HAMERSVELD, Alexander Antonius van

Alexander Antonius van Hamersveld

vakbondsbestuurder roomskatholieke handels- en kantoorbedienden, is geboren te Amersfoort op 1 mei 1868 en aldaar overleden op 30 september 1943. Hij was de zoon van Cornelis van Hamersveld, restauratiehouder, en Maria Mach(g)ielse. Op 26 november 1890 trad hij in het huwelijk met Barbara Maria Huurdeman, met wie hij twee dochters kreeg.

Van Hamersveld werkte aanvankelijk als arbeider. Kort na zijn huwelijk trok hij in maart 1891 naar Amsterdam, waar hij als bediende werk vond. Hij werd actief in de Nederlandsche R.K. Volksbond, die in 1888 was opgericht om de werkmansstand en de kleine burgerij te beveiligen tegen de 'sociale dwalingen' van die tijd. Van deze standsorganisatie werd hij secretaris. Ook werd hij actief in de kleine, sinds 1890 bestaande onderafdeling voor bedienden St. Nicolaas, die voornamelijk eenvoudige winkel- en lagere kantoorbedienden organiseerde. Hiervan werd hij in 1897 voorzitter. Door toedoen van een in 1900 door de bisschoppen ingestelde commissie om meer eenheid in de katholieke vakorganisatie te brengen, kwam St. Nicolaas eind 1901 in contact met de soortgelijke vereniging St. Augustinus uit het Sticht. Zij voelden voor oprichting van een landelijk vaksecretariaat voor bedienden, maar St. Augustinus reageerde niet op het concept-reglement dat St. Nicolaas begin 1902 had opgestuurd. Het rooms-katholiek vakcongres in september 1903 in Utrecht stelde daarop een sectie voor bedienden in, die de oprichting van een landelijk vaksecretariaat voorbereidde. Dit kwam in november 1903 in de vorm van een federatie tot stand met Van Hamersveld als voorzitter. Maar als gevolg van onenigheid in katholieke kring trok dit nauwelijks leden. Zo wilden niet alle georganiseerde katholieke bedienden lid zijn van een katholieke bond. Anderen wilden wel een landelijke katholieke bond, maar dan alleen van handels- en kantoorbedienden en zonder magazijn- en winkelbedienden. Ten slotte speelde een rol dat de bisschoppen tot 1909 voorstanders van diocesane in plaats van landelijke vakorganisatie waren, maar de statuten van het landelijk bediendensecretariaat uit 1903 reeds goedgekeurd hadden. Bij de onderhandelingen om uit deze verwikkelingen te komen, wist Van Hamersveld stand te houden. Hij keerde zich tegen de ijveraars voor diocesane bediendenorganisaties en zette, zich beroepend op de bisschoppelijk goedgekeurde statuten van het secretariaat, de omvorming tot landelijke bond door. In november 1908 werd hij voorzitter van de Nederlandsche R.K. Bond van Handels-, Kantoor- en Winkelbedienden 'St. Franciscus van Assisië' en redacteur van De R.K. Bediende. Bij de bisschop van Haarlem verdedigde hij in 1910 in een rapport dat handels-, kantoor- en winkelbedienden heel wel in één bond konden samengaan. Om te voorkomen dat protestantse bedienden in steden met een overwegend katholieke bevolking lid van een neutrale of socialistische bond zouden worden, opende hij bovendien de mogelijkheid van een 'hospitant-lidmaatschap'. In 1912, toen de bond wat begon te groeien, kwam Van Hamersveld gedeeltelijk en twee jaar later geheel in bezoldigde dienst. Bij de pogingen een katholieke vakcentrale te vormen was hij vanaf het begin betrokken, maar voor hem persoonlijk zou dit op een teleurstelling uitlopen. Eind 1907 werd hij secretaris van het voorbereidingscomité en vervolgens van het congresbestuur, dat in juli 1909 het Bureau voor de R.K. Vakorganisatie oprichtte. Op dit congres werd hij als secretaris van het Bureau voorgedragen, maar tegenkandidaat P.J.J. Haazevoet kreeg beduidend meer stemmen. Deze wilde - al dan niet gespeeld - de benoeming aanvankelijk niet aanvaarden, omdat hij Van Hamersveld de eerst aangewezene achtte. Het congres zette hem echter onder druk en droeg het nieuwe bestuur op Van Hamersveld te bedanken voor zijn bijdrage aan de totstandkoming van het Bureau. Pas bij de oprichting van het R.K. Werklieden-Verbond in 1925 kwam Van Hamersveld in het bestuur van de vakcentrale (tot 1933).

Bij de in 1918 ontstane toenadering tussen de vier bediendenbonden teneinde betere salarissen voor het kantoorpersoneel te krijgen, was St. Franciscus in beginsel tot samenwerking bereid, maar men moest rekening houden met het bisschoppelijk verbod op gezamenlijke ledenvergaderingen met niet-katholieken. Van Hamersveld wist echter zowel de rooms-katholieke beginselen hoog te houden als samen te werken met de drie andere bonden, al kwamen de twee confessionele bonden uiteindelijk tegenover de twee algemene te staan. Bij de staking die de NVV bond in 1920 bij de Fransche Bazar in Amsterdam uitriep, omdat zijn afdelingssecretaris er na een loonactie was ontslagen, liet Van Hamersveld zijn leden tijdens de staking per auto naar de zaak brengen. Zijn houding stelde de Algemeene teleur: 'weer een reputatie, die tenietgegaan is: van hem hadden wij wat anders verwacht'. Maar bij de staking bij Ten Hope in Rotterdam enkele maanden later, waarbij een lid van St. Franciscus doorwerkte, trad Van Hamersveld tot genoegen van de NVV-bond anders op door het lid dat niet bereid was het werk neer te leggen, te royeren. Bij de langdurige staking in de metaalindustrie eind 1921, waarmee ook het administratief personeel te maken had, kwam het opnieuw tot één lijn. Van het comité, dat elf bonden van hoofdarbeiders gevormd hadden om ervoor te zorgen dat de leden alleen eigen en geen onderkruiperswerk verrichtten, was Van Hamersveld zelfs voorzitter.

In de jaren twintig breidde Van Hamersveld zijn werkterrein en gezag uit. In 1919 kwam hij in het bestuur van de Federatie van Handels- en Kantoorbediendenvereenigingen in Nederland, die in 1904 ten behoeve van het handelsonderwijs gevormd was. Hiervan was hij tussen 1922 en 1933 vice-voorzitter. Ook nam hij voor de katholieke hoofdarbeiders deel aan het werk van de zogenoemde subcommissies van de Hooge Raad van Arbeid. In 1921 werd hij bij de oprichting van het Internationaal Verbond van Christelijke Organisaties van Bedienden en Technici, waarbij zowel St. Franciscus als de christelijke bediendenvereniging waren aangesloten, vice-voorzitter. Ten slotte speelde hij een rol in de Amsterdamse gemeentepolitiek, waar hij voor de R.K. Staatspartij van 1923 tot 1935 gemeenteraadslid was. In 1933 ging hij met pensioen en legde al zijn functies in de vakbeweging neer. Van Hamersveld, die al in 1922 tot ridder in de orde van Oranje Nassau was benoemd, kreeg nu de pauselijke onderscheiding 'Pro Ecclesia et Pontifice' en werd in 1937 erevoorzitter van St. Franciscus. In november 1938 keerde hij uit Amsterdam terug naar Amersfoort, waar hij na een langdurig ziekbed - volgens C.J. Kuiper had hij vooral in de latere jaren dikwijls meer van zichzelf gevorderd dan zijn zenuwgestel kon verdragen in 1943 overleed. Van Hamersveld gold als een markant vakverenigingsbestuurder, 'uiterlijk wat bars' en 'vrij agressief in zijn optreden', die levendig kon spreken en debatteren. 'Als geen ander kon hij in de discussie warmte brengen en daarmee de taaiste besprekingen opfleuren.'

Literatuur: 

C.J. Kuiper, Uit het rijk van de arbeid (Utrecht 1926, 1953); Jaarverslag St. Franciscus mei 1945 tot en met april 1946, 12; Een halve eeuw Mercurius-diploma 's (Amsterdam 1954) 26; B. Reinalda, Bedienden georganiseerd (Nijmegen 1981); J. van Meeuwen, Lijden aan eenheid. Katholieke arbeiders op zoek naar hun politiek recht (1897-1929) (Hilversum 1998).

Portret: 

A.A. van Hamersveld, uit: Gedenkboek... van den Nederl. R.K. Bond van handels-, Kantoor- en Winkelbedienden St. Franciscus van Assisië (Amsterdam z.j.)

Auteur: 
Jos van Meeuwen, Bob Reinalda
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 72-74
Laatst gewijzigd: 

05-08-2002