HARTMAN, Evert Hendrik

Evert Hendrik Hartman

maatschappijhervormer, oprichter van de Maatschappij tot Verbetering van den Werkenden Stand, is geboren te Amsterdam op 30 april 1811 en aldaar overleden op 12 maart 1873. Hij was de zoon van Johan Evert Hartman, schoenmakersknecht, en Petronella Christina van Santen. Op 9 november 1831 trad hij in het huwelijk met Hilletje Moerman, met wie hij een dochter en een zoon kreeg.
Pseudoniemen: De Ambachtsman E.H.H.; Een eenvoudig handwerksman.

Hartman was al jong wees. Op zesjarige leeftijd werd hij opgenomen in het weeshuis van de Hersteld Evangelisch Lutherse Kerk in Amsterdam, waar hij tot zijn huwelijk zou wonen. Hij kreeg er een opleiding tot loodgieter. Over zijn jonge jaren is alleen bekend wat hij er zelf over schreef: dat hij veel ziek was en daarom veel tijd had om te lezen. Maatschappelijke zaken gingen hem in 1835 bezighouden, toen in Amsterdam en elders kleine middenstanders tegen de veranderde personele belasting in verzet kwamen. Bij huren onder tachtig gulden per jaar moesten niet de huurders, maar de huiseigenaren deze belasting opbrengen. Volgens eigen zeggen probeerde Hartman vanaf 1835 het lot van de arbeidende stand door vereniging te verbeteren. In de roerige jaren na 1840 was hij eerst 'tot de dwaalbegrippen van een verkeerd toegepast communisme en socialisme vervallen' maar had zich later 'door meer zuivere begrippen der Staathuishoudkunde ... laten leiden'. Hartman las vanaf de jaren vijftig De Economist en kende onder meer de geschriften van C.F. Bastiat. Hoe hij met de 'dwaalbegrippen' in aanraking kwam is niet duidelijk, wellicht via de Duitse handwerksgezellen die hij in zijn kerk kan hebben leren kennen. Bovendien verschenen er verscheidene, meestal waarschuwende oppositionele blaadjes, die te lezen waren in plaatsen van samenkomst bijvoorbeeld in de Stilsteeg en in het Witte Kruis in de Beerenstraat. Hoewel zijn naam in de gepubliceerde ledenljsten ontbreekt, heeft Hartman wellicht contacten gehad met de Vereeniging tot Zedelijke Beschaving van de Arbeidende Klasse, die zich, opgericht in februari 1847, met de zinspreuk 'Alle menschen zijn broeders' oriënteerde op de Duitse, in Londen gevestigde Communistischer Arbeiter-Bildungs-Verein. In de kringen van de Vereeniging las men bladen als De Hydra en Der Volkstribun van W. Weitling. Ook volgens Hartman moesten ontwikkeling en beschaving de kenmerken zijn van de vooruitgang van de arbeidende stand. Iedereen moest dat wat hij van de algemene rijkdom op aarde nam weer in de een of andere vorm teruggeven. Armoede was, aldus Hartman, een ziekte van de maatschappij. Met J.R. Thorbecke deelde Hartman de mening dat iedereen als staatsburger gelijk was, maar in de praktijk maakte hij onderscheid tussen de patroons en de handwerkslieden, welke laatsten hij ook weer verdeelde in gepatenteerde werkbazen en ongepatenteerde knechts. Het patent vond Hartman een belasting, niet een bewijs van bekwaamheid. Hartman werkte mee aan de volksbeschaving en 'veredeling' door het schrijven van boeken. Zo schreef hij in twee delen Een boek voor ambachtslieden in het algemeen en voor loodgieters en loodbewerkers in het bijzonder (Amsterdam 1850), dat gesteld was in dialogen tussen een meester en een leergierige leerling en dat hij opdroeg aan de regenten van het weeshuis waarin hij was opgegroeid. Eind van de jaren vijftig verschenen in de serie Volksbibliotheek de deeltjes Keuze van een beroep, Algemeene beschouwingen over de bouwkunde, Fonderingswerken, Timmeren, Schilderen en behangen en Over metalen dakbedekkingen.

Op 11 januari 1854 richtte Hartman met 27 kleine werkbazen de Maatschappij tot Verbetering van den Werkenden Stand op, die aan het eind van dat jaar ongeveer tweehonderd leden telde. Op dezelfde dag werd het Hulp- of Weldadigheidsfonds voor bij hun werk gekwetste werklieden opgericht, dat bedoeld was voor de knechts van de leden. Alleen gepatenteerde werklieden konden lid zijn, geen arbeiders. Het streven was zich uit te breiden over heel Nederland. Er waren contacten met de vereniging Handwerksbloei in Arnhem en er zijn ook sporen van belangstelling in Den Haag en Rotterdam. In de Militiezaal in Amsterdam werd een grote vergadering gehouden. Hartman hield er een rede die ook gedrukt verscheen: Verslag van de oprigting en voortgang der Maatschappij tot verbetering van den werkenden stand te Amsterdam, tevens een woord van opwekking tot deelneming aan alle werkbazen en fabrikanten (Amsterdam 1854). De meeste leden van de Maatschappij behoorden tot de bouwvakken, maar er waren er ook uit andere branches: een goudsmid, enkele smeden, drukkers, uitgevers en boekhandelaren als F.C. Günst en D. Allart. Naast de gewone leden waren er buitengewone leden met een adviserende stem, zoals de hoogleraar jonkheer J. de Bosch Kemper en de letterkundige M.S. Polak. in maart 1854 werd de architect I. Warnsinck, wethouder van openbare werken van Amsterdam, gevraagd als erelid en beschermheer, met wie Hartman misschien beroepshalve contact had. De Maatschappij speelde duidelijk in op bepaalde problemen van het bouwvak. Zo voerde men, naar het voorbeeld van het Arnhemse Handwerksbloei, werkboekjes (zogenaamde livretten) in om te verhinderen dat de werklieden bij slapte in de winter zouden gaan beunhazen en zo hun werkbazen beconcurreren. In 1855 richtte Hartman een knechtenvereniging op die de zinspreuk 'Door eendracht en volharding komt men tot het doel' droeg. Dit bracht verdeeldheid. De werkbazen vonden de knechts nog niet rijp genoeg, en het bestuur bestond dan ook uit vijf werkbazen en vijf knechts. Verdeeldheid bracht ook de inrichting door de Maatschappij van een ambachtsschool. Leerden de knechts vroeger het vak bij een baas, sinds er in het bouwvak aangenomen werk bestond was er geen tijd meer voor een serieuze opleiding. De lessen in de ambachtsschool zouden voor knechts kosteloos zijn, zonen van gepatenteerde werkbazen moesten betalen. Van de kant van de werkbazen vreesde men voor oneerlijke concurrentie en voor loonverschillen tussen goed en minder goed opgeleide vaklieden. Hartman ontwikkelde een plan om zowel de werkloosheid in de winter te bestrijden als de ambachtsschool te financieren: de knechts gingen in de wintermaanden de straten van Amsterdam schoonhouden. Dit werd zo'n groot succes dat de straatreiniging al spoedig werd losgekoppeld van de Maatschappij. Een ander plan van Hartman, voor een permanente tentoonstelling van eigen produkten van de leden van de Maatschappij, ging niet door omdat met daarmee in het vaarwater kwam van de Vereeniging voor Volksvlijt, die dat plan al eerder had. Wel succesvol was een vergadering waarop men overeenstemming bereikte over een werktijdenregeling. Om de deelnemers aan vergaderingen, de medewerkers van de straatreiniging en de leerlingen van de arnbachtsschool ver te houden van sterke drank pleitte Hartman voor een eigen ruimte voor deze activiteiten. Uiteindelijk werd in 1857 met behulp van een hypotheek en leningen een pand aan het Blaeu-erf in de Gravenstraat bij de Nieuwe Kerk in Amsterdam gekocht. Nauw verbonden met de Maatschappij tot Verbetering van den Werkenden Stand was het blad Volksbeschaving - Volksheil (1854-1858) onder redactie van G. Francken. In dit blad schreef Hartman enkele artikelen, onder meer over arbeiderswoningen, over krotopruiming en over de verbouwing van een pakhuis tot de Louise-bewaarschool op de Amsterdamse Prinsengracht door Warnsinck.

De vele radicale veranderingen en voorstellen tot verandering van Hartman vielen niet bij alle leden van de Maatschappij in goede aarde. Hij kreeg het verwijt dat hij een autocraat en een 'Napoleon' was. Het lijkt niet toevallig dat de notulen van de Maatschappij uit deze jaren ontbreken. Toen in 1857 Warnsinck overleed had Hartman geen steun meer in de Maatschappij, die hij daarop verliet. Hij wijdde zijn aandacht, behalve aan het koffiehuis dat hij sinds 1860 dreef, aan de Maatschappij tot Nut van den Arbeidenden Stand, waarvan hij sinds 1861 de drijvende kracht was en waarvoor hij rechtspersoonlijkheid wist te krijgen. Oorspronkelijk was het een loterijvereniging, uiteindelijk leverde de tot een coöperatie uitgegroeide vereniging brandstoffen, aardappelen en spek in het groot uitsluitend aan leden. Voor het publiceren van de marktprijzen van deze produkten richtte Hartman in 1863 De werkman op, waarin hij om de veertien dagen een beschouwing publiceerde. Na twintig nummers werd de uitgave gestaakt. Ook publiceerde hij Protest tegen de bewering: dat de Ned. werklieden niet in staat of nog te weinig beschaafd zouden zijn om met goed gevolg arbeidersvereenigingen op te richten (Amsterdam 1866), waarin hij tot de conclusie kwam dat 'niet de weinige ontwikkeling van de knechts' maar 'de bekrompen kleingeestige denkbeelden der werkbazen' de reden was voor het niet van de grond komen van de organisatie van de werklieden. Aan het eind van zijn geschrift zette Hartman zich nog eens scherp af tegen communistische en socialistische denkbeelden. Een (niet bewaard gebleven) vervolg op dit geschrift ontstond waarschijnlijk in 1868, nadat Hartman op 3 maart en 7 april 1868 de vergaderingen had bijgewoond die door S. Sarphati in het Paleis voor Volksvlijt waren georganiseerd. Hartman voerde het woord op de eerste vergadering. Evenals K. Ris werd Hartman tot een weerwoord op alle beschouwingen geprikkeld.

Hartman was ook actief in de Vrijdenkersvereeniging De Dageraad. In het gelijknamige tijdschrift publiceerde hij overigens al voordat de vereniging officieel werd opgericht (1855), en wel een redevoering die hij in de Maatschappij tot Verbetering van den Werkenden Stand had gehouden. In 1857 werd Hartman in de Dageraad-bijeenkomsten geïntroduceerd en vermoedelijk is hij toen ook lid geworden. In 1858-1859 publiceerde hij in De Dageraad onder het pseudoniem De Ambachtsman. Ook bij De Dageraad pleitte hij voor een eigen vergaderruimte en het verwerven van rechtspersoonlijkheid. Op de vergaderingen verscheen hij onregelmatig, maar als hij er voordrachten hield werden deze door de toehoorders gewaardeerd. Een van die lezingen ging over de noodzaak van een zedelijk wetboek bij de opvoeding. Toen de vergadering het daar bij monde van voorzitter H.H. Huisman niet mee eens bleek was dat het einde van de Dageraad-activiteiten van Hartman. Hij ging over naar De Humaniteit, de nieuwe vrijdenkersvereniging van H.J. Berlin. Hartmans voordrachten hier werden nauwkeurig genotuleerd. Bij een lezing over de opvoeding van de vrouw maakte een medelid zich zo boos dat hij de zaal verliet. Een andere voordracht, 'Pro patria', ging over volksweerbaarheid. Hartman wees erop dat men bezig was steeds maar nieuwe wapens uit te vinden in plaats van 'te zorgen dat den werkman een beter lot bereid worde'. Of deze opvatting betekende dat Hartman zich aansloot bij een van de vredesbewegingen die na 1866 opkwamen is niet bekend. Wel had hij contact met F.C. Günst, R.C. d'Ablaing van Giessenburg en H. Gerhard, die wél in deze bewegingen actief waren. Hartmans laatste optreden was waarschijnlijk in 1871, samen met de in een coöperatie georganiseerde kleermakers Gerhard en J.H. Gilkens. Zij kenden elkaar uit de vrijdenkersbeweging. Bij zijn overlijden was Hartman weer lid van De Dageraad.

Publicaties: 

Mijne gedachten over het gehouden congres voor het armwezen te Groningen, en over de concept-vragen van het tot de maand Mei 1856 uitgestelde congres te Amsterdam (Amsterdam 1855); verder artikelen in: Volksbeschaving -Volksheil, De Dageraad en De Werkman.

Literatuur: 

Bymholt, Geschiedenis, I, 16-22; H. Stem, 'Der Amsterdamer Arbeiterbildungsverein von 1847 und die Vorlâufer der modernen socialen Bewegung in Westeuropa' in: International Review for Social History, 1937, nr. 2, 105-170; I.J. Brugmans, De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw (Utrecht 19583); B. Ram, 'Evert Hendrik Hartman, een vergeten pionier' in: Ons Amsterdam, 1965, 318-319; J.J. Giele, De pen in de aanslag (Bussum 1968); F.J. Dubiez, 'Ontstaan en groei van de socialistische arbeidersbeweging' in: Ons Amsterdam, 1972, 214-219; J.J. Giele, De eerste Internationale in Nederland (Nijmegen 1973); T. Haan, 'Een principieel debat over Multatuli in De Dageraad (1867)' in: M. Campfens, M. Schrevel, F. Tichelman (red.), Op een beteren weg (Amsterdam 1985) 39-59; W.H. van der Linden, The International Peace Movement 1815-1874 (Amsterdam 1987); D. Bos, Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894 (Amsterdam 2001).

Portret: 

E.H. Hartman (tekening J. Bulthuis, 1789), uit: A.E. D'Ailly (red.), Zeven eeuwen Amsterdam V (Amsterdam z.j.). Koffiehuis van Hartman, tweede huis links naast de Kweekschool voor de Zeevaart

Auteur: 
Johanna M. Welcker
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 77-80
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003