PANNEKOEK, Antonie

Antonie Pannekoek

(roepnaam: Anton), theoreticus van de linker-vleugel van de sociaal-democratie (tot 1914) en van de radencommunistische beweging (na 1921), is geboren te Vaassen (Gld) op 2 januari 1873 en overleden te Wageningen op 28 april 1960. Hij was de zoon van Johannes Pannekoek, boekhouder en later bedrijfsleider van een kleine ijzergieterij, en Wilhelmina Dorothea Beins, vroedvrouw, Op I5 juli 1903 trad hij in het huwelijk met Johanna Maria Nassau Noordewier, lerares Nederlands en piano, met wie hij een dochter en een zoon kreeg.
Pseudoniemen: P. Aartsz, J. Braak, J. Harper, K. Horner, L.V., Van Loo.

Pannekoek studeerde wis- en natuurkunde en astronomie aan de Rijksuniversiteit te Leiden (1891-1895) en was daarna verbonden aan de Sterrenwacht aldaar. In 1902 promoveerde hij op een sterrenkundig onderwerp. Als student was hij liberaal, maar omstreeks juli 1899 werd hij lid van de SDAP afdeling Leiden. Hij bestudeerde met Franc van der Goes Das Kapital van Karl Marx en werd beïnvloed door J. Dietzgen, Das Wesen der menschlichen Kopfarbeit (1869). Hij stond tegenover Troelstra inzake de tactiek bij het beëindigen van de tweede spoorwegstaking in 1903 en kreeg een groeiend contact met de Nieuwe Tijd-groep.

Actief in de afdeling Leiden, waarvan hij onder andere voorzitter was, werkte hij ook hard aan het bevorderen van de coöperatie en vakbeweging in Leiden. Pannekoek publiceerde eerst in Het Sociaal Weekblad en De Kroniek van P.L. Tak, sinds 1900-1901 ook in De Nieuwe Tijd. In Die Neue Zeit (redacteur Karl Kautsky), de Leipziger Volkszeitung (redacteur Franz Mehring) werden sinds 1903-1904 stukken van hem geplaatst. In Leiden was Pannekoek bovendien de plaatselijke correspondent van Het Volk en plaatselijk redacteur voor Leiden van het SDAP-streekblad De Wekker gedurende enkele maanden (1902-1903). Nadat hij bij de minister-president A. Kuyper was geroepen om berispt te worden vanwege deelneming aan de spoorwegstakingen op plaatselijk niveau, stopte hij met zijn vakbonds- en partijwerk.

In 1906 werd hij benoemd tot leraar aan de Duitse partijschool te Berlijn, maar moest dit onderwijs staken als gevolg van een verbod van de autoriteiten in september 1907. Een tijdlang werkte hij bij het Duitse partijarchief en gaf tenslotte een Zeitungskorrespondenz uit (1.2.1908 - 1.7.1914) met artikelen voor Duitse sociaal-democratische bladen, die hierop waren geabonneerd. Vanuit Berlijn en later Bremen werkte Pannekoek mee aan De Tribune - hij was in 1909 buiten-lid van de Sociaal-Democratische Partij (SDP) geworden - en aan The International Socialist Review (Chicago) sinds jaargang 1906-1907. Vanaf april 1910 werkte Pannekoek als 'vormings'leider in Bremen, waar hij cursussen en lezingen gaf en artikelen voor de Bremer Bürger-Zeitung schreef. Het eerste jaar werd hij door partij én vakbeweging te Bremen betaald, daarna alleen door de partijafdeling, omdat het linkse standpunt van Pannekoek bij de leiding van de vakbonden koel werd ontvangen. Hij maakte reizen door Zuid-Duitsland en Zwitserland om lezingen te houden voor afdelingen van de partij. Zelf was hij in zijn Duitse tijd lid van de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD) en woonde de partijcongressen te Essen (1907), Neurenberg (1908), Maagdenburg (als lid van de delegatie uit Bremen, 1910), Jena (1911), Chemnitz (1912) en Jena (1913) bij. Sinds 1910 stond Pannekoek steeds meer op een links standpunt en bestreed samen met Rosa Luxemburg het 'reformisme' in de SPD en de vakbeweging, met felle debatten over de algemene staking, de rol van de massa en de leiders. Met Karl Kautsky verflauwde toen de vriendschap en na 1913 zou Pannekoek niet meer in Die Neue Zeit publiceren. Uit de verte gaf hij ook raad aan zijn vrienden in Nederland en was behulpzaam bij het opstellen van een verdedigingschrift -samen met Herman Gorter - in opdracht van de SDP in het Duits Die Gründung der 'Sociaaldemokratische Partij in Nederland' (S.D.P.). Adresse an die Internationale (Berlin 1909). Pannekoek bezorgde ook de druk en fungeerde als uitgever.

In verband met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog keerde de familie Pannekoek terug naar Nederland. Pannekoek werd tijdelijk leraar bij het Middelbaar Onderwijs in Helmond, Hoorn en Bussum (1915-1919), lector te Amsterdam in 1919 en hoogleraar in de sterrenkunde aan de Gemeente-Universiteit te Amsterdam (1925-1946). Hij was gespecialiseerd in het Melkwegstelsel, de astrofysica en geschiedenis van de sterrenkunde. Na 1914 bleef Pannekoek ook sociaalpolitieke artikelen schrijven onder wisselende pseudoniemen vanwege zijn baan. Zo verschenen artikelen in De Nieuwe Tijd (tot 1921). Van dit blad was Pannekoek lid van de redactie in de jaren 1916-1921. Verder schreef hij in De Nieuwe Amsterdammer (de 'Mosgroene' van H.P.L. Wiessing) en zette hij zijn medewerking aan De Tribune voort. Bovendien wist hij zijn buitenlandse connecties aan te houden en publiceerde artikelen in Berner Tagwacht (redacteur R. Grimm), Lichtstrahlen (redacteur J. Borchardt) 1914-1915, Arbeiterpolitik (redacteur J. Knief, Bremen) 1916-1919. Uit sympathie voor de 'linkse' congresgangers in Zimmerwald was hij samen met Henriette Roland Holst redacteur (in naam) van Der Vorbote (1916, 2 nummers). Na 1918 werd hij lid van de Communistische Partij in Nederland (CPN), die de SDP voortzette en aangesloten was bij de Komintern. Samen met S.J. Rutgers werkte hij om het Westeuropees Bureau tot stand te brengen (1919), dat een internationale conferentie te Amsterdam organiseerde in februari 1920. Tot september 1921 bleef Pannekoek lid van de CPN. Een groeiend verschil van inzicht met de leiding van de CPN na het derde congres van de Komintern deed hem de partij verlaten, zonder dat hij van een andere lid werd. Evenals Gorter was hij zeer geïnteresseerd geraakt in de Duitse radenbeweging maar koos - in tegenstelling tot Gorter voor de 'richting-Berlijn'. Deze beweging wees parlementarisme, politieke partijen en vakbonden af. Dat waren zaken die onder invloed van het kapitalisme waren ontstaan. In de nieuwe maatschappij zouden arbeidersraden alles regelen. De bedrijfsraden hadden het beheer over de fabrieken. De arbeiders zelf moesten beslissen over produktie, afzet en het arbeidsproces. Daarvoor was een bewustmaking van de arbeiders zelf een eerste noodzaak. Pannekoek publiceerde artikelen in Kommunismus (Wenen), de Kommunistische Arbeiter-Zeitung (Bremen-Berlijn) en in Proletarier, het maandblad van de Kommunistische Arbeiter-Partei Deutschlands (KAPD). In Nederland had Pannekoek enige invloed en theoretische inbreng in het Persmateriaal van Internationale Communisten (PIC), vooral vanwege zijn vriendschap met H. Canne Meyer, lid van de Groepen van Internationale Communisten (GIC).

In 1938 verscheen Pannekoeks boek Lenin als Philosoph onder het pseudoniem J. Harper, dat ook in het Engels en Frans werd vertaald. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte hij aan zijn boek De Arbeidersraden, dat in 1946 onder het pseudoniem P. Aartsz in twee delen verscheen en in 1971 werd herdrukt. Hij schreef toen ook zijn Herinneringen, die postuum in 1982 verschenen. Pannekoek hield veel van wandelen ondanks een kleine handicap als gevolg van kinderverlamming in zijn jeugd. Hij genoot van bergwandelingen en kende bomen, planten en vlinders bij de Latijnse en Nederlandse namen. Ook was hij een groot liefhebber van muziek.

Archief: 

Archief A. Pannekoek in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens, 212-213). Enkele vroege dagboekjes met vooral sterrenkundige aantekeningen in het Sterrenkundig Instituut A. Pannekoek (Amsterdam). Een groot deel van het archief is tijdens de slag om Arnhem (1944) verbrand.

Publicaties: 

Bibliografie van sterrenkundige publikaties op het Sterrenkundig Instituut A. Pannekoek te Amsterdam. Van Pannekoeks andere publikaties is geen complete bibliografie aanwezig. Vele gegevens in de annotatie en bibliografie in: A. Pannekoek, Herinneringen (Amsterdam 1982) 364, 366, 369, 370, 373-377; zie ook: S. Bricianer, Anton Pannekoek et les conseils ouvriers (Paris 1969) in de noten (Engelse vertaling: St. Louis 1978); C. Brendel, Anton Pannekoek, theoreticus van het socialisme (Nijmegen 1970), 196-199; zie voor verhandelingen van Pannekoek F. Kool (red.) Die Linke gegen die Parteiherrschaft (Olten 1970).

Literatuur: 

Vergelijk onder Publikaties de Herinneringen (met bijdragen van B.A.Sijes en E.P.J. van den Heuvel) en de werken van S. Bricianer en C. Brendel; D. Groh, Negative Integration und revolutionärer Attentismus. Die deutsche Sozialdemokratie am Vorabend des Ersten Weltkrieges (Frankfurt/M 1974); J.C.H. Blom e.a. (red.), Een brandpunt van geleerdheid in de hoofdstad. De Universiteit van Amsterdam rond 1900 in vijftien portretten (Hilversum/Amsterdam 1992; S. Pierson, Marxist intellectuals and the working-class mentality in Germany (Londen 1993); H. de Liagre Böhl, Met al mijn bloed heb ik voor U geleefd. Herman Gorter 1864-1927 (Amsterdam 1996); G. Voerman, De meridiaan van Moskou. De CPN en de Communistische Internationale (1919-1930) (Amsterdam/Antwerpen 2001).

Portret: 

A. Pannekoek, met echtgenote, IISG

Auteur: 
Johanna M. Welcker
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 1 (1986), p. 90-93
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003