ZUURBIER, Bertus

Bertus Zuurbier

straatcolporteur en Amsterdams gemeenteraadslid voor de Vrije Socialistische Groep, is geboren in Heerhugowaard op 22 mei 1880 en overleden te Amsterdam op 16 september 1962. Hij was de zoon van Cornelis Zuurbier, landman, en Aaltje Schouten. 

Zuurbier was het negende kind uit een katholiek gezin met dertien kinderen. Begin 1891 verhuisde het gezin naar Amsterdam, waar Zuurbier als ongeschoolde jongeling brak met het geloof en anarchist werd. Ferdinand Domela Nieuwenhuis was zijn voorbeeld en zaken als militarisme, alcohol, de kerk en de gematigde Sociaal-Democratische Arbeiderspartij werden zijn ‘doodsvijanden’. Vanaf 1902 was hij actief als vrije socialist. Nagenoeg zijn gehele leven zou hij in Amsterdam wonen, waar hij op straat als werkloze sjacheraar illegaal het blad De Vrije Socialist aan de man bracht, wat hem talloze bekeuringen opleverde. De eerste melding van dit colporteren stamt uit mei 1914, toen Domela sprak bij een bijeenkomst van vrije socialisten in het circustheater van Oscar Carré. Zuurbier moet een opvallende verschijning zijn geweest en een obstinate inborst hebben gehad. Wie op de markt een krant bij hem kocht, werd gefascineerd door zijn doordringende lichtgrijsblauwe ogen. Hij had een grote snor en een lang en mager postuur en pruimde steevast. Altijd kwam hij keurig voor de dag, in pak met een zwarte hoed en een strikdas. Zijn verzorgdheid stond in contrast met zijn woordkeus, die fel en vijandig was. Met een harde, snerpende stem schoot hij uit tegen mensen die het met hem oneens waren, sprak hij kwetsend over religie en politiek en schoffeerde hij ieder die een maatschappelijk vooraanstaande positie had. Hierdoor kwam hij regelmatig in conflict met het gezag, werd op straat door de politie achterna gezeten en kreeg enkele dagen celstraf opgelegd. Volgens zijn sociaaldemocratische stadgenoot, de journalist Hans van Straten, was hij onhandelbaar en ‘met volle overtuiging, ánti-sociaal’, maar tevens intelligent en betrouwbaar. Zuurbier stond bij vriend en vijand bekend als archetypische colporteur, die zijn ideeën niet uitdroeg tijdens vergaderingen of in kranten maar op straat, al vermaakte zijn publiek zich ook met zijn assertieve gedrag. Waarschijnlijk werd hij hierom later uitgenodigd op de gemeenteraadskandidatenlijst te komen. Mogelijk vond hij het leuk op negatieve wijze in de aandacht te staan, wat in lijn lag met hoe hij zich zou profileren als raadslid. Historicus Dennis Bos vermoedt dat Zuurbier, nadat hij in 1914 vals beschuldigd was van het verkopen van oude bladen, die reputatie bewust als handelsmerk aanhield. Zuurbier profileerde zich in vrijwel de hele historische binnenstad, van het Amstelveld, waar hij de meeste bewondering genoot en zijn bladen het liefst verkocht, tot de Spaarndammerbuurt, waar hij als vrijgezel lange tijd bij een van zijn zusters inwoonde.

Zuurbier zou in 1912 het colporteren hebben opgepakt in Düsseldorf, waar hij korte tijd vertoefde en over de grens werd teruggezet: ‘Zo bang waren ze voor me’. Ook buiten zijn krantenverkoop wist hij inkomsten te verkrijgen en met zijn socialistische ideeën deed hij meer dan deze alleen te verkondigen. Het vroegste bericht van actieve politieke inbreng stamt uit juli 1910, toen hij als flessenspoeler van het melkdistributiebedrijf Amsterdam een bezorgersstaking leidde. Aan het eind van dat jaar werd hij wegens dienstweigering veroordeeld tot een gevangenisstraf in het Huis van Bewaring aan de Amstelveenscheweg. Na de Eerste Wereldoorlog onderhield hij banden met anarchistische groepen als de Sociaal-Anarchistische Actie en een gezelschap van revolutionaire bootwerkers waarmee hij toen werkte. De bootwerkers gaven de aanzet tot de Vrije Socialistische Groep (VSG), waarvoor Zuurbier in 1921 in de Amsterdamse gemeenteraad plaatsnam. De VSG was een gelegenheidscoalitie van dadaïstische kunstenaars, orthodox-liberalen en anarchisten die het parlementarisme voor schut wilden zetten, met als initiatiefnemers de hoofdredacteur van De Vrije Socialist Gerhard Rijnders en de rebels-fascistische kunstenaar Erich Wichmann. Om zich uit te spreken tegen de recent opgelegde stem-opkomstplicht schoven ze de spiritus drinkende zwerver Cornelis de Gelder (‘Had-je-me-maar’), tevens een populair straatfiguur, naar voren als schertskandidaat voor de vervroegde gemeenteraadsverkiezingen. Zuurbier stond tweede op de lijst. De campagne, waarbij De Gelder dronken door de stad werd gereden en een absurd verkiezingsprogramma presenteerde met onder andere jajem en bier voor vijf cent en bomen als urinoirs, trok opvallend veel bekijks. De partij behaalde meer dan 14.000 stemmen wat twee raadszetels opleverde en tot verhitte ethische discussies in de Tweede Kamer en de landelijke pers leidde. In verschillende gemeenten richtten anarchisten spotpartijen tegen de stemdwang op, geïnspireerd door het succes van de VSG die inmiddels de geuzennaam Rapaille Partij genoot. Voor De Gelder zitting kon nemen in de raad, plukte de politie hem wegens openbare dronkenschap van de straat en nam hij op dubieuze wijze vrijwillig afstand van zijn zetel. Hierdoor was Zuurbier, die principieel niet-drinker was, de enige partijvertegenwoordiger in de raad: ‘Zo van de stroat in de road getrapt.’

Dat een plek in de gemeenteraad haaks stond op het ‘doelloze’ parlementarisme waartegen Zuurbier zich afzette, vond hij geen probleem omdat hij puur naar de vergaderingen zou gaan om er de gang van zaken te frustreren. In de praktijk leek het hem in eerste instantie uitsluitend om het presentiegeld te doen. Kranten berichtten hoe hij zijn hand ophield en verder zwijgend zijn tijd uitzat. De berichtgeving in alle kranten, inclusief De Vrije Socialist, was onophoudend cynisch: ‘Men belooft spot en protest en doet niets anders dan zelf de voordeelen opstrijken’. Getuige de raadsverslagen ontwikkelde Zuurbier zich tot een volksvertegenwoordiger die principieel nooit meestemde en inderdaad weinig het woord nam, maar wel van zich liet horen. Bijna twintig keer mengde hij zich in het debat, soms tegendraads, soms serieus, variërend van een opmerking tot een uitgebreid betoog. Hij kon balorig, koppig en obstructief gedrag vertonen maar nam de belangen van de proletarische Amsterdammers dermate serieus dat hij het eigen, kolderieke partijprogramma in de wind sloeg. Hij minachtte de chique spreektaal van zijn collega-raadsleden, benadrukte de nutteloosheid van het vertegenwoordigende debat, negeerde de wil van de voorzitter en bracht buiten de agenda om onsamenhangende proletarische pijnpunten ter tafel. Deels deed hij zo uit onervarenheid, deels omdat hij van meet af aan bij de voltallige raad tegen een ‘cordon sanitaire’ aanliep. Buiten de raad leek hij bij journalisten zijn luibakken imago aan te dikken, waarmee hij mogelijk zelf zijn politieke carrière dwarsboomde en hij zijn geschiedschrijvers zelfs op het verkeerde been wist te zetten. In 1922 deed Zuurbier met verscheidene Noord-Hollandse anti-stemdwang-anarchisten als Centraal Comité der Rapaille Partij, met als lijsttrekker Klaas Driehuis, vergeefs een gooi naar een plek in de Tweede Kamer. Het Comité haalde Den Haag niet, al kreeg Zuurbier 4438 stemmen.

In 1923 werd Zuurbier niet in de Amsterdamse gemeenteraad herkozen. Met zijn humor, ironie en hartstocht had hij de aandacht van de publieke tribune weten te trekken en al dan niet bewust had hij andere vrije socialisten hiermee geïnspireerd op soortgelijke wijze politiek te bedrijven. In 1923 betrad Leen Coremans als schertsfiguur de Rotterdamse gemeenteraad, waar hij de gemoederen bezighield door er net als Zuurbier zijn mond open te doen ten gunste van arbeiders en werklozen. Na zijn Amsterdamse raadstijd sloeg Zuurbier met enkele andere anarchisten de handen ineen om een landelijke anti-stemplicht-partij te vormen, al was deze plicht in veel gemeenten al in 1922 officieus afgeschaft. In 1927 kwam de Anti-Stemdwangpartij (ASP) tot stand, die elk vertegenwoordigend lichaam verwierp. Noch de deelname aan de verkiezingen voor de Provinciale Staten in 1927, noch die aan de Tweede Kamerverkiezingen van 1929 werd een succes. Niettemin vergaarde de ASP aanhang in Noord-Hollandse gemeenten, vooral in de Zaanstreek. In 1927 en 1931 bemachtigden George Oversteegen en Toon Seymour in respectievelijk Haarlem en Koog aan de Zaan twee keer een raadszetel. Ook zij hielden zich niet aan hun malle verkiezingsbeloften maar gingen in debat voor de belangen van minderbedeelden. Zuurbier was bij de partijpromotie in Haarlem aanwezig als anarchistisch boegbeeld, opnieuw van iets wat hij in praktijk zelf niet deed. Hij droeg een klein bedrag bij voor het in 1931 onthulde Domela-monument en bleef colporteren tot zijn vijfenzeventigste. Tiptop gekleed vervolgde hij wandelend zijn redes, maar nu meestal in zichzelf sprekend en hij kwam niet verder dan de Haarlemmerstraat- en de Martelaarsgrachtbuurt. Hij was toegankelijker geworden: wie hem gedag zei kreeg een vriendelijke begroeting terug. Pas op 82-jarige leeftijd werd hij opgenomen in het bejaardentehuis aan de Amstel, waar hij na enkele weken overleed.

Literatuur: 

Nederlandsch weekblad voor zuivelbereiding en veeteelt, 26.7.1910; De Toekomst, 10.12.1910; De Vrije Socialist, 29.6.1921; De Maasbode, 1.7.1921; Het Vaderland, 20.5.1922; M. Dekker, Amsterdam bij gaslicht (Amsterdam 1949); J.H. van den Hoek, ‘Zuurbier in de raad’ in: Amstelodamum, jrg. 50, januari 1963, 1-6; R. Daalder, ‘Onze kandidaat die is geen advokaat. George Oversteegen en de Anti-Stemdwangpartij in de Haarlemse raad (1927-1930)’ in: Haerlem jaarboek 1976, 287-296; F. van Burkom en H. Mulder, Erich Wichman 1890-1929. Tussen idealisme en rancune (Assen 1983); I. Cornelissen, Van Zwolle tot Brest-Litowsk. Onstuimige herinneringen (Amsterdam 1983); J.L. van der Pauw, Coremans de Rapaljaan. Opkomst en ondergang van L.G.A. Coremans en zijn Rapaille Partij (Rotterdam 1986); R. te Slaa, ‘Het raadsheertje George Oversteegen. Een politiek enfant terrible’ in: P. Pierik en M. Ros (red.), Tweede bulletin van de Tweede Wereldoorlog (Soesterberg 2000) 96-112; K. Vossen, Vrij vissen in het Vondelpark. Kleine politieke partijen in Nederland 1918-1940 (Amsterdam 2003); H. te Velde en P. Barth, ‘Debatcultuur in Nederlandse gemeenteraden’ in: H. Vollaard e.a. (red.), De Gemeenteraad. Ontstaan en ontwikkeling van de lokale democratie (Amsterdam 2018) 119-134; D. Bos, ‘De oude kranten van Bertus Zuurbier. Een “broodje aap” uit anarchistisch Amsterdam’ in: Onvoltooid Verleden, 19.2.2019, http://oud.onvoltooidverleden.nl/index.php?id=379; B. de Cort, ‘Het schynt dat gy u interesseert voor het anarchisme’. Anton Bakels 1898-1964 en zijn kringen (Hamilton 2020).

Portret: 

Centraal Bureau voor Genealogie: Collectie Veenhuizen (knipsel, 1922)

Auteur: 
Pieter Barth
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online (2020)