LEEUW, Alexander Salomon de

Alexander Salomon de Leeuw

(roepnaam: Alex), theoreticus van het Nederlandse marxisme-leninisme en bestuurder van de Communistische Partij in Nederland tussen de wereldoorlogen, is geboren te Amsterdam op 15 mei 1899 en omgekomen in Auschwitz op 4 augustus 1942. Hij was de zoon van Maurits de Leeuw, commissionair in effecten, en Clara de Lieme.
Pseudoniemen: D.T. Spronk, A. de Vries.

De Leeuw groeide met drie broers en een zuster op in een welgesteld joods gezin als de op één na oudste. Zijn vader, oorspronkelijk uit Noordwijk afkomstig, was een succesvol commissionair in effecten, die zich politiek het meest tot de vrijzinnig-democraten aangetrokken voelde. De sfeer in het gezin was hartelijk en vol wederzijdse genegenheid. Het geloof speelde nauwelijks nog een rol in het ouderlijk huis. Alleen de oudste leerde wat Hebreeuws. De Leeuw doorliep het Barlaeus-gymnasium, waar veel klasgenoten uit zeer gegoede, soms adellijke en veelal ook joodse milieus stamden. De Leeuw doorliep de school zonder doubleren en deed een goed eindexamen. Naast het werk voor school speelde hij graag piano en bleef dit ook zijn hele leven doen. Zijn voorkeur ging uit naar Bach en Mozart. Hoewel De Leeuw zeker het contact met anderen niet schuwde en behoefte had aan gezelligheid, was hij niet actief in het schoolverenigingsieven.

In 1918 liet De Leeuw zich als student rechten aan de universiteit van Amsterdam inschrijven en deed al in 1921 het doctoraal-examen. Onder invloed van de Russische Revolutie ontstond de Bond van Revolutionair-Socialistische Studenten in Nederland, een wat weidse naam voor een klein clubje waartoe behalve De Leeuw, ook Annie Romein-Verschoor, Jef Suys, Jo Valkhoff, Josine Meyer en anderen behoorden. In 1922 meldde De Leeuw zich aan als lid van de Communistische Partij in Nederland (CPN). Voor hij echter zich geheel aan het partijwerk kon wijden, moest hij eerst zijn dienstplicht vervullen. De keren dat hij in een enigszins slobberend soldatenuniform op de redactie van De Tribune verscheen, maakte hij op de aanwezigen een allesbehalve martiale indruk. Op het eerste gezicht leek hij arrogant. Dat was hij niet, wel geremd. Hij wilde zich geven maar kon het niet. Zijn schijnbaar afwerende houding maakte hem moeilijk benaderbaar vooral voor vreemden. Tegelijk hield hij bij alle vroegrijpheid iets naïefs. Het meest in het oog springend was zijn vermogen tot scherp en logisch argumenteren. Hij was geen spreker die de massa beroerde, maar op kleine cursusvergaderingen wel een geliefd inleider die geestig en slagvaardig zonder effectbejag uit de hoek kon komen. Hij bewoog zich wat abrupt. Of het nu kwam dat hij zijn bewegingen niet voldoende onder controle had of doordat hij in het gesprek alles vergat, niet zelden sneuvelde tijdens zijn bezoek enig serviesgoed. Met moeite verliet hij het ouderlijk huis - pas met 29 jaar - en ontwikkelde zich tot een typische vrijgezel. Wel was hij herhaaldelijk verliefd maar zijn gedragswijze verhinderde een verdergaand contact en daar heeft hij zeker onder geleden. Geregeld echter was hij te vinden in één van de Amsterdamse café's, werkend en krantenlezend of pratend met vrienden. Zijn stamcafé was Reynders op het Leidseplein. De Leeuw werkte eerst in de advocatuur. In 1923 associeerde hij zich met Evert Straat. Veel cliënten kregen zij niet maar Plato en Euripides doornemend kwamen zij de tijd goed door. Toen Straat in 1925 een betrekking in het zakenleven kon krijgen, zette De Leeuw het advocatenkantoor alleen voort. Net als Simon de Jong ontwikkelde hij zich tot een typische CPN-advokaat. De ene keer ging het om een arbeidersvrouw, die zich door een brutale verkoper had laten overbluffen waardoor ze met een voor haar onbetaalbaar gasstel zat, de andere keer om een Twentse stakingsleider, die terechtstond wegens opruiing.

In de partijstrijd die de CPN in de jaren twintig doormaakte, kwam De Leeuw niet naar voren. Wel werkte hij incidenteel mee aan De Communistische Gids. De eerste opstellen, in een moeizame stijl, handelen over streng theoretische onderwerpen. De strekking ten opzichte van het latere leninisme was uitgesproken heterodox. Zo verdedigde hij het theoretische hoofdwerk van Rosa Luxemburg, behandelde hij een hachelijk onderwerp als de marxistische ethiek en wilde hij het historisch materialisme funderen met behulp van het Engelse filosofische realisme zoals dit rond de eeuwwisseling bloeide. Bij de scheuring van de partij in 1926 koos De Leeuw voor de Komintern en tegen D. Wijnkoop, die hij verweet de strijd te voeren met 'de middelen die hem eigen zijn: stoken, sarren, intrigeren'. De Leeuw kwam in het partijbestuur en daar Wijnkoop De Communistische Gids meenam en voortzette, begon in januari 1926 Klassenstrijd, revolutionair maandblad te verschijnen. Met Henk Sneevliet, H. Roland Holst, J. Postma en anderen maakte De Leeuw deel uit van de redactie. Hij voerde aanvankelijk het secretariaat. Weldra nam Roland Holst dit van hem over, want in de ogen van de anderen stond hij te onvoorwaardelijk achter de door Moskou gedecreteerde lijn. Toen in de Sovjet-Unie de strijd tussen Stalin en Trotski in een beslissend stadium kwam, ging de sympathie van Sneevliet en Roland Holst naar Trotski uit. Zij braken met de CPN evenals het bestuur van het Nationaal Arbeids-Secretariaat, maar De Leeuw bleef de CPN trouw. De rechtlijnigheid en ongenuanceerdheid van zijn denken in die jaren kwam hij te boven maar de blinde vlek ten aanzien van het trotskisme zou nog groeien. Op cursusvergaderingen sprak hij later met graagte over 'Het bankroet van het trotskisme', zoals ook de titel van zijn enige partijbrochure luidde. Toen binnen de redactie van Klassenstrijd enkelen weigerden met De Leeuw samen te werken, zag hij zich genoopt te vertrekken. G. Mannoury volgde hem uit solidariteit, hoewel Roland Holst juist hem graag had willen behouden. In januari 1929 kwam de CPN met een eigen theoretisch orgaan De Communist en De Leeuw voerde de redactie.

Toen in 1930 de economische crisis doorzette, verscherpte ook de politieke strijd zich ter linkerzijde. De Komintern constateerde dat het fascisme oprukte en beschouwde de sociaal-democratie binnen de arbeidersklasse als een steunpunt hiervan in de vorm van sociaal-fascisme. In een spitse argumentatie onderschreef De Leeuw deze verderfelijke stelling op de meest extreme wijze. Zijn medepartijbestuurders wilden hierin niet zo ver gaan. Na zware interne partijstrijd consolideerde de CPN zich in 1930 en aanvaardde het Komintern-standpunt. Van de sterk gewijzigde partijleiding, waarin nu ook meer arbeiders zitting hadden, maakte behalve P. de Groot voor het eerst ook De Leeuw weer deel uit. Het prestige van De Leeuw groeide sterk in de jaren dertig. Hij verdiepte zich grondig in het werk van Lenin, aanvaardde de wijze waarop dit door Stalin geïnterpreteerd werd en achtte de tribunistische traditie een obstakel op de weg naar een 'gebolsjewiseerde' partij. De Leeuw werd redacteur van De Tribune, schreef voor Inprekorr, een periodiek van de Komintern, hield in 1928 een rede op het zesde Kominterncongres en leverde de slotbeschouwing bij de terugkeer in de CPN van de Wijnkoop-groep in 1930. Hierna kwamen de politieke discussies na de 'Machtsübernahme' en de vernietiging van de Duitse arbeidersbeweging. De Leeuw met zijn uitgesproken voorkeur voor de Franse cultuur was van meet af aan vol geestdrift over het succes van het Franse volksfront. Hij woonde het communistisch geïnspireerde internationale schrijverscongres ter verdediging van de cultuur in juni 1935 te Parijs bij. In de meest positieve bewoordingen deed hij hiervan verslag. Al zijn aandacht concentreerde hij nu op het onderzoeken en bestrijden van het fascisme. Zijn vruchtbaarste jaren braken aan en zijn gaven kwamen tot volle wasdom. Zijn juridische rechtlijnigheid maakte plaats voor het inzicht dat het historisch proces meer mogelijkheden in zich draagt. De doorvoering van de volksfrontlijn betekende ook voor de CPN een ingrijpende koerswijziging. Van het Volksdagblad, dat sinds 19 april 1937 De Tribune voortzette, werd De Leeuw hoofdredacteur. Het theoretisch maandblad, dat onder de naam Politiek en Cultuur verder ging, kreeg onder de redactie van De Leeuw inderdaad een opener karakter. De vele intellectuele contacten die hij buiten de CPN was blijven onderhouden schiepen de gelegenheid ook anderen dan partijgetrouwen in het blad te laten schrijven. In deze jaren verschenen zijn grote publikaties in boekvorm: Het communisme (Amsterdam 1936), Nederland in de wereldpolitiek (Zeist 1936) en Het socialisme en de natie (Amsterdam 1939). Het laatste is zijn hoofdwerk gebleven. De grondgedachte vormde de inzet bij zijn latere conflict met de partijleiding. Vanaf 1935, toen hij op het zevende congres van de Komintern in een discussie met P. Togliatti de nadruk legde op de noodzaak voor de kleine landen in de strijd tegen het fascisme te vechten voor hun nationale onafhankelijkheid, bleef hij aan deze gedachte vasthouden. Hij deed dit ook toen de Komintern in 1939 na de afsluiting van het Hitler-Stalin-pact de Tweede Wereldoorlog als een imperialistische kwalificeerde en, de politiek van het nationaal-democratische volksfront loslatend, weer de proletarische revolutie predikte. Hij kwam met zijn mening niet naar buiten. Al in 1938, toen De Groot algemeen secretaris was geworden, raakte De Leeuw in de leiding wat op de achtergrond. De Groot nam de hoofdredactie van het Volksdagblad over. A. Struik kreeg de leiding van Politiek en Cultuur en De Leeuw ging met S.J. Rutgers en A.E. Boutelje de redactie voeren van het maandblad De Sowjet-Unie, dat in november 1938 begon te verschijnen. Na het Hitler-Stalin-pact hielden zijn politieke bijdragen aan Politiek en Cultuur vrijwel direct op. Het pact was voor hem anders dan voor anderen een zaak van tactiek en niet van principe: een vertragingsmanoeuvre. Tijdens de bezetting verdiepte zich het politieke meningsverschil tussen De Leeuw en het driemanschap, dat de illegale CPN leidde. In een 'politieke brief' van de hand van De Groot werd De Leeuw, die zijn mening nog eens in een brief aan de partijleiding had kenbaar gemaakt, scherp aangevallen. 'Zelfs heeft een voormalig lid van het partijbestuur een voorstel gedaan om met alle anti-Mussert en anti-Duitse groepen en personen... samen te werken. Dit betekent zich aan de leiding van de oranje-imperialisten onderwerpen.' Wie dit doet 'plaatst zichzelf daardoor buiten onze rijen'. De Leeuw werd vanwege een ondergeschikt punt geroyeerd. Tijdens de bezetting dook hij niet consequent onder maar bleef café's en vrienden bezoeken. Hij wijdde zich aan literaire studies en schreef een ongepubliceerd gebleven boek over de jonge F.M. Dostojevski. Het laatste stuk dat hij gedrukt zag, heette 'De laatste reis van Ulysses'. Het ging over Homerus, Dante en A. Tennyson. Op 18 mei 1941 werd hij gearresteerd en naar het kamp-Schoorl overgebracht. In september 1941 kwam hij in kamp Amersfoort en werd aangesteld als tolk voor een groep krijgsgevangen Kirgiezen, die nauwelijks Russisch spraken en er ellendig aan toe waren. Hij bleef tussen alles door klassieke auteurs lezen. Er kwamen ook briefjes door waarin hij om een nieuwe bril vroeg, zijn derde al. Ten slotte volgde de overbrenging naar het vernietigingskamp Auschwitz, waar hij blijkens een mededeling van het Rode Kruis vrijwel direct na aankomst op 4 augustus 1942 werd omgebracht.

Archief: 

Archief A.S. de Leeuw berust bij G. Harmsen (De Knipe).

Publicaties: 

Bibliografie in: G. Harmsen, 1977 (zie onder Literatuur), 179-190.

Literatuur: 

In memoriam A.S. de Leeuw' in: Politiek en Cultuur, 1945, 2-4; G. Harmsen, 'Mr. A.S. de Leeuw, communistisch politicus tussen de wereldoorlogen' in: Mededelingenblad, nr. 26, april 1964, 5-27; F. Baruch, 'De nationalisten verraden de natie' in: Maatstaf, 14e jrg. nr. 1, 1966, 34-46; G. Harmsen, 'Leven en werk van mr. Alex S. de Leeuw. Kommunisties politikus tussen de wereldoorlogen. Een bijdrage tot de geschiedenis van het Nederlandse marxisme-leninisme' in: Jaarboek arbeidersbeweging, 1977, 9-190; J. Morriën, 'Een pleiter voor de zaak van het anti-fascisme. Mr. De Leeuw belichtte strijd voor onafhankelijkheid van ons land' in: De Waarheid, 11.2.1978.

Portret: 

A.S. de Leeuw, mei 1940, portret van Annie Wiesebron-Spier

Auteur: 
Ger Harmsen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 114-118
Laatst gewijzigd: 

00-00-1998