LODEWIJK, Johan Jacob

Johan Jacob Lodewijk

pleitbezorger van het sociaal-anarchisme, is geboren te Amsterdam op 11 november 1871 en overleden te Baarn op 25 mei 1942. Hij was de zoon van Johann Anton Lodewijk, kantoorbediende, en Hendrika Wilhelmina Christina Richard. In 1899 ging hij een vrij huwelijk aan met Elisabeth Kalf, met wie hij twee dochters en een zoon kreeg. In 1918 werd deze verbintenis verbroken. Op 19 juli 1933 trad hij in het huwelijk met Kâthe Recha Pinner.
Pseudoniem: Jan van Amstel.

Lodewijk behoorde tot de vleugel van het anarchisme die aanvankelijk met communistisch-anarchisme en daarna met sociaal-anarchisme, revolutionair-socialisme en anarcho-syndicalisme is aangeduid. Evenals de andere anarchisten benadrukten de sociaal-anarchisten de noodzaak van persoonlijke vrijheid en maatschappelijke gelijkheid. Men meende ook, en daarin verschilde men van de individualistische anarchisten en de aanhangers van het groepenanarchisme, dat een socialistische samenleving alleen zou kunnen ontstaan als een revolutionaire vakorganisatie de produktiemiddelen zou overnemen en er een socialistisch zelfbestuur zou komen. De vakbeweging mocht echter niet aan een bepaalde partij gekoppeld zijn en moest in een federatie gebundeld worden. Het in 1893 gevormde Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS) werd geacht min of meer aan deze vereisten te voldoen.

Als secretaris van diverse organisaties en als publicist heeft Lodewijk zich vanaf ongeveer 1900 aan de beginselen van het sociaal-anarchisme gewijd. Hij was medeoprichter van de in 1905 ontstane Federatie van Vrijheidlievende Communisten en als secretaris van deze federatie speelde hij een belangrijke rol bij de voorbereidingen van het internationale anarchistencongres van 1907 te Amsterdam. Ook van het in 1911 gestichte Landelijk Comité van de Federatie van Sociaal-Anarchisten was hij secretaris. Eenzelfde functie vervulde hij in enkele lokale, Amsterdamse groeperingen, waaronder de NAS-bond van handels- en kantoorbedienden opgericht in december 1905, en in het Nationaal Comité van den Acht-Urigen Arbeidsdag. Van zijn publicistische activiteiten moeten worden genoemd het redacteurschap van De Vrije Communist, het orgaan van de Federatie van Vrijheidlievende Communisten, en het medewerkerschap van de van 1895 tot 1908 verschenen krant Het Volksdagblad en van De Gemeente-Arbeider, het orgaan van de Nederlandsche Federatieve Bond van Gemeente-Werklieden. Hij behoorde tot de oprichters van het tweede, nauw aan het NAS gelieerde, Volksdagblad, dat in 1914 verscheen en in 1915 omgedoopt werd tot Het Volksblad. Ook voor deze kranten schreef hij. Jarenlang maakte hij deel uit van de redactie van De Toekomst, het orgaan van de Landelijke Federatie van Revolutionaire Socialisten, in 1919 gewijzigd in Landelijke Federatie van Sociaal-Anarchisten in Nederland. Van het in 1904 verschenen Gedenkboek opgedragen aan F. Domela Nieuwenhuis voerde hij de redactie.

In het begin van de jaren twintig begon de organisatie van de sociaal-anarchisten af te brokkelen en werd De Toekomst opgeheven. De Sociaal-Anarchist werd het nieuwe orgaan van de Federatie van Sociaal-Anarchisten, maar de uitgave van dit blad werd na korte tijd gestaakt. Een aantal geestverwanten van Lodewijk was tot de slotsom gekomen dat de samenleving alleen kon worden veranderd als er een periode van dictatuur van het proletariaat zou intreden en de consequentie van die overtuiging was de beslissing zich bij de communisten aan te sluiten. Lodewijk deelde die mening niet en bleef anarchist. In 1916 was Het Volksblad opgegaan in De Tribune, die toen een dagblad werd en enige tijd enkele sociaal-anarchisten onder haar medewerkers telde. Ook Lodewijk leverde aanvankelijk bijdragen. Hij stopte ermee omdat hij zich in de kring van de Tribunisten niet thuisvoelde. Zijn sympathie lag meer bij hen die in 1923 uit het NAS traden en het Nederlandsch Syndicalistisch Vakverbond stichtten, welke organisatie zich aansloot bij de anarcho-syndicalistische Internationale Arbeiders-Associatie. De scheuring in het NAS was het gevolg van de beslissing van het NAS zich aan te sluiten bij de Rode Vakbewegings-Internationale, de vakbondssectie van de Komintern. Lodewijk zelf is bij deze gebeurtenissen niet opgetreden. Hij sukkelde met zijn gezondheid en was gedesillusioneerd over de maatschappelijke ontwikkeling. Enkele jaren later was hij betrokken bij het Sociaal-Anarchistisch Verbond, maar nadien schijnt hij zich niet meer daadwerkelijk met anarchistische en/of syndicalistische organisaties te hebben ingelaten. In de jaren dertig en de eerste oorlogsjaren heeft hij zich beijverd de slachtoffers van de nazi-terreur te helpen. Hoewel nog steeds principieel voorstander van het vrije huwelijk sloot hij in 1933 een wettelijk huwelijk. Hij deed dit om een Duits-joodse vluchtelinge de Nederlandse nationaliteit te bezorgen.

Literatuur: 

B. Reinalda, Bedienden georganiseerd (Nijmegen 1981) 128- 129; H.J. Scheffer, Het Volksdagblad (Den Haag 1981) 178 e.v., 196 e.v.

Portret: 

J.J. Lodewijk, circa 1930, particulier bezit

Auteur: 
H.J. Scheffer
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 85-87
Laatst gewijzigd: 

00-00-1987