MEETER, Eillert

Eillert Meeter

publicist in democratische bladen tussen 1840 en 1851, is geboren te Oude Pekela op 3 maart 1818 en overleden te Britonferry (Groot Brittannie) op 7 april 1862. Hij was de zoon van Mechiel Eilderts Meeter, barbier, en Trijntje Wessels Kuiper. Omstreeks juni 1847 trad hij in het huwelijk met Johanna Francina Kroon.

Meeter behoorde als zoon van een barbier tot de kleine burgerij. In deze ondergeschikte positie kon hij zich maar moeilijk vinden. 'Die hiërarchische schakel der samenleving, waarlangs ieder in gewone tijden moet opklimmen, is mij hinderlijk', schreef hij in 1842. Hij zocht het avontuur en de mogelijkheid zich in de verstarde samenleving te onderscheiden en begon zijn roerige carrière als publicist in een decennium, waarin Nederland relatief grote politieke spanningen kende. In de stad Groningen werkten onder academici en de burgerij patriotse denkbeelden na, terwijl welvarende landbouwers in de provincie niet van plan waren de leiding van de aristocratie in het provinciaal bestuur te verdragen.

Vanaf 1834 probeerde Meeter 'hogerop' te komen door in militaire dienst te treden met de bedoeling een officiersopleiding te volgen. Hoewel hij het reeds in 1836 tot sergeant bracht en hard studeerde, strandde zijn militaire carrière toen in 1839 na beëindiging van het conflict met België ingrijpend op het leger bezuinigd werd. In die sfeer werd Meeter ontvankelijk voor revolutionaire ideeën. Hij trok zich op aan de verbitterde majoor-op-non-actief P.W.G.J. van Baerle, die in 1831 wegens zijn onbeheerst karakter uit de dienst was verwijderd, en ontmoette jonkheer R.L. van Andringa de Kempenaer, die met medeweten van de latere koning Willem II in de Noordelijke provincies stemming probeerde te maken tegen de huwelijksplannen van Willem I. Bovendien was hij een trouw bezoeker van het Groningse café van P.J. de Jonge. Dit werd een middelpunt van lieden die zich te kort gedaan voelden en felle kritiek op de autoriteiten uitten, zoals De Jonge zelf, die bij een proces wegens laster betrokken was geweest, de boekdrukker en uitgever Hendrik Bolt en de koopmanszoon Abraham Sonius. Deze groep kwam in contact met de klanten van een ander Gronings koffiehuis - van Van der Laan - waar de boerenbeweging haar actiecentrum had. Uit die samenwerking ontstond het blad De Tolk der Vrijheid met Meeter als hoofdredacteur. Deze had in Groningen door enkele publikaties bekendheid gekregen. In 1838 was in het Groninger Weekblad een feuilleton van zijn hand verschenen over de 'Geschiedenis van het beleg van Groningen in 1672' en in de Groninger Courant een artikel over de zeventiende-eeuwse strijd tussen de Groningse regenten en gilden. Deze verhalen lieten geen twijfel bestaan over de democratische sympathieën van de schrijver. Bij Bolt verscheen zijn Eerste bundeltje fraaije verhalen voor de beschaafde jeugd. In zijn krant werd Meeter niet, zoals verwacht, de tolk van de verlangens van de welgestelde boeren, maar kwam hij als eerste journalist in ons land fel op voor de belangen van dagloners en arbeiders in werkplaatsen en fabrieken. Hij trad hiermee in het voetspoor van Belgische democraten als J. Kats, L. Jottrand, de gebroeders A. en F. Delhasse en A. Bartels. Meeter raakte spoedig bevriend met dr. J.J.F. Wap, redacteur van het felle roomskatholieke oppositieblad De Noord Brabander. Wap was weer bekend met A.M.L. de Lamartine en de radicaal-katholieke hervormer H.F.R. de Lamennais, waardoor Meeter zijn internationale contacten uitbreidde. Hij geldt als de eerste journalistieke vertegenwoordiger van de internationale democratische beweging in ons land. Al snel na de eerste uitgave van De Tolk der Vrijheid in april 1840 kwam hij in aanraking met justitie. Op 18 mei 1840, het hoogtepunt van de Groningse kermis, werden hij en Bolt gearresteerd bij de zogeheten wafelkraamrel. Zij moesten op 1 augustus worden vrijgelaten, omdat niet bewezen kon worden dat zij schuldig waren aan revolutionaire samenspanning. Meeter kon hierdoor met succes als martelaar optreden. Dit uitte zich tijdens de Groningse feestdag op 28 augustus, toen zijn toneelstuk 'Rabenhaupt' onder luid applaus in de Groningse schouwburg werd opgevoerd. Justitie probeerde hem nu te treffen voor zijn uitlatingen in De Tolk der Vrijheid en spande een proces tegen hem en Bolt aan, dat tot aan de Hooge Raad werd gevoerd. Ondanks de welsprekende verdediging van de liberale voorman mr. D. Donker Curtius kregen Meeter en Bolt in hoogste instantie respectievelijk vier en twee jaar. Vóór de definitieve uitspraak vluchtte Meeter in februari 1841 naar België en week vervolgens -wegens gebrek aan bestaansmiddelen -uit naar Parijs. Hoewel hij tijdens zijn proces aan De Tolk der Vrijheid doorwerkte, ging het blad achteruit. Het werd eind 1841 opgeheven.

In Parijs klopte Meeter aan bij het Nederlands gezantschap, waar hij door een berouwvolle houding het vertrouwen wist te winnen van de bejaarde gezant, generaal R. baron Fagel. Deze ondersteunde een gratieverzoek, dat Willem II na een geslaagd bezoek aan Groningen inwilligde. Meeter keerde terug naar Nederland en vestigde zich voorlopig in Amsterdam, waar hij zich wegens geldgebrek tot de koning wendde met het verzoek hem in een ambtelijke functie te plaatsen. Toen dat niet lukte door verzet van de ministers, betaalde de koning Meeter een toelage uit eigen fondsen. Die mildheid kwam niet alleen voort uit vorstelijke grootmoedigheid, maar had ook de opzet een gevaarlijk opposant uit te schakelen. Hetzelfde overkwam Wap. Als protégé van Willem II (1841-1842) bestookte Meeter de koning met kruiperige briefjes, waarin hij om (meer) geld vroeg. Intussen leefde hij er in Den Haag vrolijk op los en verbraste zijn geld met dubieuze vrienden. Ten slotte viel hij in ongenade, omdat hij weigerde een jonge vrouw te trouwen die van hem in verwachting was. Volkomen berooid en vanwege zijn vroegere vonnissen afgesneden van kansen op een ambtelijke of particuliere functie begon hij met Bolt in Amsterdam een nieuw oppositieblad, De Onafhankelijke. Meeter keerde in grote geldnood terug naar Den Haag. De koning steunde hem opnieuw maar liet hem in Parijs in termijnen uitbetalen. In het najaar van 1844 was hij terug in Den Haag, waar hij met zijn achtergrondkennis over hoge Haagse kringen en het hof op 13 oktober zijn nieuwe krant De Ooyevaar uitbracht. Dit was een in wezen republikeins blad dat Meeter ter vergroting van de oplage vulde met schandaalberichten. Voor het politieke deel kon hij beschikken over medewerkers als P.A. de Haas, A.H. van Gorcum, G.A.C.W. markies de Thouars en Donker Curtius, met wie hij vriendschappelijk omging. In 1845 belandde Meeter opnieuw in de gevangenis. Het was een onrustig jaar vanwege de liberale actie voor een grondwetsherziening en de hongerrellen in verschillende steden, die het gevolg waren van voedselnood door een aardappelziekte. Overal verschenen zogeheten lilliputterbladen. Deze hadden een zeer klein formaat om het dure dagbladzegel te ontduiken. Ook Meeter bracht goedkope lilliputters in omloop, zoals De Haagsche Miniatuurbode en De Ontwaakte Leeuw. De politie arresteerde Meeter en zijn aanhangers, waarna het tot een groot proces kwam. Hoewel zij uiteindelijk wegens gebrek aan bewijs werden vrijgesproken, zaten zij meer dan een jaar in voorarrest. De koning greep in en gaf Meeter en zijn vriend Van Gorcum een jaargeld, op voorwaarde dat zij zich in het buitenland zouden vestigen. Zij vertrokken naar Antwerpen, waar zij zich rustig hielden. Meeter publiceerde zelfs een prijzende biografie van Willem II en trad er in het huwelijk.

Aan het goede Antwerpse leven kwam een eind door het overlijden van Willem II in maart 1849. Willem III was niet van plan de financiële verplichtingen van zijn vader over te nemen, zodat Meeter zich opnieuw genoodzaakt zag een bestaan te vinden als redacteur van een radicaal oppositieblad. Hij vestigde zich in Nijmegen, waar zijn felle volksblad De Star der Hoop op 3 juni 1849 verscheen. Ook trad hij in verbinding met de bekende democratische publicist Adriaan van Bevervoorde, die in 1850 de Democratische Hoofdvereeniging oprichtte als Nederlandse afdeling van het door A.A. Ledru Rollin en G. Mazzini opgerichte Comité Central Européen, een voortzetting van de door Van Bevervoorde, Jottrand, Kats en Karl Marx in 1847 opgerichte Association Démocratique (de Democratische 'Internationale'). Meeter trad echter niet toe tot de Democratische Hoofdvereeniging, afgeschrikt door het autoritaire optreden van Van Bevervoorde. In januari 1850 herkende de Pruisische politie Meeter in Gogh en nam hem 's nachts gevangen. Meeter wist echter te ontsnappen en verliet ook Nijmegen. Hij verbleef in Luik en Rotterdam en schreef in 1851 in de Zierikzeesche Nieuwsbode. Omdat de justitie onder leiding van zijn vroegere vriend Donker Curtius scherp tegen de radicalen optrad en gevangenneming dreigde, week Meeter in september 1851 uit naar Groot Brittannië, waar hij tot zijn dood in 1862 als scheepsbevrachter en vertaler in Britonferry (Wales) werkte. In Londen publiceerde hij in 1857 zijn memoires over de jaren 1837 tot 1846 Holland, Its Institutions, Its Press, Kings and Prisons (Nederlandse vertaling Holland, kranten, kerkers en koningen, Amsterdam 1966), dat ondanks de eenzijdigheid een levendig en onderhoudend geschreven werk is met elementen van een moderne thriller.

Publicaties: 

Behalve de genoemde: De laatste bouwmeester Gerrit Harms Warendorp of de vernietiging der gildenmagt in Groningen (Groningen z.j.); Geschiedenis van het beleg van Groningen in 1672 (Groningen 1839); Pleitrede (Groningen 1840); De genezing der oogziekten door J.L.A. Kremer Az., hervormd predikant te Heeze (Den Haag 1842);'De schildwacht voor Nieuwpoort' in: Groninger Volksalmanak voor 1843; Levensschets van Willem de Tweede (Antwerpen 1847).

Literatuur: 

W.P. Sautijn Kluit, 'De Tolk der Vrijheid' in: De Nederlandsche Spectator, 1877; W.P. Sautijn Kluit, 'De Star der Hoop' in: De Navorscher, 1893; K. ter Laan, 'Eillert Meeter' in: Maandblad Groningen, 1943, 29-31; M.J.F. Robijns, Radicalen in Nederland (1840-1851) (Leiden 1967); A. de Leeuw, Eillert Meeter. Het leven van een vervolgd radikaal (kandidaatsscriptie Amsterdam 1972); J.G. Kikkert, 'Een republikein in het Koninkrijk der Nederlanden' in: Intermediair, 23.5.1975, 41-45.

Portret: 

E. Meeter, geen portret bekend; De Ooyevaar nr. 1 1844, Nederlands Persmuseum

Auteur: 
M.J.F. Robijns
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 132-135
Laatst gewijzigd: 

26-08-2002