GORTER, Herman

Herman Gorter

(roepnaam: Pans), socialistisch dichter en propagandist, is geboren te Wormerveer op 26 november 1864 en overleden te Brussel op 15 september 1927. Hij was de zoon van Simon Gorter, doopsgezind predikant en letterkundige, en Johanna Catharina Lugt, pensionhoudster. Op 17 juli 1890 trad hij in het huwelijk met Louise Catherine Cnoop Koopmans. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Gorter stamde van vaderskant uit een geslacht van doopsgezinde predikanten. Zijn vader was naast zijn werk als dominee actief als literator en schreef tussen 1865 en 1870 essays, reisverhalen en literaire kritieken voor De Gids. Vlak voor zijn dood in 1871 was hij bovendien ruim een jaar hoofdredacteur van de kort daarvoor opgerichte Amsterdamse krant Het Nieuws van den Dag. Gorter was zes toen hij zijn vader verloor en kan van hem nauwelijks een andere indruk hebben gehad dan van ziekte en zorgen. Maar de kennisname van de gebundelde Letterkundige Studiën (1871) van zijn vader was mogelijk een belangrijke stimulans voor zijn dichterschap. In een artikel 'Over beeldspraak' had Simon Gorter zich een opvallend modern literatuurcriticus betoond, die afkerig was van retoriek en gespitst op oorspronkelijkheid en zuiverheid van stijl. F. van Eeden noemde hem 'teder en romantisch, maar ook stug en onbuigzaam'. Gorters moeder, afkomstig uit een Amsterdams geslacht van doopsgezinde kooplui, bracht haar kinderen groot met een kleine uitkering en haar verdiensten als pensionhoudster. Gorter studeerde klassieke talen in Amsterdam. Hij raakte spoedig bekend met de dichters uit de kring van de Tachtigers. In hetzelfde jaar waarin Gorter de doctorstitel behaalde verscheen zijn Mei. Een gedicht (Amsterdam 1889), een naturalistisch-impressionistisch maar ook filosofisch-mystiek dichtwerk, dat, geïnspireerd vanuit de neo-romantiek en het symbolisme, overstroomt van de verrukking over de natuur. Het maakte Gorter in één klap tot een van de meest geroemde dichters van zijn generatie. Het weergeven van natuurimpressies en eigen gewaarwordingen voerde Gorter door middel van een zeer individueel taalgebruik tot het uiterste door in de bundel Verzen (Amsterdam 1890). Na deze bundel raakte hij in een groot geestelijk vacuüm, waarin elke inspiratie hem ontbrak. Zijn onzekerheid werd verergerd door de manier waarop hij in zijn levensonderhoud voorzag. Nadat hij in 1890 getrouwd was met de Haarlemse patriciërsdochter Wies Cnoop Koopmans werd hij leraar klassieke talen aan het Stedelijk Gymnasium in Amersfoort. Door zijn sensibele houding bleek hij ongeschikt voor het leraarschap. Hij ergerde zich voortdurend aan het gedrag van zijn leerlingen en zijn collega's. In deze crisisperiode was het vooral zijn moeder die er met lange, bemoedigende brieven in slaagde zijn leven in rustiger banen te leiden. Gorter besloot zich voortaan aan zijn sociale omgeving uitsluitend te tonen als de sterke, de gezonde en van zichzelf verzekerde. Bovendien ging hij op zoek naar een vaste levensovertuiging. Dat bracht een breuk met de Tachtigers. Deze geestelijke crisis was niet alleen de neerslag van een persoonlijke ontwikkeling, maar ook een deel van de vernieuwing die de culturele voorhoede in Nederland aan het begin van de jaren negentig doormaakte. Gorter vervulde in dit vernieuwingsproces een voortrekkersrol. In zijn sensitieve Verzen werd deze vernieuwing al aangekondigd. In navolging van L. van Deyssel zocht hij in het sensitivisme de poëtische weergave van extatische en mystieke ervaringen. Met die opvatting was de stap gezet naar het symbolisme. Kort na 1890 maakten diverse Tachtigers deze overstap. Ze hadden veel belangstelling voor filosofie, esoterische wetenschappen en allerlei vormen van mystiek. Zij zagen de filosofie van B. de Spinoza als voorbeeld voor het zuivere denken tegenover de overmacht aan indrukken en aandoeningen van de voorgaande periode. Ongeveer vier jaar lang was Gorter ervan overtuigd dat hij in de leer van Spinoza de absolute waarheid over het wezen der wereld kon vinden. In 1893 nam hij ontslag als leraar en verhuisde hij naar Bussum. Daar wijdde hij zich enkele jaren volledig aan de literatuur en de filosofie. In 1895 verscheen van zijn hand een vertaling van Spinoza's Ethica (Den Haag 1895). Ook in 'Spinozistische gedichten' (1892-1896) blijkt dat hij niet alleen verlangde naar ethische richtlijnen, maar naar verrukking en verheerlijking, naar mystieke hallucinatie in dienstbaarheid aan het absolute. In de volgende jaren transformeerden de symbolistische kunstopvattingen in Nederland zich geleidelijk in de richting van een cultureel gemeenschapsbesef. Hieruit groeide het ideaal van de 'monumentale kunst' of 'gemeenschapskunst'. Een samengaan van mystiek en maatschappelijke hervormingswil was kenmerkend voor deze kunstopvattingen. Wanneer alle takken van kunst zich gezamenlijk zouden inspannen voor een 'algemene Idee', dan zou er opnieuw een omvattende stijl als de gotiek of de barok ontstaan, die de hele samenleving op een hoger plan zou kunnen brengen. Vanuit een radicaal individualisme had zich aldus halverwege de jaren negentig een ommekeer voltrokken naar extreme maatschappelijke aspiraties.

Vanaf omstreeks 1895 raakten de moderne kunstenaars en intellectuelen in de ban van uiteenlopende sociale filosofieën. Als belangrijkste inspiratiebronnen dienden zich aan: een romantisch katholicisme, de theorieën over kunst en samenleving van Richard Wagner, het Engels utopisch socialisme van John Ruskin en William Morris en - tegen de eeuwwisseling - het Duitse socialisme van Karl Kautsky en Franz Mehring. Gorter koos voor het orthodoxe marxisme, dat naar Nederland overwaaide vanuit de Duitse arbeidersbeweging. Hij werd daartoe aangezet door zijn aangetrouwde neef Franc van der Goes, die in de jaren negentig in Nederland een van de weinige kenners van het marxisme was. Vooral Marx' revolutie-theorie was voor Gorter een openbaring. Hierin vond hij een grotere zekerheid over zichzelf, de natuur en de mensheid dan in de leerstellingen van Spinoza. Hij raakte gefascineerd door de via Kautsky gepopulariseerde voorspelling, dat in de nabije toekomst door mensenhanden een paradijselijk geluk op aarde gebracht kon worden. Na zijn crisis van 1890 heeft Gorter de eigenschappen van zichzelf die hem als weekheid of tederheid voorkwamen, bewust verdrongen. Hij koos een harde levenslijn. Hij wilde heldhaftig en strijdvaardig zijn, zich manmoedig wijden aan een hoogstaand doel. In een socialistische partij kon deze levenshouding, meende hij, tot haar recht komen. Hier lag voor hem als intellectueel en dichter de mogelijkheid om zich volledig te ontplooien, te schitteren zelfs en om zich tegelijkertijd opgenomen te voelen in een grote, vitale gemeenschap. In 1897 werd hij lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en een jaar later redacteur van De Nieuwe Tijd, het door Van der Goes opgerichte wetenschappelijke maandschrift van de Nederlandse sociaal-democratie. Sindsdien stond hij als gepassioneerde partijganger midden in de arbeidersbeweging. Veruit het grootste deel van zijn tijd besteedde hij eraan. Het sprak destijds vanzelf dat hij dit werk onbezoldigd deed. Dat kon hij zich ook veroorloven, want, hoewel hij na zijn ontslagneming slechts een schamele boterham verdiende met het geven van bijlessen aan gymnasiasten bij hem thuis, was begin 1895 de rijke vader van zijn vrouw overleden. Het echtpaar Gorter kon voortaan rondkomen van de opbrengsten van diens erfenis. Een belangrijk deel van dit kapitaaltje werd bovendien geïnvesteerd in de sociaal-democratie. Het maandblad De Nieuwe Tijd heeft tijdens de eerste jaren van zijn bestaan vooral geprofiteerd van de geldelijke steun van de Gorters. Het echtpaar Gorter, dat tot hun grote verdriet levenslang kinderloos is gebleven, bleef overigens vrij sober leven in hun eenvoudig, door de architect H.P. Berlage gebouwd huisje in Bussum, waar zij in 1893 waren ingetrokken. Roken was in hun huishouden taboe en alcohol vrijwel uitgesloten, terwijl hun maaltijden overwegend vegetarisch waren.

Gorter was zelf geen diepgravend of oorspronkelijk theoreticus. Bij het formuleren van zijn wereldbeschouwing heeft hij zich zijn leven lang gericht naar leermeesters met wie hij geregeld persoonlijk contact had. Tot halverwege de jaren negentig waren dat Willem Kloos, Albert Verwey en Lodewijk van Deyssel. Als socialist, later communist, was hij de leerling van Karl Kautsky en, vanaf omstreeks 1910, Anton Pannekoek. In de arbeidersbeweging profileerde Gorter zich vooral als propagandist en agitator. Hij was een vaardig spreker op partijbijeenkomsten, een veel gelezen pamflettist en een ijverig journalist van zijn partijkrant. Veel gelezen en in bijna alle Europese landen vertaald werd zijn brochure Het historisch materialisme. Voor arbeiders verklaard (Amsterdam 1908). Tegenover zijn publiek presenteerde hij zich als een intellectueel die afkomstig was uit de gezeten burgerij. Op de arbeiders in zijn partij kwam hij eerder over als deftig onderwijzer dan als 'kameraad'. Hij ging steeds keurig gekleed - stijve boord, lorgnetje, strohoed - en onderhield elitaire liefhebberijen, zoals tennis, cricket, bergsport en zeilen, die bij zijn 'proletarische' partijgenoten ergernis wekten. Gorter opereerde in de politiek bovenal als rechtlijnig idealist. Scholingsarbeid en agitatie waren hem meer op het lijf geschreven dan het dragen van bestuurlijke verantwoordelijkheden of het functioneren in overlegstructuren. De drang om zich vol overgave te wijden aan de zaak van de socialistische toekomstmaatschappij leidde ertoe dat hij zich in politieke en theoretische kwesties meestal steil en hardnekkig opstelde. Voordat hij een beslissing over strijdvragen nam, was hij altijd wel bereid naar de argumenten van anderen te luisteren. Maar stond zijn besluit eenmaal vast, dan kon niets of niemand hem daarvan afbrengen. Dan was hij bereid voor zijn standpunt het scherpste conflict, zelfs een volledige breuk met zijn partijgenoten te riskeren. Als dogmatische marxist kwam hij keer op keer in conflict met de leiding van de partij. Van 1901 tot 1906 trad hij op als de aanvoerder van de Nieuwe Tijd-groep. Bij de linkse aanvallen op de partijleiding beet hij vaak de spits af en op de jaarcongressen was hij meestal degene die het standpunt van de oppositionele minderheid verwoordde. Zijn belangrijkste tegenspeler was P.J. Troelstra. Voor het front van de congresafgevaardigden stonden zij beiden, de gedreven propagandist en de talentvolle parlementariër, herhaaldelijk als twee kemphanen tegenover elkaar en scholden zij in zeer vijandige, soms persoonlijk beledigende termen elkaar de huid vol. In 1908 sloot Gorter zich aan bij de groep van linkse partij-opposanten die zich had verzameld rond het marxistische weekblad De Tribune. Kort na het partijcongres van Deventer in 1909 verliet hij samen met deze groep de SDAP. Hij was een kleine twee jaar lang actief in het bestuur van de afgesplitste, links-socialistische partij, de Sociaal-Democratische Partij (SDP), die na de Russische revolutie haar naam zou wijzigen in Communistische Partij in Nederland (CPN). Vanaf eind 1910 trok hij zich gedurende een aantal jaren terug uit het partijleven om zich helemaal te wijden aan de poëzie.

Als dichter van het socialisme had Gorter een pretentieus doel voor ogen. Hij hoopte de grondslagen te leggen voor een heel nieuwe kunstvorm, de socialistische poëzie, en daarmee de Nederlandse literatuur tot ongekende hoogten te doen stijgen. De neerslag van zijn poëtische inspanningen tijdens zijn SDAP-tijd vindt men in de bundel Verzen (Amsterdam 1903) en Een klein heldendicht (Amsterdam 1906). Zijn dichterschap is steeds gedragen door een overwegend lyrische kracht, zoals in zijn geniale eersteling 'Mei', maar door zijn ingespannen zoektocht naar waarheid en zekerheid werd zijn poëzie vaak futloos en clichématig. Vooral met het dichtepos Pan (Amsterdam 1912, vermeerderde druk Amsterdam 1916), het grootste project van zijn leven, heeft hij boven zijn macht gegrepen. Gorter schilderde hierin de eenwording van natuur en mensheid, die tot stand zou komen nadat de maatschappij de volgende, uitvoerig beschreven stadia zou hebben doorlopen: het ontwaken der arbeidersklasse, de oorlog, de revolutie en de bevrijding van het proletariaat. Toch bevat Gorters latere dichtwerk veel magistrale passages. Maar opvallend genoeg waren dat juist die gedeelten waar de dichter zich, als vanouds, heeft laten inspireren door zijn 'zinsverrukking': de passages waarin hij de maatschappij verbeeldde in natuurmotieven of waarin hij voor de toekomstige mensheid de gestalte koos van een ideale geliefde. Zelfs in de meest zwaarwichtige, doctrinair geladen epiek breken onverwachts fijnzinnige lyrische passages door. Het is dan, alsof het kind in de dichter even losbreekt en zich laat horen met de zingende stem van de 'zoete kleine Mei'. Toen Gorter 47 jaar oud was, belandde hij opnieuw in een zware psychische crisis. In het voorjaar van 1911 had hij zich teruggetrokken in Bergen aan Zee om zich aan de poëzie te wijden. Hij leefde daar in een soort extase. Niet alleen werkte hij onder hoogspanning, ook forceerde hij zichzelf tot onmatig zware sportieve prestaties, bijvoorbeeld door zich ver en lang in zee te wagen. Terwijl hij, in juli 1911, de laatste regels schreef van de eerste versie van het epos 'Pan', werd hij getroffen door een lichte hartaanval. Na maanden rust herstelde hij redelijk, maar sindsdien was hij, tot aan zijn dood, regelmatig depressief en lichamelijk ziek. Hij leed aan hartkloppingen, ademnood en flinke keelinfecties. Het meest van al kwelde hem de 'lichen', een huidziekte die hem zware slaapstoornissen bezorgde. Het is mogelijk dat zijn nervositeit in de hand werd gewerkt, doordat hij vanaf 1911 een gecompliceerd liefdesleven leidde. Naast zijn vrouw had hij twee vaste vriendinnen: Ada Prins en Jenne Clinge Doorenbos. Toen zijn vrouw halverwege de Eerste Wereldoorlog overleed, handhaafde hij beide liefdesrelaties. Daarbij deed zich een pijnlijke kwestie voor, die weinig strookte met zijn eigen, luidruchtig uitgedragen principes inzake eerlijkheid. Tegenover Prins verzweeg hij voor de rest van zijn leven dat hij een relatie had met Clinge Doorenbos. Pas op Gorters begrafenis zou dit amoureuze dubbelleven aan het licht komen.

Geïnspireerd door de Russische revolutie werd Gorter in 1917 opnieuw politiek actief. Tegen het einde van de wereldoorlog verbleef hij een jaar lang in Zwitserland, waar hij in contact kwam met een groep uitgeweken Russische revolutionairen van de bolsjewistische richting. Zijn brochure De Wereldrevolutie (Amsterdam 1918) bevatte kritiek op de koers van de leiding van de SDP in Nederland. Net als bij de leiders van de SDAP vroeger meende Gorter opnieuw in de top van zijn partij te veel opportunisme te ontwaren. Zijn aanval richtte zich tegen het driemanschap David Wijnkoop, Willem van Ravesteyn en Jan Ceton, die gedurende de oorlogsjaren aanhoudend hun voorkeur hadden getoond voor een eindoverwinning van de Entente. Op basis van het marxisme mocht men geen voorkeur hebben voor een der strijdende mogendheden. Men moest de ondergang wensen van beide belligerente partijen. Ter verdediging van dit internationalistische standpunt lanceerde Gorter in 1918 vanuit Zwitserland in een serie Tribune-artikelen een genadeloze aanval op de partijleiding. Hierop volgde onvermijdelijk zijn breuk met de Tribunistische partijorganisatie. Zijn radicalisme vervreemdde hem ook van V.I. Lenin en de Russische communisten. Op diens Der Radikalismus. Eine Kinderkrankheit des Kommunismus (1920) antwoordde hij met Offener Brief an den Genossen Lenin (Berlijn 1920). Tegenover Lenins beleid dat gericht was op strakke partijdiscipline en op een monopoliepositie van de communistische partij in de maatschappelijke en staatkundige verhoudingen van Sovjet-Rusland, verdedigde Gorter de principes van 'basisdemocratie'. Hij bepleitte het behoud van de bestuurlijke machtspositie van de in 1917 gevormde arbeiders- en soldatenraden. Gorter klampte zich vast aan het motto 'alle macht aan de raden' en verzette zich voortaan principieel tegen deelname aan verkiezingen en vakbondswerk. Binnen de communistische beweging in Duitsland droeg zijn agitatie in belangrijke mate bij tot de afsplitsing van een zelfstandige, linkscommunistische of 'radencommunistische' partijorganisatie, de Kommunistische Arbeiter-Partei Deutschlands (KAPD). Bij haar oprichting in april 1920 telde de KAPD omstreeks 38.000 leden, meer dan de helft van het totale aantal communisten in Duitsland. Als uitgangspunt aanvaardde zij het denkbeeld dat de revolutionaire strijd moest worden voortgezet in de geest van het radenstelsel. In dit milieu voelde Gorter zich als een vis in het water. In 1921 en 1922 verbleef hij geregeld weken achter elkaar in Berlijn, waar hij zich intensief bemoeide met het beleid van de KAPD. Het radencommunisme propageerde hij in die periode via een groot aantal Duitstalige brochures en artikelen, die hij voorzag van zwaarwichtige titels, zoals Die Klassenkampf-Organisation des Proletariats (Berlijn 1921).

Gorters idealen werden steeds minder bereikbaar. In zijn postuum verschenen dichtwerk De Arbeidersraad (Bussum 1931) weerklonk alleen nog ijle toekomstmuziek: de melodie van het zuiverste, onfeilbare communisme. De laatste jaren van zijn leven waren getekend door ziekte en armoede. Bovendien vervreemdde hij van vrijwel al zijn vrienden, geestverwanten en partijgenoten. Zijn psychische instabiliteit werd daarbij steeds heviger. Bij tijden voelde hij zich oud en moe, op andere dagen jong en vol energie. Intimi zagen dat hij geregeld diep ongelukkig was, maar tegenover buitenstaanders presenteerde hij zichzelf steevast als de dappere strijder voor de goede zaak, een evenwichtige wijsheid uitstralend, zeker van zichzelf en van zijn visie. Gorter overleed in september 1927 aan een aanval van angina pectoris op de terugreis vanuit zijn geliefde Zwitserland in een hotel te Brussel. Met recht hebben Jan en Annie Romein hem, als hekkesluiter, een plek gegeven in hun Erflaters van onze beschaving (1938-1940). Zijn 'Mei' wordt immers algemeen beschouwd als het grootste meesterwerk van de Beweging van Tachtig. Ook Gorters sensitieve 'Verzen' uit 1890 nemen een centrale plaats in binnen de geschiedenis van de Nederlandse letterkunde. Onder invloed van Van Deyssel evoceerde Gorter de natuur op een manier die volstrekt nieuw was voor de Nederlandse poëzie van zijn tijd. Met deze 'Verzen' heeft Gorter impliciet de hele ontwikkeling van de Nederlandse poëzie in de twintigste eeuw aangekondigd. In het Nederlandse taalgebied vormden zij de eerste vrije, soms rijmloze verzen, waarbij de gebruikelijke regels van spraakleer, vormleer en woordkeus vaak ernstig werden geschonden. Op een aantal achtereenvolgende dichtergeneraties heeft Gorters poëzie ingrijpende invloed uitgeoefend. Dat geldt allereerst voor de symbolistische dichters van rond de eeuwwisseling, als J.H. Leopold, Henriette Roland Holst en P.C. Boutens. Van de dichters in het interbellum springen H. Marsman en J.J. Slauerhoff in het oog als prominente Gorter-bewonderaars. De Vijftigers, onder wie Lucebert en P. Rodenko, erkennen de 'Verzen' van 1890 met nadruk als inspiratiebron voor hun avant-garde werk. Maar met zijn latere dichtwerk - zijn literaire Verzamelde werken (Bussum/Amsterdam 1948-1952) beslaan acht dikke delen - maakte Gorter veel minder indruk. Zijn spinozistische verzen uit de jaren negentig en zijn socialistische poëzie vanaf de eeuwwisseling werden weinig gekocht en gelezen en hebben nauwelijks invloed uitgeoefend op jongere dichters. Zijn betekenis voor het nageslacht lag voortaan elders: op het terrein van zijn optreden als socialist en later communist. Terwijl Gorter in Nederland geëerd wordt als dichter, geniet hij in het buitenland vooral vermaardheid als revolutionair, als propagandist van het marxisme. Zijn dichtwerk werd slechts bij uitzondering - in totaal tweemaal - vertaald. Zijn politieke geschriften zijn daarentegen in veel talen over de hele wereld verspreid. Vooral tijdens de marxistische 'revival' van de studentenbeweging in de Westerse landen vanaf 1968 tot halverwege de jaren zeventig werden Gorters politieke brochures geregeld herdrukt in binnen- en buitenland. Als politicus heeft Gorter weliswaar invloed kunnen uitoefenen, maar hij opereerde steeds vanuit kleinschalige organisaties. In de SDAP was hij een gewaardeerde persoonlijkheid tot omstreeks 1907. In die jaren was deze partij in de Nederlandse politiek echter nog nauwelijks een factor van belang. In de in 1909 afgesplitste SDP was Gorter tot halverwege de Eerste Wereldoorlog de 'eerste onder de partijgenoten'. Deze Tribunistische partij begon pas vanaf 1916 haar zeer geringe invloedssfeer uit te breiden. Vanaf zijn breuk met de Tribunisten tot aan zijn overlijden in 1927 was hij een vooraanstaande figuur binnen het radencommunisme, dat vooral aanhang had in Duitsland. Deze stroming zou na een kortstondige fase - in 1920 en 1921 - van enige bedrijvigheid en omvang wegzinken in machteloosheid en onbeduidendheid.

Archief: 

Collectie H. Gorter in Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Den Haag).

Publicaties: 

De interpretatione Aeschyli metaphorarum (Leiden 1890); De school der poëzie (Amsterdam 1897); W. Morris, John Ball en andere vertalingen (Amsterdam 1898; vertaling met H. Roland Holst); J. Dietzgen, Het wezen van den menschelijken hoofdarbeid (Amsterdam 1903; vertaling); K. Marx, F. Engels, Het communistisch manifest (Amsterdam 1904; vertaling); De school der poëzie I-III (Amsterdam 1905); Sociaal-democratie en anarchisme (Amsterdam 1905); De grondslagen der sociaaldemokratie (Amsterdam 1906); K. Kautsky, Ethiek en materialistische geschiedbeschouwing (Rotterdam 1907; vertaling); Klassemoraal. Een antwoord aan Jhr. De Savornin Lohman en Mr. P.J. Troelstra, leden der Tweede Kamer (Amsterdam 1908); K. Kautsky, De weg naar de macht (Rotterdam 1909; vertaling); Sociaal-demokratie en revisionisme (Amsterdam 1909); K. Kautsky, De oorsprong van het christendom (Rotterdam 1912; vertaling); Het imperialisme, de wereldoorlog en de sociaal-democratie (Amsterdam 1914); Verzen I en II (Amsterdam 1916; zelfkeur); Een verklaring van Gorter (z.pl. 1918); V.I. Lenin, Staat en revolutie (Amsterdam 1919; vertaling); Het opportunisme in de Nederlandse Communistische Partij (Amsterdam 1921); Toelichting tot het ontwerp-program der KAP in Nederland (Amsterdam 1921); De Algemeene Abeiders-Bond (Revolutionaire bedrijfsorganisaties) (Amsterdam 1921; vertaling); De Berlijnsche en de Essener Richting (z.pl. 1922); De Sowjetregeering en de Derde Internationale op sleeptouw der internationale bourgeoisie (Amsterdam 1922; vertaling); Die Kommunistische Arbeiter-Internationale (Berlijn 1922); Die Notwendigkeit der Wiedervereinigung der kommunistischen Arbeiter-Parteien Deutschlands (Berlijn 1923); Verzen I en II (Bussum 1928; bezorgd door J. Clinge Doorenbos); In memoriam. Bij den dood eener communiste (Bussum 1928); Liedjes aan de geest der muziek der nieuwe mensheid I-III (Bussum 1928); De arbeidersraad (Bussum 1928); Sonnetten (Bussum 1934); De groote dichters. Nagelaten studieën over de wereldliteratuur en haar maatschappelijke grondslagen (Amsterdam 1935); Herman Gorters kenteringssonnetten (Amsterdam 1946); Gedichten (Bussum 1946); De dag gaat open als een gouden roos (Den Haag 1956); Twintig gedichten in handschrift (Amsterdam 1964); Verzamelde lyriek tot 1905 (Amsterdam 1966); Verzen. De editie van 1890 (Amsterdam 1977); Liedjes (Amsterdam 1981); 'Briefkaarten en brieven van Herman Gorter en anderen aan G.A. Vader, Middenstraat te Weesp' in: BNA, nr. 12, april 1987, 45-47, nr. 14, augustus 1987, 49-68; een overzicht van Gorters artikelen in De Nieuwe Tijd in: Verzamelde werken III (Bussum 1949) 325-328; een overzicht van Gorters artikelen in De Tribune en andere periodieken in: H. de Liagre Böhl, Herman Gorter (Nijmegen 1973) 293-298.

Literatuur: 

W. van Ravesteyn, Herman Gorter, de dichter van Pan. Een heroisch en tragisch leven (Rotterdam 1928); W. van Ravesteyn, 'Een groot dichteres over een groot dichter' in: Critisch Bulletin, december 1933, 337-343; H. Roland Holst, Herman Gorter (Amsterdam 1933); J.C. Brandt Corstius, Herman Gorter. Een bijdrage tot de kennis van zijn leven en werk (Amsterdam 1934); T.J. Langeveld-Bakker, Herman Gorter's dichterlijke ontwikkeling in Mei, Verzen en eerste sonnetten (Groningen 1934); A.S. de Leeuw, 'Herman Gorter en zijn "groote dichters"' in: Politiek en Cultuur, 1936, 501-509, 581-588; J. de Kadt, Herman Gorter. Neen en ja (Amsterdam 1937); H. Marsman, Herman Gorter. Aanteekeningen bij zijn poëzie (Amsterdam 1937); J.W. Kerssemakers, 'Gorters Mei: hoogte, diepte en bezinning in het 80er dichterschap' in: Roeping, 19 (1940), nrs. 1-2, 28-41, 102-113; G. Stuiveling, 'Herman Gorter, de onbekende' in: G. Stuiveling, Rekenschap (Amsterdam 1941) 228-256; M. ter Braak, 'Gorter en Marsman' in: M. ter Braak, In gesprek met de onzen (Rotterdam 1946) 14-20; J.C. Brandt Corstius, 'Duel om het dichterschap. Herman Gorter en de school van Albert Verweij' in: De Vrije Bladen, 8 (1946), nr. 3, 5-45; M. ter Braak, 'Dogma en Muziek. Herman Gorter: De groote dichters' in: M. ter Braak, In gesprek met de vorigen (Rotterdam 1946) 55-63; R. Antonissen, Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst (Utrecht 1946); A. Mussche, Herman Gorter, de weinig bekende (Antwerpen 1946); S. Vestdijk, 'Gorter's verstening' in: S. Vestdijk, Muiterij tegen het etmaal (Den Haag 1947) 11-15; W.J.M.A. Asselbergs, 'Herman Gorter' in: W.J.M.A. Asselbergs, Het tijdperk der vernieuwing van de Noordnederlandse letterkunde (Den Bosch 1951) 147-156; A. Roland Holst, 'Hij was een man aan wonderen gewoon' in: Het Parool, 12.9.1952; A.R. Kleyn, 'Kwartierstaat van Herman Gorter' in: Gens Nostra. Maandblad der Nederlandse genealogische vereniging, 1961, nr. 15, 126-127; D.M. Bakker, 'Over Gorters Verzen van 1890' in: De Nieuwe Taalgids, 57 (1964), nr. 4, 194-200; E. Endt (red.), Herman Gorter. Documentatie 1864-1897 (Amsterdam 1964; tweede vermeerderde druk Amsterdam 1986); G. Stuiveling, 'Inleiding' in: H. Gorter, Twintig gedichten in handschrift (Amsterdam 1964); J. Clinge Doorenbos, Wisselend getij. Dichterlijke en politieke activiteit in Herman Gorters leven (Amsterdam 1964); I. Cornelissen, 'Lenin vroeg: hoe gaat het met Gorter' in: Vrij Nederland, 28.11.1964; J.C. Brandt Corstius, 'Herman Gorter, de dichter (1864-1964)' in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1963-1964 (Leiden 1964) 14-31; G. Kazemier, Verwey en Gorter. Persephone en Mei (Groningen 1965); G. Borgers e.a. (red.), Herman Gorter (Den Haag 1966; Schrijvers Prentenboek XII); R.A. Cornets de Groot, 'Balders zelf-kick' in: Maatstaf, 14 (1966), nr. 9, 726-737; A. van Duinkerken, Gorter, Marsman, Ter Braak (Utrecht 1967); E. Reeser, 'Een onbekend dissertatiefragment van Herman Gorter' in: Lessen in lezen 1. Essays uit 12 jaargangen Maatstaf (Den Haag 1967); P.N. van Eyck, Verzameld Werk VII (Amsterdam 1967) 107; K. Meeuwesse, 'De structuur van Gorters Mei' in: Dietsche warande en Belfort, 113 (1968) 90-106, 194-210; J. Romein, A. Romein, 'Herman Gorter: dichter van Holland en het socialisme' in: J. Romein, A. Romein, Erflaters van onze beschaving (Amsterdam 19719) 865-885; G.A. van Es, 'De compositie van Gorters Mei' in: G. Kazemier, Literatuurbeschouwing in meervoud (Leiden 1973) 339-360; H. de Liagre Böhl, Herman Gorter. Zijn politieke activiteiten van 1909 tot 1920 in de opkomende communistische beweging in Nederland (Nijmegen 1973); H. Huyghe, Mei van Herman Gorter: gewikt en gewogen ... Een vergelijkend onderzoek naar de interpretaties (Leuven 1974); J. Groot, 'Het ideaal van Herman Gorter' in: Hollands Diep, 24.4.1976, 12-17; Herman Gorter. Een revolutionair socialist in politiek Bussum (Bussum 1977); Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst in hun tijd (Den Haag 1977); G. Stuiveling (red.), Acht over Gorter. Een reeks beschouwingen over poëzie en politiek (Amsterdam 1978); J.D.F. van Halsema, 'Gorter na Mei' in: De Revisor, 5 (1978), nr. 3, 37-39, nr. 4, 54-63; J. Groot, Nieuwe muziek, een Herman Gorter Boek (Amsterdam 1980); J.D.F. van Halsema, M.H. Schenkeveld, 'Het proëmium van Mei II' in: Voortgang, 1 (1980), 57-62; J.C. Brandt Corstius, De dichter Herman Gorter. Drie opstellen (Den Haag 1981); A. Zevenhuizen, 'Gorters lied' in: Spiegel der Letteren, 23 (1981), 241-268; J.D.F. van Halsema, M.H. Schenkeveld, 'Nieuwe zinnen. Over Gorter's Mei, Derde Zang' in: Voortgang, 3 (1982), 83-97; M.J.G. de Jong, Honderd jaar later. Essays over schrijvers en geschriften uit de Beweging van Tachtig (Baarn 1985); W.A. Ornée, 'Gorter, Herman' in: BWN II, 184-187; E. Endt, Mooi gebruld, leeuw (Amsterdam 1986); 'Stuiveling over Gorter als dichter en politicus' (interview), VARA-radio, 26.5. en 16.6.1986; E. Endt, 'Inleiding' in: H. Gorter, Verzen. De editie van 1890 (Amsterdam 19873) 129-167; M.G. Kemperink, '"Muziek lokt van een ziel muziek weer los". Het motief van het dichterschap in Gorters Mei' in: De Gids, 152 (1989), nr. 5, 361-369; M. Buschman e.a., Herman Gorter. Dichter en socialist (Zaanstad 1989); E. Endt, 'Twee eenzamen. Herman Gorter en zijn Baldergodheid' in: De Gids, 152 (1989), nr. 5, 336-345; E. Endt, 'De mei van Gorter, het ontstaan van een literair monument' in: Vrij Nederland, 18. 3.1989, 20-29; L. Frerichs, 'Lucifer en de liefde. Over een jeugdgedicht van Herman Gorter' in: De Gids, 152 (1989), nr. 5, 351-360; E. Endt, 'De ogenblikken van verstandhouding. Een gedicht van Gorter en een dagboeknotitie over hem' in: W.F.G. Breekveldt e.a., De achtervolging voortgezet. Opstellen aangeboden aan Margaretha H. Schenkeveld (Amsterdam 1989) 172-179; M. Buschman, 'Het kopje koffie van Gorter' in: Uitgelezen Boeken, 4 (1991), nr. 3, 40-47; M. van der Linden (red.), Die Rezeption der Marxschen Theorie in den Niederlanden (Trier 1992); F. Kalshoven, Over marxistische economie in Nederland 1883-1939 (Amsterdam 1993); D. Bos, Vele woningen, maar nergens een thuis. Barend Luteraan (1878-1970) (Amsterdam 1996); H. de Liagre Böhl, Met al mijn bloed heb ik voor U geleefd. Herman Gorter 1864-1927 (Amsterdam 1996); L. Tibbe, Vier kunstdebatten omstreeks 1900 (Nijmegen 2000); M. Kemperink, Het verloren paradijs. De literatuur en de cultuur van het Nederlandse fin de siècle (Amsterdam 2001).

Portret: 

Herman Gorter, IISG

Auteur: 
Herman de Liagre Böhl
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 56-65
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003