ROSA, Andries de

Andries de Rosa

(roepnamen: Dries, Andriès), bondsraadslid van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond en oprichter van de Arbeiders Vereeniging voor Lijkverbranding, is geboren te Amsterdam op 4 april 1869 en omgekomen te Sobibor op 30 april 1943. Hij was de zoon van Gerrit Andries de Rosa, kleermaker, en Vrouwtje Davidson, pettenmaakster. Op 20 augustus 1897 trad De Rosa in het huwelijk met Delphine Dreese, kort na de geboorte van hun tweede kind. Het echtpaar kreeg uiteindelijk drie dochters en twee zoons kreeg.
Pseudoniem: Armand du Roche.

Over de jeugd van De Rosa is niet veel meer bekend dan dat hij geboren werd in het hartje van de Amsterdamse jodenbuurt als het zesde van twaalf kinderen. Uit het feit dat hij na de lagere school werd opgeleid tot diamantsnijder kan worden opgemaakt dat zijn ouders niet tot de allerarmsten in het getto behoorden. Diamantsnijders genoten immers een hoger sociaal aanzien dan diamantslijpers. Werkelijke liefde voor het diamantvak heeft De Rosa nooit opgevat. Zijn verhuizing naar Parijs in september 1892 betekende dan ook het voorlopig einde van zijn loopbaan als diamantbewerker. In de Franse metropool verdiende de autodidact De Rosa de eerste jaren als musicus net genoeg om niet te verhongeren en schreef ondertussen reeksen serieuze en minder serieuze composities voor diverse instrumentale en vocale combinaties. De uitgever E. Gallet vond een paar stukjes voor viool en piano de moeite waard en publiceerde ze onder het pseudoniem Armand du Roche. Van grotere betekenis voor De Rosa's verdere levens loop werd de kennismaking in 1894 met de jonge avant-garde-literator Saint Georges de Bouhélier (pseudoniem voor G. Lepelletier). De Bouhélier, op dat moment een soort wonderkind in de Franse literatuur, introduceerde als auteur een nieuwe stroming: het 'naturisme'. Met een aantal geestverwanten, onder wie de latere schoonzoon van Emile Zola, M. Le Blond, zette Bouhélier zich af tegen het in zijn ogen al te gekunstelde symbolisme van St. Mallarmé en bezong op nogal hoogdravende wijze het zogenaamd natuurlijke. Vrijwel dagelijks verkeerde De Rosa met De Bouhélier. Hij werd dan ook vast medewerker voor muziek van diens tussen 1894 en 1901 verschijnende maandblad Le Rêve et l'Idée. Korte tijd trad De Rosa's boezemvriend Israël Querido op als mederedacteur en er verschenen zelfs enige deels Nederlandse nummers van het blad. Op 24 november 1897 vestigde hij zich weer in Amsterdam. Na de geboorte van zijn tweede kind in 1897 moest De Rosa weer als diamantsnijder de kost verdienen, wat hem echter niet weerhield zich na zijn tweede verhuizing naar Parijs in augustus 1899 met hart en ziel in het Parijse kunstleven te storten. Zijn benoeming in 1901 tot secretaris van de Parijse diamantbewerkersbond betekende het begin van een levenslange vriendschap met de in veel opzichten gelijkgestemde Henri Polak, voorzitter van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB). Aan internationale diamantbewerkerscongressen leverde hij door zijn beheersing van het Frans en door zijn tactvol optreden als tolk-vertaler een zeer gewaardeerde bijdrage. Opmerkelijk waren de contacten die De Rosa in zijn Parijse tijd legde met vooraanstaande Franse kunstenaars en politici zoals de componist G. Charpentier (bekend vooral om zijn volksopera 'Louise'), de latere minister-president J.P. Boncour en de literatoren Zola en Paul Verlaine. Op indringende wijze beschreef hij in 1917-1918 in een artikelenserie 'Parijsche filmpjes' in het Weekblad voor Stad en Land zijn ontmoetingen met beide auteurs. Tijdens de Dreyfus-affaire behoorde De Rosa's vriend De Bouhélier tot de kleine schare jonge Zola-adepten die verhinderden dat hun vereerde meester bij het verlaten van de rechtbank door de tegen hem opgezweepte menigte werd gelyncht. Actief was De Rosa ook in de beweging die op initiatief van de auteur Anatole France via volksuniversiteiten arbeiders belangstelling voor kunst en cultuur trachtte bij te brengen. Zo hield hij lezingen over muziek voor het door De Bouhélier in 1901 als volksuniversiteit opgezette Collège d'Esthétique Moderne. Zola reageerde positief op De Rosa's verzoek om als erevoorzitter van dit gezelschap op te treden. In 1905 richtte De Rosa voor in Parijs werkzame Nederlandse werklieden de vereniging Hollandia op, die voor haar leden regelmatig culturele avonden met bal na organiseerde. Naast werk van bekende componisten (Beethoven, Mendelssohn) werden hier ook De Rosa's eigen composities uitgevoerd. Hollandia was ook een soort volksuniversiteit, want het sloot zich aan bij de Fédération d'Universités Populaires. Voor de volksuniversiteit van de Faubourg Saint Antoine hield De Rosa in 1909 een aantal lezingen over het werk van De Bouhélier, die vervolgens in boekvorm werden gepubliceerd: Saint Georges de Bouhélier et le naturisme (Parijs 1910).

Door een crisis in de Parijse diamantindustrie werd De Rosa in maart 1912 genoodzaakt naar Amsterdam terug te keren, dit keer definitief. In de ANDB speelde hij spoedig een vooraanstaande rol, eerst als lid van de Bondsraad, daarna als lid respectievelijk voorzitter van de Commissie van Maatschappelijk Werk, die zich vooral toelegde op de culturele vorming van de bondsleden. In december 1919 nam De Rosa, die al in zijn Parijse tijd een voorstander van crematie werd, samen met een aantal joodse leden van de ANDB, onder wie M. Pam, het initiatief tot oprichting van de Arbeiders-Vereeniging voor Lijkverbranding (AVVL). De AVVL werd in eerste instantie opgericht omdat het vervoer naar het enige door de overheid gedoogde crematorium, Westerveld, voor arbeiders onbetaalbaar was. De Rosa en zijn geestverwanten zorgden ervoor dat in Nederland leden, onafhankelijk van de afstand van hun woonplaats tot Westerveld, bij overlijden daarheen werden vervoerd en vervolgens gecremeerd, tegen betaling van premies die nauwelijks hoger lagen dan die van een gewoon begrafenisfonds. Dit laatste was aanvankelijk alleen mogelijk doordat de leden van het dagelijkse bestuur van de AVVL uitsluitend een vergoeding voor gemaakte onkosten kregen. Lijkverbranding was naar de mening van De Rosa en zijn vrienden hygiënischer, esthetischer en piëteitsvoller dan begraven. Cremeren maakte volgens hen deel uit van de nieuwe seculiere socialistische cultuur die zij voorstonden, een cultuur waartegen tijdens het interbellum godsdienstige groeperingen, christelijke zowel als joodse, zich voortdurend afzetten. In 1926 raakte Pam hierdoor in een felle polemiek met rabbijn Ph. Coppenhagen. In De Urn, het orgaan van de AVVL, trachtte Pam met theologische argumenten Coppenhagens in De Vrijdagavond verkondigde mening te ontzenuwen dat crematie strijdig was met de joodse godsdienst. Door het snel toenemende ledental van de AVVL en de stelselmatige groei van het aantal afdelingen in de provincie breidden De Rosa's activiteiten voor de organisatie zich voortdurend uit. Hij schreef propagandabrochures om leden te werven, organiseerde culturele manifestaties voor leden en reisde stad en land af om zijn crematie-idee ingang te doen vinden bij in de eerste plaats socialistisch gezinde arbeiders. In december 1924 werd De Rosa belast met de redactie van het toen opgerichte AVVL-blad De Urn. Opmerkelijk waren hierin niet alleen De Rosa's eigen, in een nogal hoogdravende literaire stijl geschreven beschouwingen, maar ook de bijdragen van AVVL-sympathisanten als de Franse auteur Henri Barbusse en de tijdens zijn leven als genie bewierookte schrijver Israël Querido. Deze schokte de lezers met de beschrijving van het lot van een niet gecremeerd maar begraven stoffelijk overschot. Uit een brief van Polak, waarin deze De Rosa gelukwenste met het eerste nummer van De Urn, kan men opmaken dat De Rosa voor zijn redactiewerkzaamheden van de AVVL een vaste toelage kreeg. De Rosa had namelijk zijn ANDB-lidmaatschap opgezegd toen hij niet langer als diamantsnijder werkzaam was. Polak verheugde zich in zijn brief over het feit dat De Rosa dank zij zijn nieuwe werkkring 'zonder groote zorgen voor het dagelijksch brood' een veel groter deel van zijn tijd kon geven aan de opbouw van een literaire carrière. De Rosa's bijdragen aan de literatuur zouden zich overigens voornamelijk beperken tot het vertalen van Franse boeken in het Nederlands (Barbusse, Romain Rolland), een enkele maal ook van het Nederlands in het Frans. Zijn Franse vertaling van Querido's roman De Jordaan werd zelfs enige malen herdrukt. Op zestigjarige leeftijd publiceerde De Rosa zijn eerste en enige roman: Sarah Crémieux. Parijsche roman (Amsterdam 1929). Het grotendeels autobiografische verhaal is geen literair meesterwerk, maar de spannende plot en de humoristisch-sarcastische beschrijving van enige Parijse diamantairs en hun personeel levert wel onderhoudende lectuur op. Een geïdealiseerd, onhistorisch beeld schetst De Rosa van de syndicalistische voorzitter van de Parijse diamantbewerkersbond, E. Le Guéry.

In 1941 noopte de Duitse bezetting De Rosa en zijn joodse medebestuurders van de AVVL hun functie 'vrijwillig' neer te leggen. In februari 1943 werden Andries de Rosa en zijn ernstig zieke vrouw Delphine in het doorgangskamp Westerbork opgesloten. Op 26 april 1943 werden zij naar het vernietigingskamp Sobibor doorgestuurd en daar direct na aankomst vergast. Zijn dochters Virginie en de gemengd gehuwde Ada evenals zoon Georges overleefden de oorlog. In januari 1943 had De Rosa een uitvoerige, in het Frans gestelde brief doen toekomen aan zijn ondergedoken dochter Virginie. De brief is daarom zo aangrijpend omdat er uit blijkt dat De Rosa onder de meest dramatische omstandigheden niet alleen niets van zijn geestkracht had verloren, maar bovendien het belang van zijn naasten zwaarder liet wegen dan dat van hemzelf.

Archief: 

Archief Andries de Rosa in Joods Historisch Museum (Amsterdam).

Publicaties: 

Wat wil de Arbeidersvereeniging voor lijkverbranding? (Amsterdam 1925) De verzorging der doden door krematie (Amsterdam 1933); 'Herdenkingsrede' in: Henri Barbusse. Over zijn leven en zijn werk (Amsterdam 1935).

Literatuur: 

A.M. de Jong, 'Van vertalingen en vertalers II' in: De Nieuwe Stem, 1918-1919, I, 167-173; A.M. de Jong, 'De hel van Barbusse en de Hollandse zedelijkheid' in: De Nieuwe Stem, 1918-1919, II, 183-201; K. de Wind, Rond het leven van Israël Querido (Amsterdam 1933); M. Kijzer, 'Andries de Rosa zeventig jaar' in: Centraal Blad voor Israëlieten in Nederland, 4.5.1939; St.G. de Bouhélier, Le printemps d'une génération (Parijs 1946); S. Bloemgarten, 'Andries de Rosa: op de bres voor het schone en het goede' in: Vijfenzeventig jaar AVVL. In woord en beeld (z.pl. 1995) 16-25.

Portret: 

A. de Rosa, uit: bijvoegsel bij De Urn, 1939, april, archief AVVL uitvaartzorg NV (Diemen)

Auteur: 
Salvador Bloemgarten
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 185-188
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003