RIS, Klaas

Klaas Ris

voortrekker van de Amsterdamse arbeidersbeweging en Eerste Internationale-man, is geboren te Westzaan op 7 april 1821 en overleden te Amsterdam op 11 februari 1902. Hij was de zoon van Simon Ris, visser, en Grietje Stadt. Op 3 februari 1847 trad hij in het huwelijk met Anna Maria Lunden, werkster, met wie hij vijf dochters kreeg. Familiebetrekkingen met Klaas Ris (Westzaan 1794 - Joure 1852), predikant, en twee naamgenoten in Amsterdam zijn niet aan te tonen. Een vierde Klaas Ris (Amsterdam 1871) was zijn kleinzoon.
Pseudoniemen: Een Lid van de Maatschappij, Een Lid van de Matigheid, Pijpvoerder, Een Werkman, Een Werkmansvriend. Mogelijk schreef Ris in De Werkman ook onder het pseudoniem Parrapos.

De vader van Ris, weduwnaar geworden met negen kinderen, hertrouwde en van de volgende tien kinderen was Ris de oudste. De Westzaanse familie Ris was een arme tak van de grote orthodoxe doopsgezinde familie Ris in Noord-Holland, voornamelijk in Hoorn en Westzaan op 't Zuid. Daartoe hoorden verschillende 'niet-gestudeerde' predikanten, gekozen door hun gemeenten. Ook Ris beschikte over dit erfgoed van intelligentie en overtuigend spreken in het openbaar. Als tienjarige hielp hij al mee de kost te verdienen als hulpje in een papiermolen in Westzaan. Daarna werkte hij waarschijnlijk op een houtzaagmolen. In mei 1840 ging hij in militaire dienst als infanterist, plaatsvervanger voor de rijkere dorpsgenoot Meijert Grootes. Na zeven maanden tekende hij bij voor zes jaar dienst bij de kurassiers, een zwaardere dienst met meer soldij. Na afloop kreeg hij ontslag en liet zich in november 1846 dopen in de doopsgezinde gemeente te Haarlem. Dit had hij waarschijnlijk uitgesteld omdat het beroep van militair toen niet gepast was voor meer 'orthodox' gelovende doopsgezinden. Hij werd als lid overgeschreven naar de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente Amsterdam (VDGA) in januari 1847 en trouwde de maand daarop in Amsterdam. Als sjouwer verdiende hij f 5,- per week op een zilverfabriek op het Vlakkeveld (nu Derde Weteringsdwarsstraat 18-20) met als patroon F.A. Hoeker. Als tweede houtzaagmolenaarsknecht kwam Ris in 1850 in dienst bij de firma H.E. van Gelder (eveneens doopsgezind), die de houtzaagmolen De Valk op het Noorderzaagpad exploiteerde waar Ris kwam te wonen. Hij verdiende toen f 6,- met vrij wonen en vrij vuur van de houtafval. Zijn patroon woonde met gezin aan de overkant van de Zaagmolensloot bij de sinds 1856 door een stoommachine aangedreven molen De Groote Dommekracht. Dit oude industriegebied moest tussen 1870 en 1885 verdwijnen in verband met de uitbreiding van Amsterdam - nu de Pijp - buiten de Utrechtse Barrière. Ris bleef zijn hele leven lid van de VDGA en liet ook zijn drie dochters - twee stierven op zeer jeugdige leeftijd - daar inschrijven en dopen. Mogelijk beschouwde hij dat ook als vangnet voor slechte tijden. In 1847 sloot Ris zich aan bij het Matigheidsgenootschap te Amsterdam uit april 1843, dat in augustus 1851 fuseerde met de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van Sterken Drank (NV). De leden kregen een diploma waarbij zij zich verbonden geen jenever te drinken. Bier mocht wel. Het verschil tussen matigheid en afschaffing blijkt ook in Ris' brochure uit 1864 Is Neerlands moed jenevermoed? dan vivat de jenever! Deze toont dat Ris een sterke zelfbewuste arbeider was. Hij meende dat de NV te eenzijdig propaganda bedreef onder werklieden en de uitspattingen van de zogenaamd hogere standen met bals, schouwburgbezoek en wijndrinken buiten schot liet. Ook de wat fundamentalistische en sobere sociale achtergrond van Ris spreekt hier mee. De ongedateerde brochure Vrouwen zijn gevaarlijker dan sterke drank toont zijn gevoel voor humor. Hij bedankte in augustus 1864 echter voor het lidmaatschap van de NV, mede omdat het bestuur niet reageerde op zijn kritiek. Zijn schrijven van brochures was een protest tegen begaan onrecht, vooral aan hemzelf. Karakteristiek in enkele brochures is het ondersteboven zetten van woorden, waarmee het omgekeerde werd bedoeld. Dit werd gedaan om inbeslagneming wegens belediging te voorkomen. Al zijn hartstocht en kunde had hij gelegd in een artikel in het Nieuw Amsterdamsch Handels- en Effectenblad van 17 september 1863 'Open brief aan de heeren Brandmeesters in het algemeen en aan de Vereeniging Nut zij ons doel' over zijn moeilijkheden bij de brandweer. Hierop volgde de brochure 'Een man een man! Een woord een woord!' Wat is een brandmeester anders dan een sjouwerman? Over het niet aan hem willen uitkeren van een overgenomen spaarbankboekje kwam Ris herhaaldelijk terug in latere brochures. Hij schreef dit alles met volharding zowel om zijn gelijk te halen als om te procederen tot in hoogste instantie.

Eind maart 1863 was Ris lid geworden van de vrijdenkersvereniging De Dageraad. Hij kwam af en toe op de vergaderingen, maar zijn animo daarvoor nam af na een vergeefs verzoek om hulp in maart 1865 wegens ziekte van vrouw en dochter. Hij ontmoette er E.H. Hartman en H.H. Huisman en luisterde naar voordrachten van Multatuli, die vanaf augustus 1864 voor De Dageraad sprak en als voorbeeld in 'Idee 451' (2e bundel) het weekbudget van het gezin Ris publiceerde, zij het met een foute vermelding van de leeftijd van de kinderen. Ris nam het overzicht (met dezelfde fout) op in zijn brochure Een woord aan alle weldenkende in Nederland, waarschijnlijk uit 1865, en pleitte ervoor slavernij en gebrek af te schaffen, niet alleen in overzeese gebiedsdelen of Amerika maar ook in Nederland. Ris woonde de door Dr. S. Sarphati georganiseerde bijeenkomsten in het Paleis voor Volksvlijt op 3 maart en 7 april 1866 bij. Naar aanleiding van de eerste vergadering schreef hij Een woord over voor en tegen arbeiders vereenigingen. Niet alleen was de toegangsprijs - een kwartje - te hoog volgens hem, maar ook bleek uit de geringe opkomst van werklieden hoe groot de kloof tussen heren en werklieden was. Hij constateerde een groot wantrouwen tussen de heren die daar spraken en de enkele arbeiders die dat ook deden. Blijkbaar ging het vooral over coöperatie, 'winkelvereenigingen' die maar ongeveer 10% opleverden, terwijl het arbeidsloon verdubbeld moest worden. Maar het organiseren van vakverenigingen was verboden (en zou dat blijven tot 1872). Volgens Ris moesten ook patroons een 'vakvereniging' stichten om samen afspraken over de lonen te maken. Ris steunde het idee van woningbouwcoöperatie. In november 1868 werd de Bouwmaatschappij tot Verkrijging van Eigen Woningen opgericht op initiatief van onder anderen Ris, de drukker F.W. Vislaake en de metselaar Jan Fortuijn. Na betaling van inleggeld en een wekelijkse bijdrage van tien cent - vandaar de latere naam 'dubbeltjesbuurt' - kon men een aandeel krijgen, na inloting een huisje huren en na twintig jaar eigenaar worden. In 1871 legde de arts H. Zeeman, vrijmetselaar en meester van de loge La Charité, de eerste steen voor het eerste huisje in een zijstraatje van de Mauritskade. Hier kwam Ris in maart 1873 te wonen.

Met C.A.J. Geesink, P. Werthweijn en Ph. Roesgen von Floss had Ris in juli 1870 op een meeting voor algemeen kiesrecht gesproken. In 1871 was hij toegetreden tot de Gemengde Vereeniging van de sectie Amsterdam van de Eerste Internationale, waarvan hij in augustus 1871 bestuurslid werd. Hij maakte deel uit van de Commissie tot Opwekking van het Vereenigingsleven, die bedoeld was om vakverenigingen te helpen oprichten. Ook in zijn eigen vak lukte dat. Op 21 april 1872 hield de Bond van Houtzaagmolenaarsknechts 'De Houthandel' zijn eerste vergadering met 130 leden. Het stichten van een soortgelijke vakbond in Zaandam mislukte echter. Toen omstreeks 1874 de Internationale ter ziele was, trad De Houthandel toe tot het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond (ANWV) en was in de persoon van Ris vertegenwoordigd op het Kerstcongres van het ANWV in 1874, maar in 1875 ging de bond te gronde. Eind 1871 had Ris met Geesink en anderen de Democratische Vereeniging opgericht met als voornaamste eis algemeen stemrecht. Ris was een vaste gast bij de gehouden meetings, aldus een journalist van het Algemeen Handelsblad die hem meemaakte als commissaris van orde bij de Amsterdamse bijeenkomst van de Internationale voor buitenlandse gasten, onder wie K. Marx, in Dalrust bij de Hooge Sluis. Door dit verslag van 10 september 1872 werd Ris' betrokkenheid bij de gevreesde Internationale bekend in bourgeoiskring. Ris wist de Amsterdamse werklieden warm te maken voor eigen belangen. Aan landelijke en internationale zaken hadden de meesten echter nog geen boodschap. Meermalen was hij voorzitter van algemene arbeidersbijeenkomsten, zoals op 28 juli en 25 augustus 1872. De laatste eindigde met een tocht naar de burgemeester, die echter weigerde Ris en de zijnen met een petitie te ontvangen. Ris zette de grieven uitvoerig uiteen op een volgende vergadering op 30 september, waar hij stukken voorlas uit zijn brochures Adres ingezonden aan de Burgemeester van Amsterdam en De Achterlaadgeweren. Hij bekritiseerde ook het gebrek aan solidariteit in eigen kring zoals de laksheid van de suikerbakkers tegenover de ontslagen F.W.L. Sauer, die met I.S. van der Hout moest uitwijken naar Londen. Ris sprak ook buiten Amsterdam in 1872 in Utrecht en in 1873 met Hendrik Gerhard in Leiden en Delft. Namens een volksvergadering en de eigen houtzaag-molenaarsknechtsvereniging schreef hij in 1873 een protest tegen de door de stad Amsterdam uitgeschreven lening voor volgens hem onnuttige zaken als een beurs, schouwburg en museum. In de volgende jaren demonstreerde Ris vooral met de slagersknecht A. Hofman en de schoenmakersgezel H.A. Heijer. Zij waren er van overtuigd dat het volk eerst wakker geschud moest worden wilde men het tot organisatie brengen. Ris was lid en bestuurder van de Vereeniging Algemeen Stemrecht (mei 1876), het Volkscomité (september 1876) dat roerige meetings belegde en van De Vrije Drukpers. De laatste was gesticht in februari 1877, toen De Werkman was verdwenen, met het doel een 'Algemeen Volksblad, Sociaal-democratisch Orgaan ter verbreiding van Algemeen Stemrecht' op te richten samen met Hofman, Heijer en P.H.A. Schröder. Voorlopig konden zij alleen vliegende blaadjes uitgeven.

Een ommekeer in het leven van Ris bracht zijn ontslag in 1876 na een dienstverband van 26 jaar. Enkele jaren daarvoor was zijn oorspronkelijke molen al buiten bedrijf gesteld en kwam Ris in de machinaal aangedreven houtzagerij te werken waar hij f 9,- per week verdiende. Maar toen zijn politieke activiteiten bekend werden, verlaagde zijn patroon Van Gelder het loon tot f 6,-. Toen Van Gelder stierf gingen de zoons tot ontslag over. Vrienden van Ris zorgden voor een kar, trechters en vat, zodat hij zich in leven kon houden met een kleinhandel in petroleum in de Jordaan. Henri Timmer schreef in De Werkman een vlammend stuk om hem klanten te bezorgen. De verhuizing naar de Jordaan was ook daarom nodig omdat het slecht ging met de coöperatieve bouwmaatschappij. Er waren misbruiken ingeslopen en de statuten moesten worden gewijzigd. In het bestuur kwamen leden of sympatisanten met het ANWV. Hierover schreef Ris in 1876 een brochure. Intussen organiseerde het Volkscomité betogingen tegen het afschaffen van de kermis en het harde optreden van de politie daarbij. Door in april 1877 op audiëntie te gaan bij Koning Willem III, tijdens diens jaarlijks bezoek aan de hoofdstad, probeerden Ris en de zijnen te klagen over de burgemeester. Zij werden echter snel en grof verwijderd toen bleek waarvoor zij kwamen. Blijkbaar leefde ook bij Ris en het Volkscomité nog de mythe van 'de goede vorst'. In 1878 werd Ris lid en bestuurder van de Sociaal-Democratische Vereeniging in Amsterdam en in 1881 bestuurder van de net opgerichte Sociaal-Democratische Bond (SDB). Hiervan was hij ondervoorzitter in 1882 en 1883. Toen Gerhard in het laatste jaar als voorzitter wilde aftreden, was Ris een van de kandidaten ondanks zijn 62 jaar. Hij werd echter gepasseerd door de veel jongere J.A. Fortuijn. Ook in de SDB werd Ris gewaardeerd als voorzitter van vergaderingen en spreker. 'Ongedwongen, zonder aangeleerde kunstgrepen stond hij te spreken. Zijn forsche figuur schuins naar het publiek gekeerd. Meesttijds in een blauwen kiel, waarover een loshangend jasje, zijn pet in zijn linkerhand, de rechterhand opgeheven, rolden de woorden vol en zwaar van toon over zijne lippen. Meesttijds ironisch en scherp, maar vaak roerend door eene diep gevoelde overtuiging geleid' aldus Joan Nieuwenhuis, die zelf door Ris socialist geworden was. Hij noemde hem verder een intelligente en zelfbewuste arbeider met groot gevoel voor humor, een gevoelssocialist die wat wantrouwend stond tegenover getheoretiseer. Ris die hard moest werken viel tijdens vergaderingen wel eens in slaap. Wanneer hij wakker werd, riep hij uit: 'Het volk is ontwaakt, de strijd kan beginnen'. Voor de toekomst vreesde Ris de 'tirannie' van de 'knappe lui' die, zoals B.H. Heldt het 'deftig' uitdrukte, 'mee de verantwoordelijkheid dragen'. Bij het 25-jarig huwelijksfeest van H. Gerhard in 1883 schreef Ris een vers in het album waarvan de eerste letters de naam Klaas Ris vormden. De laatste regels luidden: 'Regt moet er zijn voor allen/Is de tijtgeest nog niet rijp/Socialisme zal niet vallen'. In december 1885 kwam hij in het hoofdbestuur van de Nederlandsche Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht met onder anderen A.H. Gerhard, P. van der Stad, P.J. Penning en Schröder. Met vroegere leden van de Internationale als W. Ansing, Schröder en H. Rommerts getuigde hij voor de Parlementaire Enquête-commissie in januari 1887, ook al had de Centrale Raad van de SDB dat sterk ontraden. Aan de hand van zijn slechte ervaringen met de brandweer en het niet-uitbetalen van zijn spaarbankboekje meende Ris dat er voor arbeiders geen rechtszekerheid bestond. Beter dan aan oorlogvoeren in Atjeh moest de regering het geld besteden om de werkloosheid op te lossen. Werklozen konden geen kant op. Ook zelf ging hij in verdiensten achteruit en zag zich genoodzaakt voor tekorten in levensonderhoud beroep te doen op de VDGA. In september 1885 verdiende hij nog 9,- tot 10,- per week bij een huur van f 5,-. In 1889 was dat f 7,- tot 8,- bij een huur van f 4,50 maar met een afdak voor zijn wagen en ezel. Jan van Zutphen spotte dat hij daarom precario-belasting moest betalen en kiezer kon worden. Ris zelf vroeg zich af wie nu kiezer was, hij of de ezel? Talrijke socialisten van verschillende kleur woonden zijn begrafenis in 1902 bij. Al op 1 mei 1902 werd een borstbeeld op zijn graf op de Nieuwe Oosterbegraafplaats onthuld. In 1950 liet de Partij van de Arbeid het grafmonument restaureren, waarop ook was gebeiteld: 'Uw geest leve voort'.

Archief: 

Documentatie K. Ris in Collectie Hartkamp in Gemeentearchief (Amsterdam).

Publicaties: 

Convoluut H433 in het Gemeente-archief te Amsterdam omvat: Is Neerlands moed jenevermoed? dan vivat de jenever! Open Brief aan het bestuur der afschaffing van sterken drank (Afdeeling Amsterdam) door een lid van de matigheid. Voor rekening van den Schrijver (Amsterdam 1864); Vrouwen zijn gevaarlijker dan sterken drank. Open brief aan bestuurderen der Vereeniging tot afschaffing van sterken drank en verder opgedragen aan alle weldenkende Drinkers en Liefhebbers van Vrouwen (Amsterdam z.j.); 'Een man een man! een woord een woord!' Wat is een brandmeester anders dan een sjouwerman? Aanmerkingen omtrent het brandwezen te Amsterdam door een Pijpvoerder, die om zijne lastigheid omtrent het Brandwezen ontslagen werd. (Voor Rekening van den Schrijver) (Amsterdam 1864); Daarvoor betaalt gij jaarlijks f 19.000 à f 20.000. Open brief aan de ingezetenen van Amsterdam in het algemeen en aan het brandwezen in het bijzonder. Met het oog op de 134 gezworenen en de 39 der Aanzienlijksten van Amsterdam (Amsterdam 1864); Waar zijn mijne Regters? Open brief aan burgemeester en wethouders der gemeente Amsterdam, naar aanleiding hunner besluiten van 11 november 1864 en 3 februari 1865 (Amsterdam z.j.); Open brief aan mijn raadselachtige vriend of niet-vriend R.R., naar aanleiding van zijn ingezonden stuk in de Amstelstem no. 6. (Amsterdam z.j.); Een woord aan alle weldenkende in Nederland. Opgedragen aan gemeentebesturen, raadsleden, advocaten, heeren, boeren, burgers en buitenlui (Amsterdam z.j.); Een woord over voor en tegen arbeiders vereenigingen. Open brief opgedragen aan de directie van het Paleis voor volksvlijt, en ter overweging aangeboden aan voor- en tegenstanders (Amsterdam 1866); Wat leert de Nederduitsche hervormde gemeente te Amsterdam en Wat doet die Kerkeraad? Eene vraag aan hare leden. Uitgegeven voor rekening van den schrijver en ten voordeele van een behoeftig huisgezin (Amsterdam, omstreeks 1867); Open brief aan de werklieden van den heer van Vlissingen over het afschaffen der kermis (Amsterdam 1867); Adres ingezonden aan den Burgemeester van Amsterdam. Inhoudende vragen en grieven. Naar aanleiding van den laatsten optocht, onder leiding van K. Ris en [I.] S. van der Hout (Amsterdam 1872); De Achterlaadgeweren in verband beschouwd met de volksweerbaarheid, de koopmansbeurs, de ploeg en de werkende stand. Opgedragen aan het Nederlandsche volk en inzonderheid aan J.B. van Limburg Stirum (Amsterdam 1872: ondertekend: Een werkmansvriend); Adres of protest ingezonden aan den gemeenteraad te Amsterdam tegen het aannemen van een Plan van B. en W., tot het aangaan eener leening van f 14.000.000 voor stadswerken (Amsterdam 1873); waarschijnlijk schreef Ris ook Open brief aan den Schrijver van het Hoofdartikel voorkomende in het Algemeen Handelsblad van 10 Juli 1869 "de werklieden en hunne opruyers". Door een werkman (Amsterdam 1869), in Koninklijke Bibliotheek, Den Haag); door Bymholt genoemd maar tot nog toe onvindbaar: Open brief aan de leden en belangstellenden in de bouwmaatschappij tot de verkrijging van eigen woningen door een lid der maatschappij (1876).

Literatuur: 

J.A. Nieuwenhuis, 'Mannen van Beteekenis in de Volkspartij. Personen en Zaken uit de Volkspartij VI-VIII' in: Radicaal Weekblad. Orgaan voor de Volkspartij in Nederland, 26.5, 2.6 en 9.6.1889 (onder pseudoniem J. Adam); Bymholt, Geschiedenis; B.H. Heldt, Algemeen Nederlandsch Werklieden-verbond 1871-1896 (Leeuwarden 1896) 8, 13-19; J.M. van Gelder, Stamboek der familie Van Gelder. ... voor- en nageslacht van Pieter Smidt van Gelder (Amsterdam 1899); Vliegen, Dageraad I, 6, 9, 12, 21, 28, 54, 80-81, 57, 108, 372, II, 175, 386; J.A. Nieuwenhuis, Uit den tijd der voortrekkers (Amsterdam 1927) 9-11, 18-21, 27-29; J. van Eck, De Amsterdamsche Schans en de Buitensingel (Amsterdam 1948); Multatuli; Volledige Werken III (Amsterdam 1951) Ideën II no. 451 (oorspronkelijk een brief aan J.C.P. Hotz, 19.1.1864) 121-124 (interview met Ris), XII (Amsterdam 1979) 78-86 (waarschijnlijk een niet verzonden brief aan Ris vanuit Keulen, 13.2.1867), 488 (brief aan C. Busken Huet); P.J. Meertens, 'Ris (Klaas)' in: Mededelingenblad, nr, 5, november 1954, 9-12; Th. van Tijn, Twintig jaren Amsterdam (Amsterdam 1965) 446-450; J. Giele, De eerste internationale in Nederland (Nijmegen 1973); Mennonite Encyclopedia IV (Scottdale 19732) 338-340; J. Giele, Arbeidersleven in Nederland 1850-1914 (Nijmegen 1979) 54-58; J.J. Giele (red.), Een kwaad leven (Nijmegen 1981); heruitgave van de arbeidsenquête van 1887) Deel 1, 446-450, Deel 3, 323-326, 344; C. Schade, Woningbouw voor arbeiders in het l9de eeuwse Amsterdam (Amsterdam 1981) 127-130; M.G. Emeis, Amsterdam buiten de grachten (Amsterdam 1983); A. van der Valk, Amsterdam in aanleg (Amsterdam 1989); D. Bos, 'Klaas Ris (1821-1902). Een roerige Zaankanter in Amsterdam' in: V. Kingma, A. van Diepen (red.), De Rode Zaan. Honderd jaar strijd en solidariteit (Zaandam 1999) 17-24; D. Bos, 'Klaas Ris de Molenaarsknecht' en 'De groote, geniale Multatuli' in: Over Multatuli, nr. 22, 2000; D. Bos, Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894 (Amsterdam 2001); D. Bos, 'Brandweerman en onruststoker. De strijd van Klaas Ris' in: Ons Amsterdam, april 2002.

Portret: 

K. Ris, IISG

Auteur: 
Johanna M. Welcker
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 226-232
Laatst gewijzigd: 

25-09-2002