COLLEM, Abraham Eliazer van

Abraham Eliazer van Collem

(roepnaam: Bram), socialistisch dichter, is geboren te Rotterdam op 13 oktober 1858 en overleden te Heemstede op 3 november 1933. Hij was de zoon van Eliazar van Collem, venter in manufacturen, en Jetta Vroman, marktkoopvrouw. Op 20 augustus 1890 trad hij in het huwelijk met Henriette Prins, met wie hij drie dochters en een zoon kreeg.
Pseudoniemen: Lodewijk Gangwater, Bram Westergeest.

Van Collem werd geboren in de Rotterdamse jodenhoek. Na een minimale schoolopleiding kwam hij net als de meesten van zijn buurtgenoten in de textielbranche terecht. Hij zou er zijn hele leven blijven werken, eerst in de handel, dan als zelfstandige met een engros-zaak en later, na ernstige financiële tegenslag, als handelsreiziger. Nog in 1930 reisde hij in Parijs met monsters van stoffen de handelaren af. Van Collem, die in 1890 in Amsterdam trouwde, verhuisde vijf jaar later met zijn gezin naar de hoofdstad. Zijn gedichten krabbelde hij wel in versleten orderboekjes op. De pogroms in Rusland in de jaren tachtig maakten een diepe indruk op hem. Ten bate van de vluchtelingen schreef hij een reeks beschouwingen, die in 1891 onder de titel Russische melodieën werden gepubliceerd. Van Collem heeft zich altijd voor de emancipatie van misdeelden en verdrukten ingezet. Onder de indruk van de denkbeelden van Theodor Herzl werd hij zionist. Hij was de eerste voorzitter van de mede door hem in 1899 opgerichte Nederlandsche Zionistenbond. Dit was de enige leidende functie die van Collem ooit in een organisatie heeft bekleed. Het bleek een vergissing. Al spoedig beschouwde hij het zionisme niet meer als middel tot verheffing van het joodse proletariaat. Die kon zijns inziens alleen door het socialisme worden bereikt. Binnen een jaar trad hij af als voorzitter en nam afscheid van het zionisme (mei 1900).

Van Collem was socialist geworden na het bijwonen van een lezing van Henriette Roland Holst over Thomas More en het socialisme. In de SDAP behoorde Van Collem tot de radicaal-marxistische richting. Tussen 1900 en 1910 nam hij afstand van de sociaal-democratie, die naar zijn mening te reformistisch was geworden. Geïnspireerd door de Revolutie in Rusland werd hij communist maar bij een partij heeft hij zich waarschijnlijk niet meer aangesloten. Wel schreef hij in De Tribune. In 1920 kwam hij met zijn poging begrip te wekken voor het waardevolle in de eigentijdse burgerlijke kunst in conflict met J.A.N. Knuttel, die deze kunst decadent en stervend achtte. In de polemiek raakte de weinig polemische en niet vasthoudende Van Collem al snel op de achtergrond. Hoewel zijn dichterschap pas laat tot volle ontplooiing kwam, had Van Collem als jongen van veertien jaar al zoveel literaire belangstelling dat hij Multatuli durfde opzoeken toen deze in Rotterdam was. Het was vooral zijn schoonvader, die het creatieve genie en de joodse dichterlijke stem in Van Collem ontdekte. Van Collem was een self-made man, die door zijn gebrekkige opleiding oneindig veel heeft moeten bijspijkeren. Hij publiceerde feuilletons en gedichten in De Kroniek, De Jonge Gids, De Nieuwe Tijd (waaraan hij van 1903 tot het einde van dit blad in 1921 meewerkte) en De Nieuwe Amsterdammer. Een aantal van deze gedichten is opgenomen in de bundel Van stad en land (Rotterdam 1906). Zijn eerste belangrijke bundel Liederen van huisvlijt (Bussum 1917) verscheen toen hij al bijna zestig jaar oud was. Daarna volgden in snel tempo andere liederenbundels, met als laatste het grote dichtwerk God (Amsterdam 1930). Het werk van Van Collem heeft een sterk joodse, socialistische en religieuze inslag. Zijn diep religieuze gevoel kreeg vorm in een pantheïstische levensbeschouwing. Opstandigheid en toekomstverwachting spreken uit zijn werk. De Russische Revolutie heeft grote invloed op Van Collem gehad. In zijn eigen woorden: 'Hij [de dichter, vP] luistert naar het Communisme / Er is niets dan het Communisme / Er is niets dan het wonder' ('Het Wonder', proza-gedicht, 1920). Van Collem leefde in de zekerheid van het socialisme, bij hem 'Communisme', dat zou uitmonden in de nieuwe gemeenschap van de mensen. Hij zag zichzelf als een 'Ziener naar de toekomst' en zijn dichtkunst diende een groeiende bewustwording van bestaand onrecht en de komst van een betere toekomst. Van Collem is wel 'proletarisch dichter' genoemd. Anders dan zijn grote leermeesters Henriette Roland Holst en Herman Gorter was hij dat, maar slechts voor een deel van zijn oeuvre. Gedichten als 'Gebed te Waalwijk' en 'Slachtveld' zijn beroemd geworden en ontbraken op geen voordrachtavond van de arbeidersbeweging en in geen bloemlezing. Zelf zag hij wel de betrekkelijkheid van zijn doelstelling. Toen de voordrachtkunstenaar Frans Hulleman hem eens in de jaren van de Eerste Wereldoorlog ontmoette en vertelde welk een overweldigend succes hij met 'Slachtveld' bij een Zaans arbeiderspubliek had, antwoordde Van Collem: 'Ach kerel, het kan me niet schelen. Want ze blijven elkander vermoorden. Het geeft allemaal niets wat je doet, wat je dicht, want je verandert aan de toestand niets.' Van Collem schreef ook gedichten die door hun abstracte niveau nauwelijks voor arbeiders begrijpelijk waren.

Van Collem was een opgewekt man, zachtmoedig en vol humor. Hij was, ook als bekend dichter, een stil en teruggetrokken mens die naar bekendheid, roem noch invloed streefde. Hij was een bezield socialist met een filosofische inslag maar behoorde niet tot de intellectuele socialistische dichters zoals zijn vriend H. Gorter. Zijn gedichten zijn niet altijd gaaf, soms onhandig, maar wel levend en kleurig. Ze bevatten veel van de maatschappelijke ellende en nooddruft, veel van de smart en de jammerlijkheid van de armen, veel van de hoop van de strijdenden. Het zuivere sentiment van zijn gedichten sprak de arbeiders aan. Dat was wat hem voor ogen stond: met zijn werk bijdragen tot het bewustwordingsproces van het proletariaat.

Archief: 

Collectie A.E. van Collem (manuscripten, correspondentie en knipselarchief) in Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Den Haag).

Publicaties: 

Behalve de genoemde: Opstandige liederen (Bussum 1919); Van God en van de natuur (Bussum 1921); Liederen der gemeenschap (Bussum 1922); Van de nieuwe gemeenschap der menschen (Bussum 1924); De soldaten (Bussum 1927); Bloemlezingen: door E. Vos-Van Collem (Amsterdam 1932; met inleiding van H. Roland Holst); door A. Morriën (Amsterdam 1955).

Literatuur: 

A. van Collem-Van stad en land' in: Is. Querido, Letterkundig leven I (Amsterdam 1916) 133-146; F. Bastiaanse, Overzicht van de ontwikkeling der Nederlandsche letterkunde IV (z.pl. 1927); J.F. Ankersmit, 'Bij het verscheiden van den socialistischen dichter A. van Collem' in: De Socialistische Gids, 1933, 825-827; F. Hulleman, 'De dichter A. van Collem' in: De Sociaal-Demokraat, 24.11.1933; H. Roland Holst, 'In memoriam A. van Collem' in: De Nieuwe Weg, 1933, 321-322, ook in: Vrienden ter gedachtenis (Amsterdam 1955) 7-9; H.P.L. Wiessing, 'Rondom Van Collem's begrafenis' in: Bevrijding, 1933, 115 e.v.; Th.W.M. Sengers, Dichters en God. Het godsbeeld in de nieuwe Nederlandse lyriek 1880-1940 (Bussum 1955); G.W. Huygens, 'Abraham Eliazer van Collem. Een vergeten dichter herdacht' in: Nieuwe Rotterdamse Courant, 18.10.1958; J.J. Meijer, Zij lieten hun sporen na (Utrecht 1964); J.J. Meijer, Waar wij ballingen zijn (Den Haag 1968) 35-37; Lukas Peregrijn, Al bleef ik eeuwig ongelezen. Tijdgenoten der tachtigers die tachtig meden of bestreden. Een bundel romantische en opstandige verzen bijeengebracht door - (Den Haag 1974); J.J. Meijer, Ventende profeet. Het joodse dichterschap van A. van Collem (1858-1933) (Heemstede 1980); G. Harmsen, Nederlands kommunisme (Nijmegen 1982) 249-251, 310-311; G.J. de Vries, Ik heb geen verstand van poëzie. G.A. van Oorschot als uitgever van poëzie (Amsterdam 1995); Elsbeth Etty, Liefde is heel het leven niet. Henriette Roland Holst 1869-1952 (z.pl. 1996); F. Püttmann e.a. (red.), Markante Nederlandse zionisten (Amsterdam 1996); E. Gans, De kleine verschillen die het leven uitmaken. Een historische studie naar joodse sociaal-democraten en socialistisch-zionisten in Nederland (Amsterdam 1999); L. Tibbe, Vier kunstdebatten omstreeks 1900 (Nijmegen 2000); M. Kemperink, Het verloren paradijs. De literatuur en de cultuur van het Nederlandse fin de siècle (Amsterdam 2001).

Portret: 

A.E. van Collem, uit: De Toorts, 1933, 169

Auteur: 
Philip van Praag
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 29-30
Laatst gewijzigd: 

05-02-2003