesië zou filmen en daar vervolgens een documentaire filmgroep zou opzetten. Toen hij de verzekering kreeg dat zijn politiek verleden geen probleem vormde, accepteerde hij de baan. Voor de Amerikaanse autoriteiten was zijn verleden echter wel suspect en zij kenden hem geen terugkeervisum toe, toen hij naar Australië wilde afreizen. In Brisbane, Melbourne en later Sydney ondervond hij tegenwerking van een daar reeds opererende film- en fotogroep van de Netherlands Indies Government Information Service. Het herstel van de koloniale macht in Indonesië na het uitroepen van de Republiek was voor Ivens de druppel die de emmer deed overlopen. Op 21 november 1945 kondigde hij op een persconferentie zijn ontslag aan. Voor de Australische Waterfront Workers Union maakte hij 'Indonesia Calling' (1946), een korte film over de havenstakingen waarmee de bond geprobeerd had het transport van Nederlandse troepen en materieel naar Indonesië lam te leggen. Beide daden kwamen hem duur te staan. Jarenlang werd hem het verlengen van zijn paspoort lastig gemaakt. Nog in 1963 probeerde de minister van Buitenlandse Zaken J. Luns de vertoning van 'Indonesia Calling' in de Bondsrepubliek Duitsland te verhinderen.

In 1947 keerde Ivens als een paria in Nederland terug. Plannen voor een internationale brigade van filmers die hij op zijn terugreis had zitten uitbroeden, probeerde hij te realiseren via de World Union of Documentary. Deze werd in 1948 te Mariánske Lázne opgericht maar ging als gevolg van de Koude Oorlog spoedig ter ziele. Het Joegoslavische deel van zijn vierluik over de jonge Oosteuropese Volksrepublieken moest hij als gevolg van de uitstoting van dat land uit de Cominform uit de film 'Pierwsze lata' (1949) verwijderen. Ondanks die ervaring vestigde hij zich in Oost-Europa, waar hij een ereplaats kreeg in het pantheon van communistische kunstenaars en een reeks van obligate films over massale jeugd-, vakbonds- en vredesmanifestaties mocht regisseren. Zijn reputatie als cineast leed hier nauwelijks onder, zelfs niet bij de 'burgerlijke' filmcritici. In de tweede helft van de jaren vijftig koos Ivens Parijs tot zijn permanente domicilie. Zijn observatie van de bewoners van de lichtstad in 'La Seine à rencontré Paris' (1957) werd door sommige critici verwelkomd als de terugkeer van de 'echte', poëtische Ivens. Het reizen bleef hem in het bloed zitten en tussen 1958 en 1965 maakte hij films in China, Italië, Mali, Cuba, Chili en Nederland. Grote bekendheid kreeg hij door zijn films over de oorlog in Vietnam. Net als veel andere kunstenaars en intellectuelen in Frankrijk radicaliseerde Ivens, die jarenlang in orthodox-communistische kringen had verkeerd, na de gebeurtenissen in mei 1968. Samen met zijn echtgenote Marceline Loridan greep hij begin jaren zeventig met beide handen de geboden kans aan om in het maoïstische China te filmen. Het zou een filmserie van maar liefst twaalf uur worden. Doel van 'Comment Yukong deplaça les montagnes' (1976) was de toeschouwers een kijkje te bieden in het dagelijks leven van gewone Chinezen, om zo het beeld dat met de Culturele Revolutie was ontstaan te nuanceren. Na de met veel publiciteit omgeven première van de filmserie in 1976 werd ze al snel achterhaald door de politieke gebeurtenissen in China, culminerend in het afzetten van de 'Bende van Vier'. Tien jaar later zouden Ivens en Loridan zich van deze films distantiëren. De jaren tachtig stonden voor Ivens voor een goed deel in het teken van het afrekenen met zijn eigen verleden. Zo publiceerde hij een tweede autobiografie, (met R. Destanque) Joris Ivens ou la mémoire d'un regard (Parijs 1982), waarin hij meer dan in zijn eerste, in 1969 in Oost-Berlijn verschenen memoires The Camera and I zijn rol als kunstenaar benadrukte. Vanaf de jaren zestig had J. de Vaal, directeur van het Nederlands Filmmuseum, geijverd voor het eerherstel van Ivens in Nederland. In 1965 had de cineast een film in de haven van Rotterdam gedraaid en er lag bij het ministerie van CRM een synopsis voor de verfilming van 'De Vliegende Hollander'. Met allerlei linkse politieke en culturele organisaties in Nederland onderhield hij nauwe contacten. Voor collega-cineasten (jong en oud) had hij altijd een bemoedigend woord. Ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag was in 1978 in Amsterdam een tentoonstelling over zijn carrière, vergezeld van een retrospectief van zijn films, te zien. Bij die gelegenheid reikte minister J. de Koning hem de Dick Scherpenzeel-prijs uit. Maar van een echte verzoening was pas in 1985 sprake, toen minister van Cultuur E. Brinkman naar Parijs reisde om de cineast een Gouden Kalf voor diens oeuvre te overhandigen en refererend aan de Indonesië-affaire de historische woorden sprak: 'De geschiedenis heeft aangetoond dat u meer gelijk had dan uw toenmalige opponenten'. Ter gelegenheid van zijn negentigste verjaardag werd Ivens in zijn geboorteplaats Nijmegen uitgebreid in het zonnetje gezet. Samen met Loridan wijdde hij, fysiek sterk verzwakt, zijn laatste levensjaren aan de produktie van 'Une histoire du vent' (1988), waarin een veel kritischer kijk op China werd gegeven. De Nederlandse première van de film werd bijgewoond door koningin Beatrix. Enige weken na het neerslaan van de studentenprotesten op het Plein van de Hemelse Vrede te Beijing, waartegen hij bij de Chinese autoriteiten nog heftig had geprotesteerd, kwam Ivens in Parijs te overlijden. Ivens speelde een hoofdrol in het vestigen van de internationale reputatie van de Nederlandse documentaire film. Zijn politieke overtuiging werd hem vaak niet in dank afgenomen, maar zijn meer dan zestig films en niet te vergeten zijn innemende persoonlijkheid inspireerden talloze jonge cineasten. Ook al bracht hij een groot deel van zijn leven buiten Nederland door, toch was hij er een niet weg te denken factor in het politieke en culturele leven ter linkerzijde in Nederland.

Archief: 

De films van Joris Ivens bevinden zich in het Nederlands Filmmuseum (Amsterdam); het papieren archief bevindt zich in de Europese Stichting Joris Ivens (Nijmegen) en in het Bundesarchiv/Filmarchiv (Berlijn).

Publicaties: 

Autobiografie van een filmer (Assen 1982); (met R. Destanque) Aan welke kant en in welk heelal. De geschiedenis van een leven (Amsterdam 1983); zie voor een overzicht van artikelen: Joris Ivens 50 jaar Wereldcineast (Amsterdam 1978).

Literatuur: 

R. Delmar, Joris Ivens: 50 Years of Film-making (Londen 1979); C. Devarrieux, Entretiens avec Joris Ivens (Parijs 1979); J.-L. Passek, J. Brisbois (red.), Joris Ivens. 50 Ans de cinéma (Parijs 1979); C. Böker, Joris Ivens, Filmmaker. Facing Reality (Ann Arbor 1981); C. Brunel (red.), Joris Ivens (Parijs 1983); B. Hogenkamp, H. Storck, De Borinage. De mijnwerkersstaking van 1932 en de film van Joris Ivens en Henri Storck (Amsterdam 1983); Joris Ivens and China (Beijing 1983); M. Korzec, H. Moll, 'De heiligverklaring van Joris Ivens' in: Intermediair, 4.10.1985; E. van 't Groenewout, 'De heiligverklaring van Joris Ivens' in: Intermediair, 27.12.1985; E. van 't Groenewout, 'Onthullingen uit een BVD-dossier: hoe Joris Ivens een regeringsopdracht èn zijn Nederlanderschap kwijt raakte' in: Vrij Nederland, 23.5.1987; A. Stufkens, J. de Vaal, T. de Vaal (red.), Rondom Joris Ivens, wereldcineast. Het begin, 1898-1934 (Nijmegen 1988); B. Reijnhoudt, The Difficult Road to the Restauration of the Films of Joris Ivens (Amsterdam 1994); H. Schoots, Gevaarlijk leven. Een biografie van Joris Ivens (Amsterdam 1995); J.P. Hokke, Beelden van Rotterdam. Een historische filmanalyse van Joris Ivens' Rotterdam Europoort (Rotterdam 1996); S. de Bleeckere, Une histoire de vent. Een filmsymfonie over de adem van de aarde (Kampen 1997); K. Bakker, Inventaris van het Joris Ivens Archief (Nijmegen 1998); A. Stufkens (red.), Passages. Joris Ivens en de kunst van deze eeuw (Nijmegen 1999); K. Bakker, Joris Ivens and the documentary context (Amsterdam 1999); website van de European Foundation Joris Ivens: www.ivens.nl.

Portret: 

George Henri Anton Ivens, IISG

Auteur: 
Bert Hogenkamp
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 97-101
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003