KORTE, Hendrika Alida de

Ria de Korte

(roepnaam: Rie of Ria), links-socialiste en ijveraarster voor seksuele hervorming, is geboren te Dordrecht op 27 juni 1901 en overleden te Amsterdam op 14 maart 1988. Zij was de dochter van Anthonij de Korte, banketbakker, en Maartje Baars. Op 26 maart 1931 trad zij in het huwelijk met Albert Elias Fransman, leraar heilgymnastiek, met wie zij een dochter kreeg. Het huwelijk werd op 28 januari 1938 ontbonden. Op 1 juli 1977 hertrouwde zij met Gerard Nabrink, antimilitarist en ijveraar voor seksuele hervorming. 
Pseudoniemen: M.M., Moeder moed

De Korte, het middelste van drie kinderen in een Nederlands-hervormd gezin, doorliep met goed gevolg de Hogere Burger School. In februari 1925 kwam zij vanuit Rijswijk naar Amsterdam, waar zij kantoorbediende werd bij de nieuw opgerichte Nederlandsche Credietverzekering Maatschappij. In 1931 trouwde ze met de vier jaar jongere leraar heilgymnastiek en massage Albert Fransman, met wie zij in februari 1932 het Instituut Fransman voor fysische therapie oprichtte. Omdat fysische therapie een wettelijk niet beschermd beroep was (de wet paramedische beroepen kwam pas in 1963 tot stand, waarna in 1965 het fysiotherapeutenbesluit werd afgekondigd), kon het beroep destijds uitsluitend in de particuliere sfeer worden uitgeoefend. Ziekenfondsen, die behandelingen geheel of gedeeltelijk vergoedden, bestonden niet, zodat De Korte en haar man aanvankelijk moeite hadden het hoofd boven water te houden. Om die reden bekwaamde De Korte zich enige tijd in het buitenland in het in opkomst zijnde beroep in de schoonheidsverzorging. Terug in Nederland werden schoonheids- en voetverzorging in het aanbod van het Instituut opgenomen en zetten zij de eerste cursussen in deze vakken op. Met enige naamwijzigingen en een korte onderbreking tijdens de oorlog zou het Instituut ruim 65 jaar bestaan. Het was vanaf 1934 gevestigd aan de Nicolaas Witsenstraat 5 in Amsterdam, wat voor de geschiedenis van het links-socialisme in Nederland een belangrijk adres is, omdat dit op enig moment het secretariaats- of redactieadres van nagenoeg alle nog te noemen partijen en partijorganen vormde. Nadat de linkse oppositie binnen de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) in 1929 een eigen blad had opgezet, het discussieorgaan De Socialist, werd De Korte hiervan de administrateur. Ook de in 1931 opgerichte Linkssocialistische Debatingclub van de SDAP was in de Nicolaas Witsenstraat gevestigd. Hoe De Korte links-socialiste werd, is niet bekend. Haar ouders waren geen socialisten, maar zij had wel een links zusje. Begin maart 1932 stelde de afdeling IV van de SDAP-Amsterdam De Korte kandidaat voor het SDAP-partijbestuur, maar op het Paascongres van de SDAP scheidde de linkse oppositie zich af en richtte de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP) op. De Korte werd administrateur van het OSP-orgaan De Fakkel. Ze was te oud voor de aan de OSP gelieerde jongerenorganisatie, het Socialisties Jeugdverbond (SJV), maar verrichtte er wel cultureel werk voor, onder meer door een koor te leiden. Haar werk voor het SJV deed zij uiterst consciëntieus. Binnen het SJV werd om meerdere redenen vreemd tegen haar aan gekeken, omdat de teksten die ze voor de jongste leden voordroeg (‘In het zweet uws aanschijns’) te hoog waren gegrepen en vanwege haar bijzondere verschijning. Als een van de weinige vrouwen in de beweging maakte De Korte zich op en anders dan de in kringen van de Arbeiders Jeugd Centrale gebruikelijke reformkleding ging zij modieus gekleed. Oud-leden van het SJV gebruikten een halve eeuw later epitheta voor haar als kittig, ijdel, modebewust, progressief, aardig en hulpvaardig. Ze werd wel ‘Rosa Renn’ genoemd (meestal ‘Ren’ geschreven), een samengevoegde verwijzing naar de Duitse communistische intellectuelen Rosa Luxemburg en Ludwig Renn. 

Vanaf de OSP-oprichting op 3 april 1932 in gebouw Handwerkers Vriendenkring maakte ze met Guus Lodeizen, Jaap Nunes Vaz, George A. Steen, Jules Suikerman, Sal Tas en Eli van Tijn deel uit van het voorlopig bestuur van de OSP‑Amsterdam. Ze had zitting in het OSP-huisvestingscomité voor Duitse vluchtelingen en ging in maart 1935 mee met de fusie van de OSP en de Revolutionair-Socialistische Partij tot Revolutionair-Socialistische Arbeiders Partij. Aansluitend ging ze ook mee met de afsplitsing daarvan, de Bond van Revolutionaire Socialisten (BRS). Ze was redacteur van het BRS-orgaan De Socialist en had als een van de vijf leden van het landelijk comité zitting in het uitvoerend comité. De fondsen die ze wierf kwamen onder andere het blad ten goede. In de tweede helft van de jaren dertig ging het De Korte privé slecht, waarschijnlijk door huwelijksperikelen. Eind 1936 of begin 1937 bedankte zij zonder opgaaf van reden als lid van het uitvoerend comité van de BRS en trad terug uit de redactie van De Socialist. Haar plek werd niet ingevuld en aan haar huwelijk kwam in 1937 een eind. Fransman vertrok in 1939 naar de Verenigde Staten, waar hij in januari 1941 dienst nam bij het Amerikaanse leger.

Tijdens de oorlog maakte De Korte deel uit van het verzet rond het links-socialistische blad De Vonk, Orgaan van de Internationaal-Socialistische Beweging, waarbij ook de arts Wim Storm was betrokken. In haar woning werd illegaal gedrukt, waarschijnlijk De Vonk, en ze verstopte vlugschriften in het bedje van haar dochter. Na verraad door een buurman werd de verzetsgroep waarvan zij deel uitmaakte in 1944 opgerold. Zij werd tijdens het geven van een praktijkles pedicure gearresteerd en kwam in concentratiekamp Vught terecht, waar ze kampnummer 01030 kreeg. Op 26 juni werd ze tewerkgesteld bij het zogenoemde Philips-Kommando op de afdeling Condensatoren. Bij de ontruiming van kamp Vught op 6 september werd zij met de andere vrouwen op transport gesteld naar concentratiekamp Ravensbrück. Haar kampnummer daar was 66943. In Ravensbrück verbleef ze circa drie weken. Er volgde een voettocht van vier dagen naar Reichenbach in het Eulengebirge, een van de buitencommando’s, waar ook de eerder weggevoerde joodse vrouwen uit het Philips-Kommando terecht gekomen waren en waar zij als ‘Philips-Facharbeiterin’ werkte in de ondergrondse fabriek van Telefunken. In februari 1945 werd de fabriek zwaar gebombardeerd en begonnen de ‘dodenmarsen’, die tot het einde van de oorlog zouden duren. Lopend en gedeeltelijk vervoerd in open kolenwagons bereikten de vrouwen op 3 maart Porta Westfalica, waar zij in een fabriek moesten werken die, verdeeld over zeven etages, in een berg was verborgen. Op 1 april (paaszondag) volgde een nieuw transport naar Salzwedel, waar het Amerikaanse leger hen op 14 april bevrijdde. Via het Zweedse Rode Kruis kwam De Korte in juni in Gotenburg in Zweden terecht. Op een van de laatste transporten nam ze een Hongaars meisje onder haar hoede, dat ze mee naar Nederland wilde nemen om samen met haar dochter op te voeden, maar door de gedwongen opvang naar nationaliteit verloor ze het meisje uit het oog. Bovendien moest iedereen terug naar het eigen land van herkomst. Na enige maanden herstel in een ziekenhuis keerde ze via Mönchengladbach en Brunssum terug naar Amsterdam, waar van haar woning weinig meer dan een ruïne was overgebleven. Tijdens de laatste, strenge oorlogswinter was al het hout eruit gesloopt. Haar dochter had de oorlog ondergedoken op het Friese platteland overleefd. Met het Comité Vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück wilde De Korte niets te maken hebben. Wel kwamen nog jaren na de oorlog vrouwen die met haar in het kamp hadden gezeten in het winkeltje van het in 1948 heropgerichte Instituut hun zeep kopen. Een van die klanten vertrouwde de bedrijfsleider toe, dat ze haar leven aan De Korte had te danken. Ook in het kamp had ze zich voor anderen ingezet.

Meteen na de oorlog werd De Korte lid van het Comité voor Actie en Strijd voor de Eenheid van het Socialisme, dat het pamflet ‘Oproep aan het Nederlandse volk. Weest op uw hoede! Leve de eenheid. Op voor het socialisme nu’ uitgaf. Het kwam voort uit de Internationale Socialisten Beweging, die ook De Vlam, Socialistisch weekblad voor vrijheid en cultuur uitgaf als opvolger van het illegale De Vonk. Bijdragen hierin signeerde De Korte met ‘Moeder moed’ of ‘M.M.’. Zij nam deel aan verschillende Vlam-kampen, maar kwam door onenigheid buiten de Stichting De Vonk te staan, waarvan zij penningmeester-directeur was. Tot maart 1947 was zij bestuurslid en daarna secretaris van het Sociaal-Democratisch Centrum (SDC), tot ze op 31 augustus 1947 uittrad, samen met onder anderen Wijnand Romijn. Ze stond op het standpunt dat het SDC aan de Partij van de Arbeid gelieerd moest blijven teneinde deze partij tot een linksere koers te bewegen. Het SDC moest echter gesloten blijven voor communistische invloeden. De Korte verlegde haar activiteiten nu van de politiek naar seksuele hervorming. Vóór de oorlog had zij al lezingen over seksuele vraagstukken voor het SJV gegeven en een rol gespeeld in de Neo-Malthusiaansche Bond. Tijdens de oprichtingsvergadering op 18 en 19 mei 1946 van de rechtsopvolger hiervan, de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH), werd ze tot hoofdbestuurslid gekozen. Storm werd voorzitter, Gé Nabrink secretaris. Ze vroeg meteen aandacht voor de positie van vrouwen. In haar optiek waren problemen in het seksuele leven voor vrouwen moeilijker op te lossen dan voor mannen. Ze werd voorzitter van de NVSH-Amsterdam, zat met Storm in de zuiveringscommissie van de vereniging en maakte met Nabrink deel uit van zowel het NVSH-hoofdbestuur als de redactie van het orgaan Verstandig Ouderschap. In Verstandig Ouderschap publiceerde zij artikelen als ‘Eerlijkheid in het huwelijk’, ’Gezinsraad of huwelijksschool’ en ’De gelijkwaardigheid van Man en Vrouw’. In augustus 1953 bezocht zij samen met Nabrink, Coen van Emde Boas en P.A. van Huet namens de NVSH het vierde internationale congres van de International Planned Parenthood Federation in Stockholm. Met Nabrink was De Korte in 1954 ook gedelegeerde op het Wereldvoedselcongres van de Verenigde Naties, georganiseerd door de Voedsel en Landbouw Organisatie in Rome. Op het congres in Stockholm was de vonk tussen Nabrink en De Korte overgeslagen en al een maand later trok hij bij haar in. Nabrinks vrouw verzette zich tegen een scheiding, totdat in 1974 een nieuwe wet bepaalde dat voortaan ook een eenzijdige wens daartoe aanleiding voor een scheiding kon zijn. In 1977 trouwden De Korte en Nabrink.

De Korte verzette zich haar leven lang tegen het idee dat een bezoek aan de schoonheidsspecialiste een luxe was. In die zin pionierde ze voor zowel de uiterlijke verzorging als het beroep van schoonheidsspecialiste. Bij haar Instituut kon men al tijdens de oorlog een officieel erkende opleiding tot schoonheidsspecialiste volgen. Het Instituut had zich aangesloten bij de Stichting Vakexamens Schoonheidsverzorging. In augustus 1940 besloten de hoofdbesturen van de Nederlandse Kappersbond en de landelijke vereniging ter behartiging van de belangen van kappers, schoonheidsspecialisten en kappersparfumeriehandelaren in Nederland (Elveka) tot een fusie. De Korte was een van de Elveka-bestuurders die aan het hoofdbestuur van de Kappersbond werden toegevoegd. In 1943 was het Instituut Fransman onder een Verwalter geplaatst, waarschijnlijk vanwege Fransmans joodse afkomst. Na de oorlog richtte zij het Instituut opnieuw op als Instituut Ria de Korte. In de tweede helft van de jaren vijftig werd het Instituut uitgebreid met een Mannequinschool. Vanaf de oprichting in 1949 was ze voorzitter van de Algemene Nederlandse Bond van Schoonheidsinstituten. Tijdens het 17e internationale congres van het Comité international d’estéthique et de cosmétologie (CIDESCO) in 1963 in München werd De Korte als eerste vrouw tot voorzitter gekozen. In 1969 ontving ze van de CIDESCO de Médaille du mérite. Bij haar afscheid in 1970 werd ze erepresidente en bij de oprichting van CIDESCO-Nederland werd zij benoemd tot erelid.

Eind 1980 moest De Korte, die lichamelijk verzwakt was, worden opgenomen in Revalidatie- en Verpleeghuis Vreugdehof in Amsterdam-Buitenveldert. Nadat ze voor een operatie onder narcose was gebracht, verzwakte haar vermogen om de herinneringen aan haar kampverleden en het verdriet over het verlies van haar in 1960 aan de complicaties van een galblaasoperatie overleden dochter te onderdrukken. Tot aan het eind van haar leven zocht Nabrink haar dagelijks op. Zijn bibliografie van Ferdinand Domela Nieuwenhuis werd in 1985 in de gemeenschappelijke ruimte van Vreugdehof ten doop gehouden. De Korte maakte nog mee dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap haar Instituut accrediteerde in de zin van de Wet op de erkende onderwijsinstellingen uit 1985. Na haar overlijden was er geen crematie of begrafenis omdat ze haar lichaam ter beschikking van de medische wetenschap stelde. Het Instituut maakt tegenwoordig deel uit van de opleiding Uiterlijke Verzorging van het Regionaal Opleidings Centrum van Amsterdam. Haar naam leeft voort in de in de Nicolaas Witsenstraat gevestigde Stichting Ria de Korte, Archief van de Kosmetiek, die zich tot doel stelt de kennis van de schoonheidsverzorging en cosmetiek in Nederland te vergroten.

Publicaties: 

‘Vaderlandsliefde en landverraad’ in: De Vlam, jrg. 1, nr. 16, 7 september 1945; ‘Vrouwen onderweg’ en ‘Niet vergeten’ in: De Vlam, jrg. 1, nr. 19, 29 september 1945, 12; ‘Van het kastje naar de muur’ in: De Vlam, jrg. 1, nr. 24, 3 november 1945, 13; ‘Nog duizenden Hollanders verblijven in Rusland’ in: De Vlam, jrg. 1, 22 december 1945; ‘Eerlijkheid in het huwelijk’ in: Verstandig Ouderschap, jrg. 26, nr. 5, 1946 (propagandanummer).

Literatuur: 

G. Nabrink, Seksuele hervorming in Nederland. Achtergronden en geschiedenis van de Nieuw-Malthusiaanse Bond (NMB) en de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH), 1881-1971 (Nijmegen 1978); M. Hunink, J. Kloosterman, J.P. Rogier, Over Buonarroti, internationale avantgardes, Max Nettlau en het verzamelen van boeken, anarchistische ministers, de algebra van de revolutie, schilders en schrijvers: voor Arthur Lehning (Amsterdam 1979); T. Wibaut, Zo ben je daar. Kampervaringen (Amsterdam 1983) hierin: ‘Gedichtjes en versjes’, niet gepag.; G. Nabrink, Datgene, wat wij heden niet doen, doen wij nimmer. Korte herinneringen (Amsterdam 1986) 26-27; M. Eekman en H. Pieterson, Linkssocialisme tussen de wereldoorlogen (Amsterdam 1987) 21; W. van der Straten, ‘In memoriam Ria de Korte’ (ongepubliceerd, gedateerd 18 maart 1988; collectie erven R. de Korte); R. van den Berg, ‘Wim van der Straten heeft 365 vrije dagen per jaar’ in: De GAY Krant, nr. 163, 22 september 1990; de Volkskrant, 19.11.1991; M. van Tijn, Gedenk, wat over ons gekomen is.... (Amsterdam 1997) 30-31 (De Korte hierin als Lydia de Lange); B. de Cort, Solidariteit in anonimiteit. De geschiedenis van de leden van de Onafhankelijke Socialistische Partij (1932-1935). Een documentaire (Breda 2004).

Portret: 

Collectie Erven R. de Korte

Handtekening: 

Huwelijksakte Fransman/de Korte dd 26 maart 1931. Reg 6a fol 22v, akte 140; akteplaats Amsterdam. Als bruid.

Auteur: 
Bart de Cort
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online (2017)