WIESSING, Henri Pierre Leonard

Henri Pierre Leonard Wiessing

(roepnaam: Henri), communistisch gezind journalist en uitgever van De Nieuwe Amsterdammer, is geboren te Vlissingen op 27 juni 1878 en overleden te Amsterdam op 16 maart 1961. Hij was de zoon van Marinus Jacob Wiessing, leraar, en Mathilda Fransisca Coleta van den Eeckhout. Op 11 augustus 1905 trad hij in het huwelijk met Wilhelmina Henriëtte Adrian, met wie hij twee dochters en drie zoons kreeg. Dit huwelijk werd op 3 september 1919 ontbonden, Op 25 november 1925 hertrouwde hij met Rozina de Sterke, met wie hij een zoon kreeg.
Pseudoniemen: Honoré de la B(aignoire), F.I.R. van den Eeckhout, R. van Flissingen, Pieter Lutius, Mr. J. Steen.

Van vaderskant stamde Wiessing af van katholieke timmerlieden op het Gelderse platteland. Zijn moeder was afkomstig uit een eveneens katholiek geslacht van grote boeren, oorspronkelijk woonachtig in de omgeving van Brussel. Wiessings vader was een overtuigd katholiek, maar stond tevens onder invloed van Multatuliaanse ideeën. Het onderwijzersbestaan in Nederland ervoer hij als te saai en daarom besloot hij met zijn gezin naar Nederlands-Indië te vertrekken. Zo belandde Wiessing tijdens zijn tweede levensjaar in Menado op Noord-Celebes, om naderhand te verhuizen naar Java en Madoera, Behoudens een kort oponthoud in Nederland verbleef hij tot zijn dertiende in Nederlands-Indië. In 1892 keerde het gezin voor een langere verlofperiode naar Nederland terug en vestigde zich te Den Bosch. Wiessing ging er naar het gymnasium en werd, samen met zijn oudste broer, in een kostgezin geplaatst toen de rest van het gezin naar Nederlands-Indië terugkeerde. Na zijn eindexamen keerde hij voor een zes maanden durende vakantie naar Nederlands-Indië terug, waar zijn aversie tegen het Nederlandse koloniale bestuur ontwaakte. In het late voorjaar van 1898 keerde hij naar Nederland terug en besloot rechten te gaan studeren in Amsterdam. Hij werd lid van het katholieke studentengenootschap Sanctus Thomas Aquinas en trad later toe tot het Studentencorps, waar hij eerst lid werd van het Vondel-dispuut en later van Clio, het wetenschappelijk dispuut. Hij ontmoette in deze Corpsdisputen studenten die discussieerden over het socialisme of zich reeds als socialist en SDAP-lid hadden bekend, zoals N.W. Posthumus, W.A. Bonger, H.P. Berlage en C.S. Adama van Scheltema, die zijn beste vriend werd. Daarnaast ontmoette hij talrijke beroemdheden uit de socialistische beweging in Amsterdam, zoals A. Soep, P. Wiedijk, J. Loopuit en S. de Wolff. Van groot belang was ook de ontmoeting met F. van der Goes tijdens een lezing voor het Socialistisch Leesgezelschap in 1898. Vage sociale ideeen uit zijn Bossche periode zette hij in Amsterdam om in een bewust socialistische levenshouding. Hij kocht het eerste deel van Das Kapital in de vertaling van Van der Goes, omhelsde Marx' historische conceptie van de klassenstrijd en bestudeerde het werk van de 'arbeidersfilosoof' J. Dietzgen. Toch bleef Wiessing zijn leven lang partijloos. Hij beschouwde zichzelf als een nonconformistisch marxist die zijn katholieke afkomst niet verloochende. Naast het ontluikend socialisme kwam tevens een journalistieke en kunstzinnige belangstelling naar voren, die zich uitte in artikelen over kunst in Propria Cures, het blad van het Corps. Zijn rechtenstudie rondde Wiessing op 10 juli 1902 af met het behalen van het doctoraal, waarna hij het plan opvatte een promotieonderzoek te verrichten over de zeehandel. Hier kwam evenwel niets van, en ook het voornemen om bij G.A. van Hamel te promoveren op het socialisme in de Franse roman werd een echec. Wél promoveerde Wiessing tenslotte op 7 juli 1904 op stellingen waaruit zijn socialistische interesses duidelijk naar voren kwamen. in Amsterdam werd Wiessing verliefd op Riek, de zuster van Adama van Scheltema. Deze liefde leek beantwoord te worden, tot de lesbische oriëntatie van de jonge vrouw de doorslag gaf. In uiterste verwarring vertrok Wiessing naar Parijs, waar hij van 1902 tot 1904 woonde en een karige boterham verdiende met het schrijven van stukjes voor diverse Nederlandse bladen. In 1904 keerde hij voor zijn promotie naar Amsterdam terug, waarbij introk bij zijn inmiddels uit Nederlands-Indië teruggekeerde ouders. De in Amsterdam en Parijs opgedane journalistieke capaciteiten deden hem solliciteren bij het Algemeen Handelsblad, dat hem per 1 januari 1905 benoemde tot Parijs correspondent. Terug in Parijs ontmoette hij F. Domela Nieuwenhuis, die daar een rede hield en kort daarna in Keulen werd gearresteerd als staatsgevaarlijk anarchist. Wiessing beijverde zich - op instigatie van Alexander Cohen, die hij eveneens in Parijs ontmoette - om Domela Nieuwenhuis vrij te krijgen. Hij ontketende een perscampagne via het Algemeen Handelsblad, die inderdaad het gewenste resultaat opleverde. Ondertussen had hij zich geheel bevrijd van de mislukte relatie met Riek Adama van Scheltema. In augustus 1905 trad hij in het huwelijk met Jet Adrian.

In de zomer van 1907 kondigde J. de Koo aan te vertrekken als hoofdredacteur van De Amsterdammer, beter bekend als 'De Groene'. Wiessing solliciteerde naar de vacante functie en werd op voorspraak van De Koo zelf op de post benoemd. Wiessing keerde daarop in 1907 naar Amsterdam terug en ontmoette in zijn nieuwe functie talrijke beroemdheden, zoals Frans Coenen, Carry van Bruggen, Albert Verwey, Louis Bouwmeester, Lodewijk van Deyssel, Jacob Israël de Haan en vele anderen. In De Amsterdammer schreef Wiessing scherpe toneelkritieken onder de naam F.I.R. van den Eeckhout of onder het spottende pseudoniem Honoré de la Baignoire (= van de parterreloge). Daarnaast schreef hij de politieke commentaren, waaruit steeds duidelijker zijn socialistische gezindheid naar voren trad. Bovendien stelde hij de kolommen van zijn blad open voor SDAP'ers als F.M. Wibaut en P.J. Troelstra. Ofschoon de socialistische toonzetting van het blad een opvallende toename van het aantal abonnees (van zes- naar ruim achtduizend in 1914) geenszins belemmerde, kwam de directie toch in actie. Ze eiste van Wiessing dat hij afzag van het schrijven van politieke commentaren. Die taak moest worden toevertrouwd aan een te benoemen tweede hoofdredacteur. Wiessing weigerde en kreeg in juni 1914 zijn ontslag. Prompt startte hij, met deels geleend kapitaal, een eigen weekblad: De Nieuwe Amsterdammer, in de wandeling 'De Mosgroene' geheten. L. Simons van uitgeverij De Wereldbibliotheek hielp hem het blad op te richten, waarvoor Wiessing 36 van de 38 medewerkers van de oude Groene wist aan te trekken. Het nieuwe weekblad etaleerde zich uiterst radicaal en stelde zijn kolommen open voor socialisten als D.J. Wijnkoop, H. Roland Holst, H. Gorter, A. Pannekoek, H. Sneevliet, Wiedijk en anderen. Na de Russische Oktoberrevolutie bekende Wiessing zich tot het communisme en had hij nog slechts verachting over voor de volgens hem bekrompen en achterhaalde sociaal-democratie. Hij promoveerde De Nieuwe Amsterdammer tot het officieuze orgaan van de in 1919 opgerichte Bond van Revolutionair-Socialistische Intellectueelen, die onder leiding stond van de christen-anarchist B. de Ligt en waarvan de communist D. de Lange penningmeester was. De keerzijde van dit radicale beleid was echter dat de adverteerders en, zij het in mindere mate, de abonnees wegliepen. Dit betekende de ondergang van het blad, waarvan het laatste nummer op 25 december 1920 verscheen. De ondergang van De Nieuwe Amsterdammer hield voor Wiessing het begin in van een uiterst moeizaam bestaan, waarin hij al scharrelend een inkomen moest zien te verwerven. Zo werkte hij enkele jaren voor De Telegraaf waarin hij schreef over architectuur. Hij vertaalde voorts verscheidene boeken en richtte een uitgeverijtje op, De Hooge Brug, dat werken over architectuur en het tijdschrift Wendingen uitgaf maar in 1924 failliet ging. Ook zijn tweede vrouw, Rosy de Sterke, die hij in de beginperiode van De Nieuwe Amsterdammer had leren kennen, trachtte met vertalingen bij te verdienen. Wiessing publiceerde tevens interviews met beroemde kunstenaars en schrijvers als Jan Toorop en Annie Salomons. Hij beleefde enkele jaren na de Russische revolutie nog een avontuurlijke episode door op verzoek van Sneevliet contact te zoeken met revolutionairen in Duitsland, Denemarken en andere landen. Hij bracht berichten naar hen over en nam artikelen voor de communistische pers mee terug naar Nederland. Toch was armoe troef en slaagde hij er niet in een reguliere baan als journalist te vinden, terwijl pogingen opnieuw een eigen blad op te richten stuitten op geldgebrek. Zo faalde in 1935 de oprichting van een blad dat De Kroniek zou gaan heten. Pas in 1939 lukte het Wiessing redacteur tourisme te worden van De Haagsche Post, dank zij zijn jeugdvriend B. Person, de hoofdredacteur van het weekblad.

Wiessings communistische sympathieën lieten onverlet dat zijn vriendenkring een brede waaier van politieke richtingen vertoonde. Zo was hij bevriend met E. Wichman, de antiparlementaire bohémien en Mussolini-adept. Ook ging Wiessing in l928 een geanimeerde briefwisseling aan met de fascistische priester W. Lutkie, toen deze hem bewonderend aanschreef over zijn boekje Jan Toorop (Blaricum 1925). Wiessing verkeerde verder met communisten, anarchisten, syndikalisten en katholieken, waarbij hij een rotsvaste communistische overtuiging combineerde met een opvallende tolerantie jegens andersdenkenden, behalve als ze volgens hem behoorden tot het socialistisch en communistisch 'renegatendom', dat hij uiterst fel bestreed. Met grote heftigheid verdedigde hij de nieuwe Sovjet-Republiek. In 1928 stichtte hij, samen met A.P. Prins, het Genootschap Nederland-Nieuw Rusland, waarvan hij de eerste voorzitter werd. Dit genootschap beijverde zich het culturele leven in de Sovjet-Unie te bestuderen, verscheidene vooraanstaande kunstenaars waren er lid van. Animositeiten in de persoonlijke sfeer leidden tot Wiessings aftreden als voorzitter in 1931. Na de machtsovername van Hitler stichtte Wiessing in zijn woonplaats Blaricum de Vereeniging voor Joodsche Vluchtelingen en werkte hij enige tijd voor de Spaanse Republikeinse regering. Enkele dagen voor de Duitse inval vertrok Wiessing naar Parijs om er voor De Haagsche Post toeristische mogelijkheden te bestuderen. De bezetting sneed de terugweg af en Wiessing slaagde er uiteindelijk in om per boot op 21 juni naar Engeland te ontsnappen. In Londen sloot hij onder meer vriendschap met de Engelse historicus G.D.H. Cole, met wie hij tevergeefs probeerde voedselzendingen verscheept te krijgen naar het hongerende Europa. Na de Duitse inval in de Sovjet-Unie werd Wiessing benoemd tot redactielid van het Londense weekblad Vrij Nederland, in welke functie hij leden van de Nederlandse regering in ballingschap en de top van het Nederlandse bedrijfsleven ontmoette. Samen met J. Gans en H.A. Gomperts schreef hij een vlammend stuk tegen uitgelekte plannen van de regering-Gerbrandy om na de bevrijding een autoritair regiem zonder parlement in te voeren. Dit stuk, 'Beginselverklaring van het Comité tegen het neofascisme met een daarbij behorende Resolutie' en mede ondertekend door onder meer L. de Jong en A. den Doolaard, leidde tot het ontslag van Wiessing bij Vrij Nederland. Op 7 augustus 1945 keerde hij naar Nederland terug, waar hij voor het eerst sinds het uitbreken van de oorlog zijn vrouw terugzag. Kort na de bevrijding vertaalde hij The great conspiracy against Russia van M. Sayers en A.E. Kahn, dat de Sovjet-Unie op de meest rigoureuze wijze verdedigde en de Moskouse processen van de jaren dertig rechtvaardigde. Midden jaren vijftig publiceerde Wiessing nog een studie over de beeldhouwer John Raedecker, een van zijn beste vrienden. Begin 1946 trad Wiessing toe tot de redactie van het weekblad De Vrije Katheder, dat in de oorlog als verzetsblad was opgericht en een samenwerkingsverband wilde zijn van communisten en niet-communistische intellectuelen en kunstenaars. Wiessings vrouw fungeerde als redactiesecretaresse. Wiessing publiceerde talrijke artikelen over uiteenlopende zaken in het blad. Hij schreef onder meer over kunst onder het pseudoniem F.I.R. van den Eeckhout, polemiseerde met J.J. Buskes over communistische ethiek en het dialectisch materialisme en ageerde tegen de koloniale oorlog in Nederlands-Indië. In mei 1950 werd het blad opgeheven als gevolg van interne meningsverschillen, die vooral samenhingen met de aversie van de CPN tegen kritische beschouwingen in het blad over Stalin en de Sovjet-Unie. De heroprichting van het blad vanuit de CPN mislukte omdat Wiessing, tegen de zin van de partij, vrije discussie als voorwaarde stelde. Na de opheffing van De Vrije Katheder publiceerde Wiessing nog talrijke artikelen in De Waarheid. Daarnaast schreef hij artikelen voor De Nieuwe Linie en voor Propria Cures en richtte hij nog tijdens het bestaan van De Vrije Katheder een eigen blad op: De Nieuwe Kroniek. Veertiendaagse Nieuwsbrief van Mr H.P.L. Wiessing, waarvan het eerste nummer op 10 juni 1949 verscheen. Zoals ooit P.L. Taks De Kroniek een venster op het socialisme wilde openen, zo beoogde het nieuwe blad een venster te openen op het communisme. Inderdaad behelsde het blad weinig anders dan een lange lofrede op de Sovjet-Unie en het bezweek al na vier nummers aan nijpend geldgebrek. Wiessing vertaalde nog enkele boeken en werd meerdere malen bij jubilea verrast met geldbedragen die vrienden voor hem hadden ingezameld. Hij was in de naoorlogse periode onder meer bevriend met de communist S.J. Rutgers, met wie hij de toestand in de CPN besprak, met Roland Holst en met Soep. Met Sam de Wolff onderhield hij een vinnige briefwisseling over de persoon van Stalin en het door Wiessing heftig ontkende antisemitisme in de Sovjet-Unie. In 1955 bezocht hij voor het eerst van zijn leven de Sovjet-Unie, waar zowel een zoon als een dochter uit zijn eerste huwelijk woonden. In het blad Roeping deed hij juichend verslag van zijn ervaringen. Wiessing verdedigde ook het onderdrukken van de Hongaarse opstand door Sovjet-troepen in 1956, wat leidde tot zijn verwijdering uit de Nederlandse PEN-club. Wel bleek hij geschokt over de geheime rede van Chroesjtsjov waarin de stalinistische terreur werd geopenbaard. In een brief aan J.A.N. Knuttel sprak hij van het opofferen van duizenden 'op de gemeenste of immoreelste wijze'. Na de opheffing van De Vrije Katheder begon Wiessing aan het schrijven van zijn memoires, die in 1960 verschenen, mede dank zij een subsidie van het Prins Bernhard Fonds. in het boek beleed Wiessing zijn ongebroken liefde voor de Sovjet-Unie en verketterde hij iedereen die twijfelde aan de nieuwe samenleving die daar geboren werd. Daarnaast toonde hij zich in de fraaie beschrijvingen van vele beroemdheden die hij in zijn lange leven ontmoet had een non-conformistisch chroniqueur van het politieke en culturele leven van zijn tijd. Bovendien verhaalde hij openhartig van zijn twee huwelijken en van verscheidene romances, waaronder zijn verhouding met Suzanne van Thijn, die tijdens de Tweede Wereldoorlog op een avontuurlijke wijze Wiessing achterna reisde naar Londen. De autobiografie riep zowel bewonderende als sterk afwijzende reacties op. Een jaar na de publikatie overleed Wiessing ten gevolge van een auto-ongeluk.

Archief: 

Archief H.P.L. Wiessing in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 357); Collectie H.P.L. Wiessing in Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Den Haag).

Publicaties: 

Artikelen in Propria Cures, De Amsterdammer, De Nieuwe Amsterdammer, De Telegraaf, De Haagsche Post, Groot Nederland, Vrij Nederland (Londen), De Nieuwe Kroniek, De Vrije Kalheder, De Groene Amsterdammer, Algemeen Handelsblad en De Waarheid; bovendien (behalve de genoemde): Het ontstaan van de 'Nieuwe Groene' (Amsterdam 1914); John Raedecker (Amsterdam z.j.); (als F.I.R. van den Eeckhout) Annie Salomons (Blaricum z.j.); 'Henriëtte Roland Holst. "Soms was zij de heiligste der sterken" in: De Groene Amsterdammer, 29.11.1952; 'Persoonlijke herinneringen aan Piet Wiedijk' in: De Nieuwe Stem, 1952, 270-280; 'Een koffiemaaltijd bij Coenen' in: De Gids, 1954, 1,22-49; 'Gymnasiumjaren in 's-Hertogenbosch' in: De Gids, 1954, II, 342-357; Bewegend Portret. Levensherinneringen (Amsterdam 1960); 'Wij logeerden in Moskou' in: Roeping, 1960-1961, 559-569, 628-639, 708-720.

Literatuur: 

S. van Thijn, Mijn Spaanse Grootmoeder (Amsterdam z.j.); H.E. van Gelder, 'Brief aan de jarige' in: De Groene Amsterdammer, 28.6.1958; N.C. Clegg Bruinwold Riedel, 'Tachtig jaar jong' in: De Groene Amsterdammer, 28.6.1958; E.M. Janssen Perio, 'Wereldje van Wiessing' in: Cartons voor Letterkunde, 1960, 13-19; H. van Straten, 'Pakkende herinneringen van 82-jarige Mr. Wiessing' in: Het Vrije Volk, 16.7.1960; E. de Roos, 'Verstard Frondeur' in: Het Parool, 16.7.1960; P., 'Omstreden figuur' in: Leeuwarder Courant, 6.8.1960; J. Greshoff, 'Mr. H.P.L. Wiessing tekent een "Bewegend Portret" in: Het Vaderland, 6.8.1960; B. Stroman, 'Bewegend Portret, Levensherinneringen. Het geestelijk hoenderhok van Mr. H.P.L. Wiessing. Eenzelvig revolutionair met aristocratische eigenzinnigheid' in: Algemeen Handelsblad, 6.8.1960; 'Prins Bernhard Fonds' in: Nieuwe Haagse Courant, 10.8.1960; F.S., 'Politiek en literair charmeur schrijft Levens-herinneringen' in: Friese Koerier, 13.8.1960; J.W. Hofstra, 'Memoires van H.P.L. Wiessing. Chronique scandaleuse' in: De Tijd, 13.8.1960; R. Bulthuis, 'H. Wiessing: Bewegend Portret. Belangrijk document van een eenzame' in: Haagsche Courant, 6.8.1960; B. Vuyk, 'Henri Wiessings zelfportret van een gespleten ziel. Marx werd zijn nieuwe Paus' in: Vrij Nederland, 27.8.1960; H.J., 'Memoires van een met zichzelf ingenomene. "Bewegend Portret" van H.P.L. Wiessing' in: Eindhovens Dagblad, 3.9.1960; W.L.M.E. van Leeuwen, 'Levensherinneringen van Apie Prins en Mr. H.P.L. Wiessing. Beiden gingen "eigen baan" in: Tubantia, 10.9.1960; W.L.M.E. van Leeuwen, 'H.P.L. Wiessing's bewogen "Twee en tachtig jarig leven" in: Elsevier, 23.9.1960; G. Stuiveling, 'Tijgergenoegens' in: Haags Dagblad, 24.9.1960; G. Smit, "Bewegend Portret", Kroniek van een bewogen tijd' in: de Volkskrant, 15.10.1960; 'Wiessing, gelovig communist en memoiresschrijver. Bewegend portret' in: Het Binnenhof 15.10.1960; 'Memoires van communist Wiessing. "Bewegend Portret" geeft waardevolle herinnering' in: Brabants Dagblad, 24.10.1960; E. van Raalte, 'Bewegend portret van een ruim tachtigjarige' in: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 10.12.1960; P.E. Eldering, A. Romein-Verschoor, 'Memoires schrijven met een slecht geheugen' in: De Nieuwe Stem, 1961, 358-369; K. van het Reve, 'De levensherinneringen van Henri Wiessing' in: Socialisme en democratie, 1961, 889-892; T. Haan, 'Statisch Portret' in: De Nieuwe Stem, 1961, 370-376; 'Mr. H.P.L. Wiessing overleden. Bewegend Portret voorgoed verstild' in: Het Vrije Volk, 17.3.1961; K. Fens, 'De eenzaamheid van een te consequent Idealisme' in: De Tijd, 17.3.1961; 'Mr. H.P.L. Wiessing overleden' in: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 18.3.1961; 'Journalist Mr. H.P.L. Wiessing te Amsterdam overleden' in: Het Binnenhof 18.3.1961; 'Mr. H.P.L. Wiessing overleden. Schrijver van "Bewegend Portret" in: Het Vaderland, 18.3.1961; J.J. Buskes, 'Het Bewegend Portret van Henri Wiessing' in: De Groene Amsterdammer, 25.3.1961; 'Dood van een markies. Mr. H.P.L. Wiessing: buitenstaander' in: De Haagse Post, 25.3.1961; M.S., 'Mr. Henri Wiessing. De levenskunstenaar, die een groot schrijver en een naïef mens was' in: De Linie, 25.3.1961; B. Dony, 'Bij het overlijden van H.P.L. Wiessing. Een man van karakter' in: Vrij Nederland, 25.3.1961; 'Mr. H.P.L. Wiessing' in: De Groene Amsterdammer, 25.3.1961; 'Journalist Mr. H.P.L. Wiessing overleden' in: Het Parool, 27.3.1961; J. Joppe, 'Openhartige levensherinneringen als democratisch document. Mémoires van H.P.L. Wiessing in "Bewegend Portret" in: Rotterdamsch Nieuwsblad, 20.5.1961; B.W. Schaper, 'Onrustige levens' in: De Gids, 1962, 232-245; C.T., 'Levensherinneringen van een communist' in: Trouw, 2.2.1962; A. Romein-Verschoor, Omzien in verwondering (Amsterdam 1970-1971), I, 160-163, II, 110-113; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog IX (Den Haag 1979) 1449-1453; F. van den Burg, De Vrije Katheder (Amsterdam 1983); J.L.M. Brauer, 'WIESSING, Henri Pierre Leonard' in: BWN III, 658-659; H. Renders, 'Een sierlijke strijdbare courantier' in: NRC Handelsblad, 20.7.1989.

Portret: 

H.P.L. Wiessing (foto Edith Visser), IISG

Auteur: 
Henny Buiting
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 241-247
Laatst gewijzigd: 

00-00-1995