
bestuurder typografenbond en Eerste Internationale-man, is geboren te Nijmegen op 18 februari 1843 en overleden te ’s-Hertogenbosch op 26 juli 1899. Hij was de zoon van Willem George Fredrik Michon, schoenmaker, winkelier en bode, en Jacomina Carolina Muller. Op 24 september 1873 trad hij in het huwelijk met Johanna Hendrika Stein, naaister, met wie hij vier zonen kreeg.
Pseudoniemen: Jan Bataaf, L’Abbé, Peter ’s Hage.
Michons vader, die met een prachtig gekalligrafeerde handtekening zijn huwelijksakte bezegelde, liet in het bevolkingsregister bij zijn twee zonen noteren dat zij scholier waren. Hij deed dit niet voor zijn drie dochters. In mei 1963 werd Michon als milicien ingelijfd bij de infanterie, ‘zijnde loteling van de ligting 1863 uit de provincie Gelderland, gemeente Nijmegen’. Een jaar later ging hij met groot verlof en in mei 1868 kreeg hij wegens het beëindigen van de diensttijd zijn paspoort. Als letterzettersknecht woonde hij weer bij zijn ouders, tot hij in augustus 1864 naar Wageningen vertrok, waar hij mogelijk bij de Stads-, Boek- en Courantdrukkerij Van Hattum werkte. Daarna woonde en werkte hij in 1867 een half jaar in Schoonhoven en kwam via Leiden in Amsterdam terecht. Kort na de oprichting van de Nederlandsche Typographenbond in 1866 werd Michon tot hoofdbestuurder gekozen. Zijn radicale opvattingen brachten hem in 1868 in conflict met de overige bestuurders, wat leidde tot zijn royement. Samen met de bondssecretaris zou hij hebben geprobeerd een tweede, hoogstwaarschijnlijk radicalere typografenbond op te richten. Jac. Rademacher, de eerste geschiedschrijver van de Nederlandse arbeidersbeweging die Michon persoonlijk heeft gekend, typeerde hem als ‘een van heilig vuur blakende apostel, een heethoofd, een soort van Nederlandschen Marat, wiens stereotype roode das en slordige kleeding hem tot mikpunt maakten veler spot, maar tevens ook de rechte type van een volksman, krachtig in zijn overtuiging en bezielend door zijn welsprekendheid’.
Op 31 oktober 1868 schreef Michon een artikel in het maandblad Bijdragen voor Arbeid en Kunst van C.A.J. Geesink met de titel ‘De werkende klasse en de bevordering harer belangen door de dagbladpers’. Michon verweet de burgerlijke pers geen aandacht aan de werklieden en hun politieke opvattingen te besteden. ‘Bij de groote kosten, welke de uitgifte van een dagblad noodzakelijk maakt, is vooral de buitenlandsche dagbladpers [= het buitenlands nieuws] veelal in handen gekomen van de geldmannen, die van hunne bezitting liever een melkgevende koe dan een orgaan voor waarheid en verlichting voor de geheele menschenmassa, die daaraan behoefte heeft, te maken’. De bestaande dagbladen verrichtten noch over de oorzaken, noch over de gevolgen van werkstakingen grondig onderzoek, terwijl ‘somwijlen de minst beteekenende vechtpartij of volksoploop in alle bijzonderheden wordt geschetst’. Michon besloot zijn artikel met de oproep: ‘Ik althans wil niet nalaten er bij de werkende klasse op aan te dringen, dat zij zelf handen aan de pen en den inktpot sla, ter opsporing van de middelen, die gebezigd kunnen worden om den arbeid te regelen, zoodat hij zoowel voor de werknemers als voor de werkgevers productief is, opdat uit de beoordeling dier middelen, hetzij er goede of kwade praktijken uit blijken, meer licht en waarheid komt, dan tot hiertoe het geval is geweest, over den stoffelijken en zedelijken toestand, waarin wij werklieden leven’. De ruzie in de Typographenbond bleek intussen te zijn bijgelegd. Michon werd opnieuw in het hoofdbestuur gekozen, en wel als eerste secretaris. In december 1868 wijzigde het maandblad Bijdragen voor Arbeid en Kunst zijn naam in De Werkman. Het werd een vooruitstrevend weekblad, vervaardigd door de typografen J. van den Berg, Michon en H. Wollring en gedrukt bij de schoonvader van de laatste. Het blad zou spoedig een podium verschaffen aan werklieden en hun organisaties.
Na de verloren staking van Amsterdamse scheepstimmerlieden in het voorjaar van 1869 verscheen de brochure Typographen-ontboezemingen, Uitg. ten voordeele van de huisgezinnen der gedurende vier weken buiten werk geweest zijnde scheepstimmerlieden (Amsterdam 1869) met bijdragen van Van den Berg, Michon en Wollring. Michon schreef hierin: ‘Eendracht overwint alles’. Hoewel zij de voorkeur gaven aan goed overleg tussen werknemers en werkgevers, waren de auteurs van mening dat staking een geoorloofd middel was om halsstarrige patroons op andere gedachten te brengen. Volgens B. Bymholt maakten Michon en beide anderen dankzij de redactie van De Werkman kennis met de Belgische beweging en kwamen zij op het idee ook in Nederland een afdeling van de Eerste Internationale op te richten. Op 28 juni begon in Amsterdam de typografenstaking, waarin Michon een toonaangevende rol speelde, al had hij zich aanvankelijk in de gemengde commissie van gezellen en patroons tegen de staking als uiterst pressiemiddel verzet. Hij was nauw betrokken bij de oprichting van het Nederlandsch Werklieden Verbond, als deel van de Eerste Internationale, en werd tweede secretaris van de Amsterdamse afdeling. De overheid hield Michon die gewoon was zich in het openbaar te uiten (hij schreef bij voorbeeld een open brief naar aanleiding van het De Vletter-oproer in Rotterdam) scherp in de gaten. Wanneer hij verhuisde, werd dit aan de als procureur-generaal fungerende directeur van politie meegedeeld. Als gevolg van zijn activiteiten raakte hij tenslotte brodeloos. In De Werkman van 20 november 1869 bracht hij verslag uit van zijn ervaringen met drukkerspatroon D. Los, bij wie hij het slechts twee weken uithield. Op zoek naar werk verliet hij Amsterdam. Dat hij in Rotterdam werk en woonruimte had gevonden, blijkt uit zijn berichtgeving in De Werkman. Daaruit kan ook worden opgemaakt dat hij vóór zijn vertrek naar Utrecht in 1873 nog enige tijd in Amsterdam verbleef. Hij schreef zich echter niet in het bevolkingsregister in (tot januari 1871 woonde hij in de Amsterdamse Bethaniënstraat, daarna in de Haagse Koningstraat).
In de zomer van 1870 verbleef Michon enige tijd in Rotterdam en gaf er de stoot tot de oprichting van de plaatselijke Bestuurdersbond. Hij ondertekende een bijdrage in De Werkman van 30 juli als ‘ex-secr. Ned. Typ. Bond en der Int., afd. Nederland’. In september vertrok hij naar Den Haag, waar hij naast de gematigde typografenorganisatie een vakbond van typografen oprichtte. Hij wist jonge mensen om zich heen te verzamelen, die al bij het vakbondswerk betrokken waren en als correspondent van De Werkman fungeerden. In november richtte hij er samen met de smid L. Abas, de typograaf B. Liebers en anderen een afdeling van de Internationale op, waarvan de frequent uitgeschreven vergaderingen dikwijls honderden mensen trokken. Hij wist zich echter geen raad met de komst van enkele vrouwen naar een vergadering. Zij werden aanvaard, ‘aangezien genoemde zieltjes zich op zoo ferme en waardige wijze op die vergadering hebben gedragen’. Michon raakte opnieuw zonder werk en keerde begin 1871 terug naar Amsterdam. Volgens gegevens in De Werkman bemande hij enige tijd het Amsterdamse bijkantoor van het Haagse blad De Toekomst en voorzag hij ook in zijn levensonderhoud als schrijver van gelegenheidsgedichten. In De Werkman van 8 april beschreef hij zijn afscheid van de Haagse afdeling van de Internationale onder de kop ‘Mijn dank aan mijn haagsche vrienden!’ en meldde hij dat hij onder meer een mahoniehouten inktpot met pen ten geschenke had gekregen. Dit schrijfgerei, zo beloofde hij, zou hij gebruiken om de belangen van de Internationale te dienen. Volgens het Haagse bevolkingsregister verbleef hij echter nog ruim twee jaar in de Residentie. Waarschijnlijk zijn verschillende bijdragen aan De Werkman, ondertekend door ‘Peter ’s-Hage’ van zijn hand. Peter was immers zijn tweede voornaam.
Kort na zijn feestelijk afscheid van Den Haag was hij Haags gemandateerde voor de afdeling van de Internationale op het Belgisch-Nederlands Werkliedencongres in Gent (9 en 10 april 1871) tijdens de Commune van Parijs. Daar stemde Michon in met V.F. Herreboudt ‘om geld in te zamelen voor de parijsche broeders, en huivert voor het voorstel Labaer, om de broeders met een telegram te vereeren, wanneer zij gebrek hebben aan voedsel en misschien nog meer’. Talloos waren zijn oproepen in De Werkman aan de arbeiders om zich te verenigen en zich aan te sluiten bij de Internationale. Hij gaf de raad om nu en dan de overigens welverdiende borrel te laten staan en het uitgespaarde geld te besteden aan de organisatie van de arbeidersklasse. En hoewel hij een hartgrondige afkeer had van de kerk als instituut, koesterde Michon grote bewondering voor de persoon van Jezus Christus. Die zou het volk een andere leer prediken, een leer van liefde, een leer die naar vrijheid streefde, naar recht en gelijkheid voor allen.
Zijn voornemen om te trouwen had Michon al kenbaar gemaakt in De Werkman van 7 januari 1871, als reactie op een artikel over vrouwenemancipatie van Betsy Perk in het door haar geredigeerde Orgaan voor de Nederlandse vrouw. ‘Spoedig zal dan ook schrijver dezes iemand trachten op te sporen, welke met zijn karakter overeenstemt en met zijn ideeën harmonieert. Dit zal ook hem moed geven en troosten. Zij moet echter een vriendin zijn der Internationale!’. Het zou nog twee jaar duren voordat hij in 1873 op dertigjarige leeftijd in het huwelijk trad met Anna Stein. Mogelijk had zij gereageerd op zijn contactadvertenties die in maart en april 1871 in De Werkman waren geplaatst, waarin een ‘jong mensch’ op zoek was naar een meisje die ook in de Internationale geloofde en liefde belangrijker vond dan schoonheid en geld. Maar misschien had hij haar pas leren kennen in de kringen van de in de bisschopsstad mede door hem opgerichte sectie van de Internationale. Hij was er opnieuw de ziel van de beweging. Vanaf oktober 1873 gaf de Internationale De Utrechtsche Lantaarn uit (met als ondertitel ‘De stem van het volk is de stem van God’), dat openlijk koos voor de Commune en pleitte voor gewelddadige revolutie. Michon schreef hierin onder het pseudoniem Jan Bataaf, maar stelde zich waarschijnlijk te radicaal op. Rademacher meent dat Michon door zijn leefwijze de werklieden van zich vervreemdde, al hielden zij hem wel voor een eerlijk man.
In april 1874 kwam een abrupt einde aan Michons stormachtige politieke activiteiten. Hem werd verweten dat hij heulde met het christelijke blad De Werkmansvriend. Michon verliet het toneel van het Utrechtse en het landelijke openbare leven. Zijn huwelijk was intussen niet meer gelukkig. De aangifte van de geboorte van zijn tweede zoon moest hij overlaten aan de geneesheer, aangezien hij wegens zijn vakbondsactiviteiten een gevangenisstraf uitzat. Het kwam tot een breuk. Vanaf februari 1879 stonden Michon en Stein niet meer op hetzelfde adres ingeschreven. Stein klopte aan bij de bedeling van de diaconie van de Hervormde Gemeente in Utrecht, waar ze als ‘verlaten vrouw’ een uitkering kreeg van 15 gulden per kwartaal. Michon trok eerst naar Haarlem, toen naar Breda om zich tenslotte in Harderwijk te melden. Hij werd geëngageerd als soldaat bij het Koloniaal Werfdepot in Harderwijk op 30 juli 1881 voor een termijn van zes jaar bij de troepen in Nederlands Oost-Indië. Hiervoor ontving hij op het moment van inscheping een handgeld van driehonderd gulden. Bij zijn aankomst in Harderwijk mat Michon ‘1 meter, 6 decim. 4 centimeter’ en beschreef men zijn uiterlijk als: ‘aangezicht rond, voorhoofd idem, ogen blaauw, neus groot, kin rond, haar bruin, wenkbrauwen idem. Lidteeken aan de linkerwang’. Ook was hij behept met kaalhoofdigheid. Begin januari 1882 kwam hij met een troepentransportschip aan in Oost-Indië, maar half augustus was hij alweer terug in Rotterdam. Afgekeurd ‘wegens ziekelijke hartkloppingen en misvorming der borstkas en verkromming der ruggegraad (lichaamsgebrek) niet ontstaan in en door de dienst’. Hij kreeg een pensioen van honderd gulden per jaar. Zijn verzoek om in Bronbeek te worden opgenomen werd afgewezen.
Zijn verdere gangen zijn na te gaan door een enkele inschrijving in de bevolkingsregisters van Rotterdam, Den Haag en Alkmaar, met als beroep letterzetter, venter en gepensioneerd militair. Maar ook doordat hij nog twee zonen verwekte, geboren in september 1883 en juli 1885. In Amsterdam lag hij in 1885 enkele weken in het ziekenhuis met een longontsteking. Genezen verklaard werd hij de volgende dag al gearresteerd wegens landloperij en tot een maand gevangenisstraf veroordeeld, waarbij zijn armoede als verzachtende omstandigheid gold. Dit was slechts één van de vele veroordelingen die hij na terugkeer uit de Oost zou krijgen voor landloperij of openbare dronkenschap. Zoals de veroordeling in augustus 1885 voor landloperij, waarvoor een gevangenisstraf van 45 dagen werd uitgesproken. Ditmaal met de toevoeging dat eenzame opsluiting noodzakelijk was wegens ‘de geaardheid van beklaagde’. Vaker bleef het bij een boete. Niet bekend is of hij nog naar zijn gezin omkeek. Zijn vrouw overleed in 1890. Zijn kinderen bleven nog enige tijd onder de hoede van de kostganger die ze sinds 1889 in huis had. Een half jaar voor de eeuwwisseling deden in ’s-Hertogenbosch twee politiemannen aangifte van het overlijden van de 56-jarige weduwnaar Michon, zonder beroep, woonachtig in Rotterdam. Dat hij ondanks zijn zwervend en armoedig bestaan na terugkeer uit de Oost niet vergeten was, blijkt uit Bymholts navraag naar hem in Recht voor Allen van 27 juli 1892.

De werkende klasse en de bevordering harer belangen door de dagbladpers' in: Bijdragen voor Arbeid en Kunst, 31.10.1868, en in: Te Elfder Ure, jrg. 20, nr. 2, 1973, 376-8.
J. Rademacher, 'De arbeiders-beweging in Nederland' in: De Tolk van den Vooruitgang, 1878, 303; Bymholt, Geschiedenis; F. van der Wal, De oudste vakbond van ons land (z.pl. 1916) 39-45; C.A.M. Diepenhorst, De sociaaldemocratie in de residentie (Den Haag 1932) 9; P.J. Meertens, 'Ik zoek gegevens over: ' in: Mededelingenblad, nr. 24, april 1973, 12; Th. van Tijn, Twintig jaren Amsterdam (Amsterdam 1965); J. Charité, De Sociaal-Democratische Bond als orde- en gezagsprobleem voor de overheid (1880-1888) (Den Haag 1972); J.J. Giele, 'Arbeidersbeweging en burgerlijke pers. 100 jaar konfrontatie?' in: Te Elfder Ure, jrg. 20, nr. 2, 1973, 374-5; J. Giele, De Eerste Internationale in Nederland (Nijmegen 1973); M. Schouten, De socialen zijn in aantocht (Amsterdam 1976); R. Wuite, Het Kortenbosch. Biografie van een Haagse arbeidersstraat van 1648 tot 1873 (Den Haag z.j.); P.D. 't Hart, Stakers en onruststokers in de Domstad (Utrecht 1996) 21-31; R. Wuite, 'Een werker in Den Haag. Christiaan Michon' in: P. van Beckum (red.), Den Haag gisteren en vandaag. Millenniumalbum (Den Haag 2000) 28-59; D. Bos, Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894 (Amsterdam 2001).
Christiaan Peter Michon, uit: Catalogus Museum Boijmans van Beuningen
Huwelijksakte Michon/Stein dd 24 september 1873. Akte 433 akteplaats Utrecht. Als bruidegom.
15-04-2025 (oorspronkelijke tekst van R. Wuite uit 2001 geheel herzien en uitgebreid)
