HUGENHOLTZ, Frederik Willem Nicolaas

Frederik Willem Nicolaas Hugenholtz

christen-socialist en Tweede Kamerlid voor de SDAP, is geboren te Zierikzee op 24 juni 1868 en overleden te Utrecht op 13 mei 1924. Hij was de zoon van Frederik Willem Nikolaas Hugenholtz, predikant, en Henderica Cecilia Francina van Gogh. Op 6 juni 1891 trad hij in het huwelijk met Magdalena Zeeven, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg.

Hugenholtz stamde uit een oorspronkelijk Duitse familie, die sedert 1718 tientallen predikanten heeft voortgebracht. Hij bezocht de lagere school in Zierikzee en het gymnasium in Haarlem. Met zijn ouders verhuisde hij in 1886 naar Grand Rapids in de Verenigde Staten, waar zijn vader, een sociaal voelend man, tot 1900 voorganger was van een vrijzinnige Nederlandse gemeente. Hugenholtz studeerde aan het unitarische Meadville Theological College en werd predikant te Muskegon (Michigan), waar de gemeente vooral uit geëmigreerde Friezen en Groningers bestond. Hij keerde terug naar Nederland en kwam door ooms, die voorgangers waren van de Amsterdamse Vrije Gemeente, in 1895 als voorganger van de Nederlandsche Protestantenbond te werken in Schiedam. Hugenholtz had al in Amerika belangstelling gekregen voor het socialisme. De sociale gerechtigheid, die het christendom vroeg, kwam volgens hem als een opdracht tot bezitters en bezitlozen. Hij verwierp aanvankelijk de klassenstrijdgedachte en voelde zich verwant aan de Delftse industrieel J.C. van Marken. Van progressief liberaal, vrijzinnig democraat geworden ontdekte hij steeds meer dat de godsdienstige burgerij, die naar zijn preken luisterde, in grote meerderheid niet bereid was de consequenties uit het geloof te trekken. Het preken begon de hartstochtelijke en praktisch ingestelde Hugenholtz steeds meer te hinderen. Hij botste met de bovenlaag in zijn eerst bloeiende gemeente, terwijl de arbeiders niet onder zijn gehoor kwamen. Een tijdlang liep hij met de gedachte rond aan een arbeiderskerk, zoals de Engelse ex-predikant John Trevor voorstond (Labour Church movement). In 1899 verklaarde hij echter: 'Uit liefde voor de godsdienst houd ik op langer godsdienstpredikant te zijn'. Gedurende de jaren 1896-1899 had hij zijn christen-socialistische ideeën in het blaadje Onze Kring verkondigd, dat de dominees van De Blijde Wereld uit 1902 wel als voorloper beschouwden. Het verschil tussen de vrijzinnige Blijde Wereld-mensen en Hugenholtz was, dat hij pessimistischer was over de kracht van de geloofsprediking en de kerk. Toen hij zijn bediening neerlegde, betekende dit ook dat hij de kerk afschreef.

Hugenholtz verhuisde in 1899 naar Voorburg en werd propagandist voor de SDAP. Wel sprak hij nog veel over christendom en socialisme en bleef hij aanvankelijk hopen op bekering tot wat in zijn ogen het werkelijke christendom was. Maar nu verwachtte hij de ommekeer van het socialisme en de politieke strijd en aanvaardde hij de klassenstrijd. De economische structuur moest door de arbeiders gewijzigd worden. Voortaan zou hij zich geheel aan praktische verbeteringen wijden. Hugenholtz, die weinig behoefte aan een machtspositie had, kon het goed vinden met dat deel van de partijleiding, dat het marxisme hooguit als verklaring van maatschappelijke verschijnselen zag en op de geleidelijke ontwikkeling van kapitalisme naar socialisme de nadruk legde. In 1901 werd Hugenholtz Kamerlid voor het Fries Drentse district West-Stellingwerf. G.L. van der Zwaag, die zelf in Schoterland kandidaat was, steunde hem. Na de invoering van het algemeen kiesrecht werd Hugenholtz (in 1918) lijstaanvoerder in Utrecht. Hoewel Hugenholtz in Haarlem en later Den Haag woonde en in beide steden raadslid werd, bleef hij populair in zijn district, dat hem steeds weer herkoos. Tijdens de spoorwegstaking van 1903 was hij even stationschef te Haarlem. Voor zijn aandeel in deze staking zat hij een maand in de gevangenis.

In 1904 kreeg hij een heftig conflict met D.J. Wijnkoop, die evenals hij inspecteur was bij De Centrale Arbeiders Verzekerings- en Depositobank. Bij een reorganisatie wilde de directie Hugenholtz boven Wijnkoop plaatsen, wiens produktie zij als onvoldoende beoordeelde. Wijnkoop zag hierin een verslechtering van zijn arbeidsvoorwaarden en probeerde dit met De Centrale uit te vechten. Hij nam het Hugenholtz kwalijk, dat deze nog tijdens het geschil uitvoering aan de reorganisatie begon te geven door per briefkaart met enkele aan de inspecteur ondergeschikte verzekeringsagenten in Amsterdam een afspraak te maken. Sprak Wijnkoop van 'onderkruiperij', andere partijgenoten zagen hierin nog geen daadwerkelijke onderkruiperij omdat Hugenholtz in zijn briefkaarten een voorbehoud had gemaakt met betrekking tot de reorganisatie. Het partijbestuur steunde Hugenholtz en het conflict eindigde met het ontslag van Wijnkoop, die Hugenholtz afschilderde als een door de partijkliek beschermde revisionist en reformist. De rechtse partijen in de Kamer vreesden en haatten hem evenzeer. Hugenholtz verzorgde zijn werk tot in de puntjes, maar kon speciaal de anti-revolutionair A. Kuyper fel persoonlijk aanvallen. Juridische en militaire, speciaal marinezaken behoorden tot zijn portefeuille. Hij zette zich in voor verbetering van het strafstelsel en was in 1911 een van de eerste reclasseringsambtenaren. Tegen de Vlootwet van 1921 verzette hij zich fel. In oktober 1923 hield hij zijn laatste grote rede. In partij kringen bestond de indruk dat Hugenholtz teveel van zichzelf had gevraagd en dat dit een van de oorzaken van zijn betrekkelijk vroege dood was.

Publicaties: 

Geestdrift. Toespraak tot de ontslagen leerlingen der catechisatiën (Schiedam 1897); vertaling van L. Grönlund, De socialistische maatschappij (Amsterdam 1903); Wijnkoops verdediging (z.pl. 1906); Het verband tusschen kiesrecht en wetgeving (Amsterdam 1911); 'Terreinkennis. District Den Helder' in: De Nieuwe Tijd, 1911, 236-243; Het militairisme in de Tweede Kamer (Amsterdam 1913); 'Wettelijke maatregelen van de laatste tijd ten opzichte van drankzuchtigen' in: De Wegwijzer, 19/1916, 280-297.

Literatuur: 

Fr. Netscher, 'Karakterschets Ds F.W.N. Hugenholtz jr.' in: De Hollandsche Revue, maart 1899, 175-192; J.A. Bruins, 'Ons Blad' in: De Blijde Wereld, 16.9.1904; J. Kramer, De leugen der sociaal-democratie (Leeuwarden z.j.); D .J. Wijnkoop, Tot aanval en verweer inzake Hugenholtz en De Centrale (Amsterdam 1906); J.H. Schaper, 'In memoriam ds F.W.N. Hugenholtz jr.' in: De Socialistische Gids, 1924, 544-549; Vliegen, Kracht I, 429, 440-443; Biografisch woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland. Deel IV (Den Haag 1931) 398-399; W. van Ravesteyn, De wording van het communisme in Nederland, 1907-1925 (Amsterdam 1948) 71-78; S. de Wolff, Voor het land van belofte (Bussum 1954); A.J. Koejemans, David Wijnkoop (Amsterdam 1967) 63-66; J.J. Kalma, 'Frederik Hugenholtz solidair met de uitgestotenen' in: Leeuwarder Courant, 21 .5.1977; H.J.G. Beunders, Weg met de Vlootwet! (Bergen 1984); H. Noordegraaf, Het kruis en de rode vaan. Socialisme en christendom in Schiedam (Schiedam 1986) 17-31; H. Buiting, Richtingen- en partijstrijd in de SDAP (Amsterdam 1989); B. van Dongen, Revolutie of integratie (Amsterdam 1992).

Portret: 

F.W.N. Hugenholtz Jr., uit: Hollandsche Revue, 1899, nr. 3

Handtekening: 

Huwelijksakte dd. 08-07-1891; Aktenr. 179; Akteplaats: Arnhem.

Auteur: 
J.J. Kalma
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 95-97
Laatst gewijzigd: 

05-08-2002