KATZ, Cornelia Frida

Cornelia Frida Katz

(roepnaam: Frida), sociaal advocate en christelijk-historisch pleitster voor vrouwenrechten, is geboren te Amsterdam op 29 juli 1885 en overleden te Aerdenhout op 30 maart 1963. Zij was de dochter van Samuel Katz, advocaat en procureur, en Catharina Maria Anna Charlotta Henrietta Geesink. Op 10 november 1937 trad zij in het huwelijk met Constantijn Willem Ferdinand baron Mackay, burgemeester. Dit huwelijk bleef kinderloos.

De vader van Katz was een in zijn tijd vermaarde, links-georiënteerde advocaat en procureur. Hij was medeoprichter van het Comité voor Algemeen Stemrecht in 1879 en bevriend met de schrijver Multatuli. Katz heeft haar vader, die van joodse origine was, zo goed als niet gekend daar hij reeds in 1890 overleed. Dientengevolge was het vooral de overtuigd-gelovige moeder - lid van de Waalse gemeente - die haar opvoeding sterk heeft bepaald. De moeder was zeer geporteerd voor invoering van het vrouwenkiesrecht en stimuleerde haar dochter tot de studie. De laatste had op haar beurt de invloed ondergaan van haar vader, Coenraad A.J. Geesink, die nauw betrokken was hij de opkomende arbeidersbeweging, mede-organisator was van stakingen onder scheepstimmerlieden en typografen en eerste stimulator van het blad De Werkman was. In dit milieu werd Frida Katz' rechtvaardigheidsgevoel sterk ontwikkeld. Na de lagere school bezocht zij het Barlaeusgymnasium in Amsterdam. Zij verbleef gedurende negen maanden in Londen en volgde daarna een korte cursus aan de Amsterdamse huishoudschool. Van 1903 tot 1909 studeerde zij rechten aan de Gemeentelijke Universiteit aldaar. Na afronding hiervan volgde zij colleges bij de psychiater Carl Jung in Zürich terwille van haar inzicht in het strafrecht, het gevangeniswezen en de zielzorg. Zij promoveerde in 1916 bij J.A. van Hamel in Amsterdam op het proefschrift Het onrechtmatig gebruik der electrische energie en de wettelijke maatregelen daartegen.

In 1917 trad Katz in dienst bij een advocatenkantoor. Vijf jaar later vestigde zij zich zelfstandig als advocaat en procureur in de hoofdstad (tot 1939). Gestimuleerd door haar opvoeding en geloof hield zij zich als een van de eersten bezig met de sociale kant van de advocatuur, waarbij zij zich toelegde op het strafrecht en het kinder- en familierecht. Zij was advocate van het Observatiehuis voor Jongens in Amsterdam en maakte deel uit van de Raad van Rechtsbijstand in Strafzaken, het Centraal College voor de Reclasseering (van 1930 tot 1937) en de Psychopatenraad. In 1919 werd zij als een van de eerste vrouwen benoemd in de Hooge Raad van Arbeid. Vanaf 1920 was zij als eerste vrouw als waarnemend griffier verbonden aan het Amsterdams Gerechtshof. Van 1924 tot 1928 was Katz bestuurslid van de Nederlandsche Advocaten Vereeniging en de Internationale Vereeniging van Vrouwelijke Advocaten. In het rapport dat zij in 1935 over het gevangeniswezen uitbracht, bepleitte zij verbetering van vrouwengevangenissen. Met de vrouwenbeweging was Katz tijdens haar studie in aanraking gekomen op het internationaal congres van de, in vergelijking met de Internationale Vrouwenraad, betrekkelijk radicale Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht, dat in 1908 in Amsterdam werd gehouden. Hier raakte zij overtuigd van het gelijk van organisaties die voor vrouwenkiesrecht streden. In 1909 werd zij bestuurslid van de afdeling Amsterdam van de Bond voor Vrouwenkiesrecht. In haar visie op vrouwenemancipatie hoorde Katz tot de 'tweede generatie van de eerste feministische golf'. Deze onderscheidde zich van de 'eerste generatie', waarvan Aletta Jacobs de belangrijkste exponent was. Deze eerste generatie zette er zich in het laatste kwart van de negentiende eeuw voor in dat ook vrouwen een universitaire opleiding konden volgen. Vrouwen die inderdaad tot de universiteit werden toegelaten, vermeden het aanstoot te geven. Daarom pasten zij zich in eerste instantie aan het mannelijk gedrag van hun medestudenten aan, kleedden zich onopvallend en gedroegen zich bewust 'onvrouwelijk'. Vrouwen uit de 'tweede generatie' als Katz zagen dit anders. Zij vonden dat vrouwen die buitenshuis actief waren, er zorg voor moesten dragen dat hun inbreng in het maatschappelijk en politiek gebeuren echt 'vrouwelijk' was en dat zij haar typisch vrouwelijke eigenschappen -of wat daarvoor, tijd- en maatschappijgebonden, doorging - niet verloochenden. Voor Katz, die vrouwen opriep zich zowel op politiek als maatschappelijk en kerkelijk terrein te ontwikkelen, speelde wel steeds de idee mee dat de natuurlijke taak van de vrouw was gelegen in het gezin. Want wat ligt, volgens haar, een vrouw, als 'hulpe der man', beter dan juist de materiële zorg voor het gezin? Daarom vond zij dat 'wie een taak thuis heeft, blijve thuis'. Maar de ongehuwde vrouw moest zeker een werkkring buitenshuis kunnen zoeken om de haar gegeven gaven te ontplooien.

Nadat zij in verband met een artikel over 'de vrouw en de politiek' in aanraking was gekomen met de predikant en politicus J.R. Slotemaker de Bruïne, maakte zij in 1919 - onder invloed van de Revolutiedagen van 1918 en het Tweede Christelijk Sociaal Congres in 1919 - een politieke keuze. Slotemaker de Bruïne overtuigde haar ervan dat zij thuishoorde in de Christelijk Historische Unie (CHU), een protestants-christelijke partij die ruimte liet voor een eigen overtuiging en ook het passief vrouwenkiesrecht aanvaardde. Bij de oprichting van de Nederlandsche Christen-Vrouwenbond in 1919 kwam Katz in het hoofdbestuur. In 1920 kwam zij in het hoofdbestuur van de CHU. Daarnaast was zij actief in de commissie voor de rechtstoestand van de vrouw van de Internationale Vrouwenraad (vanaf 1920), het hoofdbestuur van de Vereeniging voor Volkenbond en Vrede en de Interparlementaire Unie. In de politiek had zij vooral bemoeienis met onderwerpen op het terrein van moederschapszorg, volksgezondheid, huwelijkswetgeving en gevangeniswezen. In 1921 werd zij lid van de gemeenteraad van Amsterdam. Zij zou dit tot 1937 blijven en maakte onder meer deel uit van de commissie voor strafverordeningen. In 1922 werd zij als eerste vrouw van de CHU gekozen in de Tweede Kamer. Zij was lid van de vaste commissies voor privaat- en strafrecht en voor volksgezondheid en volkshuisvesting. In 1924 verzette zij zich als enige in de CHU tegen het verplicht ontslaan door de overheid van gehuwde ambtenaressen, daar zij dit een onjuist ingrijpen vond in de autonomie van het gezin. Dit leidde tot het verwijt dat zij het christelijk-historisch beginsel verlaten had. In 1930 zorgde zij opnieuw voor beroering in confessionele kring door op het punt van benoembaarheid van vrouwen tot burgemeester voet bij stuk te houden. Onder druk van de economische crisis schikte zij zich echter in de CHU-visie dat de gezagsstaat op basis van het traditionele en 'goede gezin' moest worden hersteld. In 1934 stemde Katz bij de herziening van de Ziektewet uit 1913 tegen het amendement waardoor het verschil tussen de uitkering van ziekengeld aan gehuwde en ongehuwde vrouwen in loondienst tijdens zwangerschap en bevalling zou vervallen en vóór het wetsontwerp voor ontslag van onderwijzeressen die trouwden. Deze opstelling bracht haar in moeilijkheden binnen de Nationale Vrouwenraad, waarvan zij van 1933 tot 1937 voorzitster was. In 1935 was zij medeoprichtster en eerste voorzitster van de Centrale van Christelijk-Historische Vrouwengroepen.

Na haar huwelijk met C.W.F. baron Mackay in 1937 besloot zij verschillende functies op te geven om zich meer aan huishoudelijke taken te kunnen wijden. Daar zij kort voor haar huwelijk opnieuw voor de Tweede Kamer herkozen was, besloot zij in overleg met haar echtgenoot de termijn van vier jaar vol te maken. Na afloop van deze termijn in 1941 bedankte zij mede onder aandrang van haar echtgenoot voor het Kamerlidmaatschap, waardoor zij in aanmerking kwam voor een pensioenuitkering. Hiermee ging zij in tegen het advies van de fractievoorzitters aan de Kamerleden om hun zetels niet op te geven. Katz achtte het echter grondwettelijk onjuist langer dan de vier voorgeschreven jaren te blijven zitten. Na de oorlog kon zij om deze reden niet terugkeren als lid van de Tweede Kamer en werd zij opgevolgd door jonkvrouwe C.W.I. Wttewaall van Stoetwegen.

Archief: 

Archief C. Frida Katz in Nationaal Rijksarchief Tweede Afdeling (Den Haag).

Publicaties: 

De Christelijk Historische Vrouwen' in: C. Pothuis-Smit (red.), Wat deden de vrouwen met haar kiesrecht (Arnhem 1919) 105-154; De rechtspositie der Nederlandsche vrouw. Rede (Rotterdam 1919); Moederschapszorg (Rotterdam 1920); 'De vrouw en de politiek' in: Stemmen des Tijds, mei 1921, 180-198; 'De vrouw in het politieke leven' in: A.H. van Hoogstraten-Schoch e.a. (red.), Christelijk vrouwenboek (Den Haag 1925) 291-298; 'Law and Politics' in: What Dutch university women do in Holland and the colonies (Londen 1926).

Literatuur: 

Utrechtsch Nieuwsblad, 5.4.1937; E.B.F.F. baron Wittert van Hoogland, De Parlementaire geschiedenis der sociale verzekering 1890-1940 II (Haarlem 1940); 'Frida Mackay-Katz 75 jaar' in: Algemeen Handelsblad, 26.7.1960; 'Dr. C.F. baronesse Mackay-Katz vrijdag vijfenzeventig jaar' in: Haarlems Dagblad, 27.7.1960; 'In memoriam Mr. Frida Katz' in: Vrouwenbelangen, april-mei 1963, 49; A.J. van Dulst (red.), Herinneringen aan de Unie waarin wij ons thuis voelden (Den Haag 1980); J.H. Kompagnie, 'Vergeten. Frida Katz, sieraad van de Tweede Kamer, mocht na de oorlog niet terugkeren' in: Vrij Nederland, 8.5.1982; J.H. Kompagnie, 'Inleiding' in: Inventarissen van de archieven van drie parlementaire persoonlijkheden ... C. Frida Katz (1885-1963)... (Den Haag 1983) 61-67; B.J.M. Asberg-Schermer in: BWN 2, 289-291; Chr. Eggens, 'En Frida Katz droeg een hoed met veren', (scriptie Zwolle 1987); P.J. Oud, Het jongste verleden. Parlementaire geschiedenis van Nederland (Assen 1968) Deel II, V en VI; H.van Spanning, De Christelijk Historische Unie (1908-1980). Enige hoofdlijnen uit haar geschiedenis (z.pl. 1988); W.B. Borrie, Monne de Miranda. Een biografie (Den Haag 1993); B. Waaldijk, Het Amerika der vrouw. Sekse en geschiedenis van maatschappelijk werk in Nederland en de Verenigde Staten (Groningen 1996); P. Hofland, Leden van de Raad. De Amsterdamse gemeenteraad 1814-1941 (Amsterdam 1998).

Portret: 

C.F. Katz, ca. 1920, uit: Inventarissen van de archieven van drie parlementaire persoonlijkheden (Nationaal Rijksarchief Tweede Afdeling). C. Frida Katz, 60

Auteur: 
Jan H. Kompagnie
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 92-95
Laatst gewijzigd: 

24-06-2002