WOUDENBERG, Hendrik Jan

Hendrik Jan Woudenberg

commissaris van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen en leider van het Nederlandsch Arbeidsfront, is geboren te Amsterdam op 19 september 1891 en aldaar overleden op 4 juli 1967. Hij was de zoon van Helmert Woudenberg, veeboer, en Sophia Gijsbertsen. Op 10 mei 1917 trad hij in het huwelijk met Trijntje van Blaaderen, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg.

Woudenbergs vader, afkomstig uit Woudenberg, vestigde zich aan het eind van de negentiende eeuw aan de Joden-Houttuinen in Amsterdam. Hij was lid van de Apostolische Gemeenten, terwijl zijn echtgenote Nederlands hervormd was. Woudenberg was bij zijn geboorte aan zijn linkerzijde enigszins misvormd, maar moest gewoon meedoen met zijn broers bij het werk op de boerderij en het uitventen van melk. Al voor zijn twaalfde verliet hij de Christelijke School van de Vereniging Maarten Luther op de Herengracht en werd loopjongen op een handelskantoor. In de avonduren haalde hij diploma's Frans, Duits en boekhouden en in 1914 kreeg hij een baan als boekhouderscorrespondent bij de Zeevischhandel Van Oterendorp & Co. te IJmuiden. Vanaf 1922 was hij procuratiehouder en sinds 1935 directeur en medefirmant van dit bedrijf. Volgens Woudenbergs na de Tweede Wereldoorlog geschreven memoires ontstond er grote deining in het orthodoxe gezin, toen zijn oudere broer Kees in 1901 lid werd van de SDAP. Zelf had hij naar eigen zeggen tot 1933 eveneens socialistische idealen gehad, maar steeds met innerlijke onzekerheden. Zijn opvattingen veranderden na de gebeurtenissen op 'De Zeven Provinciën', de overname van de macht door Hitler en de eerste vergadering van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) in IJmuiden die hij bijwoonde. Woudenberg raakte onder invloed van enkele mensen die net lid waren geworden en bewonderde de sterke onderlinge band, die dwars door de standen leken te lopen. In het najaar van 1933 werd hij onder lidmaatschapsnummer 7638 lid van de NSB en klom snel op binnen de partij. In het eerste jaar al werd hij plaatsvervangend kringleider in IJmuiden en later onder meer lid van de Propagandaraad (1935-1937) en de Politieke Raad (1935-l944). Ook werd hij eind 1935 redacteur van Het Arbeidsfront. Strijdblad voor de Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland. Woudenberg hield zich actief bezig met vakbondszaken en werd in november 1935 gekozen tot voorzitter van de Nationale Werknemers-Vereeniging (NWV). Deze kleine vakbond, die in 1931 door Nationaal Herstel was opgericht maar in NSB-vaarwater terecht was gekomen, organiseerde vooral werklozen en kreeg nooit meer dan 5000 leden. In 1937 werd Woudenberg, samen met M.V.E.H.J.M. graaf De Marchant et D'Ansembourg, G. Dieters en M.M. Rost van Tonningen voor de NSB in de Tweede Kamer gekozen. Vooral met de laatstgenoemde zou hij veel te maken krijgen, niet alleen in het parlement, maar ook in de Politieke Raad van de NSB, waar zij beiden een anti-Van Geelkerken-koers volgden. Deze tweede man van de NSB genoot het haast onbeperkte vertrouwen van partijleider A. Mussert maar werd met name door Rost van Tonningen als kleinburgerlijk en calvinistisch beschouwd. Als gevolg van deze tegenstellingen raakte Woudenberg begin 1938 het redacteurschap van Arbeidsfront kwijt aan C. van Geelkerken en M. Meuldijk. In het voorjaar van 1938 nam Woudenberg deel aan een bijeenkomst in Hamburg van Kraft durch Freude, de culturele organisatie van de gelijkgeschakelde overkoepelende Duitse vakbond Deutsche Arbeitsfront (DAF). Hij raakte er zeer onder de indruk van deze organisatie.

Net als vele andere NSB'ers werd Woudenberg bij de Duitse inval in mei 1940 gearresteerd, hij werd in de Rijkswerkinrichting De Krententuin in Hoorn geïnterneerd. Eind mei kreeg Woudenberg van A. Mussert de opdracht op basis van de NWV een Arbeidsfront der NSB op te bouwen, maar de Duitse bezetter had iets anders met hem voor. In de eerste bezettingsperiode ontwikkelde Rost van Tonningen met steun van de Duitse bezetter plannen om naast de NSB Duits-vriendelijke organisaties op te zetten. Hierin zouden de Nederlandse vakbeweging én Woudenberg een rol gaan spelen. In het kader van de opdracht die de zogenaamde Dienststelle Hellwig van het DAF had gekregen de vakverenigingen in West-Europa gelijk te schakelen waren begin juli 1940 vergaande plannen gemaakt om de drie grote Nederlandse vakbonden onder curatele te stellen. Op 12 juli 1940 benoemde Reichskommissar A. Seyss-Inquart Woudenberg tot Commissaris voor het NVV. Woudenberg kreeg deze functie met steun van Mussert (die hem voor drie maanden van zijn werk voor de NWV vrijstelde), maar ook dank zij de voorspraak van Rost van Tonningen. Rost was aangesteld als 'Kommissar für die marxistischen Parteien' en bij zijn pogingen de SDAP tot medewerking te dwingen - hij had Henk Woudenberg meegenomen naar de besprekingen - werd hem de voet dwars gezet door onder meer Kees Woudenberg, de secretaris-penningmeester van de partij. De twee broers zouden elkaar gedurende de rest van de bezetting alleen bij familiebijeenkomsten ontmoeten. Rost van Tonningen droeg de liquidatie van het Nationaal Arbeids-Secretariaat over aan Woudenberg. Deze werd gemachtigd alle maatregelen te nemen om het werk van de gelijk te schakelen vakbeweging voort te zetten. De voorzitter en de secretaris van het NVV, E. Kupers en S. de la Bella, werden direct ontslagen, anderen volgden, maar het NVV liep niet leeg. Het streven van de bezetters was uiteindelijk één Duitsgezinde vakbond over te houden. Daarom werd Woudenberg op 25 juli 1941 door Seyss-Inquart ook benoemd tot Commissaris van de confessionele vakcentrales, met de opdracht deze met het NVV samen te voegen. Dit mislukte omdat de confessionele bestuurders weigerden mee te werken en de leden massaal hun lidmaatschap opzegden. Uiteindelijk werden deze leeggelopen bonden door Woudenberg geliquideerd en bleef alleen het gelijkgeschakelde NVV over. Begin januari 1942 namen NVV-functionarissen in Berlijn de organisatie van de tewerkstelling van Nederlandse arbeiders in Duitsland op zich, zodat het NVV haast synoniem werd met de gehate 'Arbeitseinsatz'. Op 1 mei 1942 werd bij besluit van Seyss-Inquart het NVV omgezet in het Nederlandsch Arbeidsfront (NAF), Woudenberg werd Arbeidsfrontleider. Het was de bedoeling dat alle werkgevers en werknemers bedrijfsgewijs en verplicht lid van het NAF zouden worden, maar dat werd nooit gerealiseerd: de binding met de bezetter en met de NSB waren te duidelijk aanwezig. Bovendien werd per 1 augustus 1942 een overeenkomst tussen de NSB en het NAF getekend die vastlegde dat het NAF zou meewerken aan de doeleinden van de NSB. De contacten tussen Woudenberg en Rost van Tonningen werden nu meer van financiële aard, bijvoorbeeld met betrekking tot de dwarsverbindingen die bestaan hadden tussen SDAP en NVV zoals De Arbeiderspers en het Instituut voor Arbeidersontwikkeling. Woudenberg voerde wel het woord tijdens bijeenkomsten van het Economisch Front der NSB, een werkgeversorganisatie die onder leiding van Rost van Tonningen stond. H. Himmler, die nauwe banden met Rost onderhield, trachtte Woudenberg aan zich te binden door hem een rang in zijn organisatie, de Schutzstaffel (SS) aan te bieden, maar mede door tegenstand van Mussert ging dat niet door. Wel nam Woudenberg in juni 1941 een SS-erepistool in ontvangst en werd hij begunstigend lid van de SS. Bij zijn lezingen voor arbeiders gaf hij steeds hoog op van de offervaardigheid van Nederlandse SS'ers die aan het oostfront vochten. Woudenbergs lidmaatschappen van bijvoorbeeld de Volksche Werkgemeenschap en de Germaansche Werkgemeenschap Nederland wijzen ook meer naar een 'Groot-Germaanse' dan naar een NSB-ideologie à la Mussert.

Eind 1943 werd Woudenberg ernstig ziek en wilde eigenlijk zijn werk voor het Arbeidsfront beëindigen, maar Mussert wist hem ervan te overtuigen door te gaan. Na Dolle Dinsdag bracht hij zijn vrouw, dochter en kleinkinderen naar Duitsland, zelf keerde hij terug naar Nederland. De hoofdzetel van het NAF werd verplaatst naar Almelo, vervolgens naar Nijmegen uiteindelijk naar Assen. De laatste oorlogsdagen bracht Woudenberg ziek in Amsterdam door. Na de capitulatie wist hij zich een week lang met een op de naam Heinrich Frontenberg uitgeschreven militair zakboekje voor te doen als Duits soldaat. De Vierde Kamer van het Bijzonder Gerechtshof te Amsterdam verklaarde Woudenberg op 23 december 1948 schuldig aan 'Opzettelijk in tijd van oorlog den vijand hulp verlenen' en veroordeelde hem tot levenslang, nadat de procureur-fiscaal de doodstraf had geëist. Op 4 januari 1950 bracht de Bijzondere Raad van Cassatie de straf terug tot twintig jaar. Op 14 september 1956 werd Woudenberg voorwaardelijk in vrijheid gesteld, met een proeftijd tot 19 mei 1963. Begin jaren vijftig stelde hij in de gevangenis op verzoek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie zijn omvangrijke memoires samen, waarin hij buitengewoon veel waardevol materiaal over met name de oorlogsperiode bijeenbracht. Schrijvend in de derde persoon spaarde hij zichzelf hierbij niet. Zo schreef hij bijvoorbeeld over zijn relatie met Mussert en Rost van Tonningen dat hij 'beiden als superieur (erkende), maar toch te weinig kleinburgerlijk (was) om adept van de een en te nuchter verstandig om meer dan vriendschappelijk met de ander te zijn.'

Archief: 

Documentatie H.J. Woudenberg in Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Amsterdam).

Publicaties: 

Behalve artikelen in Volk en Vaderland, Het Nationale Dagblad en De vorming. Maandblad voor de Nationaal Socialistische Beweging in Nederland en voorwoorden bij publikaties van NVV en NAF: De arbeider in de N.S.B. (Utrecht z.j.); 50 woorden (Amsterdam 1944).

Literatuur: 

Woudenberg, Hendrik Jan' in: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (Amsterdam 1938) 1659; M.M. Rost van Tonningen, Correspondentie I (Den Haag 1967; red. E. Fraenkel-Verkade, A.J. van der Leeuw) en II (Zutphen 1993; red. D. Barnouw); N.K.C.A. in 't Veld, De SS en Nederland (Den Haag 1976, 2 delen); N.K.C.A. in 't Veld, 'WOUDENBERG, Hendrik Jan' in: BWN I, 663-664.

Portret: 

H.J. Woudenberg, uit: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (Amsterdam 1938)

Auteur: 
David Barnouw
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 247-250
Laatst gewijzigd: 

00-00-1995