HAAZEVOET, Petrus Johannes Josephus

Petrus Johannes Josephus Haazevoet

(roepnaam: Piet), voorzitter Nederlandsche R.K. Diamantbewerkers Vereeniging en secretaris Bureau voor de R.K. Vakorganisatie, is geboren te Amsterdam op 31 maart 1876 en aldaar overleden op 11 september 1954. Hij was de zoon van Hendricus Johannes Haazevoet, aanspreker, en Dina Maria van Hemert. Op 10 september 1908 trad hij in het huwelijk met Alida Maria Smorenburg, met wie hij twee dochters en twee zoons kreeg.

Haazevoet werd geboren in de oude joodse buurt van Amsterdam en kwam- als vele buurtgenoten - na de lagere school terecht in het diamantvak. Hij werd brilliantsnijder. De organisatiedrang van de diamantbewerkers was hem niet vreemd, maar op socialistische bijeenkomsten voelde hij zich niet erg thuis, omdat hij, zoals hij later zei, een hekel had aan het daar heersende anti-papisme. Haazevoet werd lid van het kleine katholieke diamantbewerkersgilde Sint Eduardus, dat in 1894 werd opgericht als onderafdeling van de Amsterdamsche R.K. Volksbond. In 1898 werd hij gekozen tot tweede voorzitter van het gilde en bestuurslid van de Volksbond.

Als voorzitter (1901-1915) van de sinds 1902 officieel geheten Nederlandsche R.K. Diamantbewerkers Vereeniging nam Haazevoet stappen om te komen tot een landelijke bundeling van de rooms-katholieke vakorganisaties in Nederland. Zijn eerste pogingen in die richting in de jaren 1900 tot 1905 strandden op de nog niet uitgevochten kwesties van de nationale of diocesane organisatievorm, het interconfessionalisme en de verhouding tussen vak- en standsorganisatie. Pas op 18 juli 1909 vond de oprichtingsvergadering plaats van het Bureau voor de R.K. Vakorganisatie (kortweg: R .K. Vakbureau). Haazevoet, die deel uitmaakte van de voorbereidingscommissie en op het R.K. Vakcongres van 1908 een inleiding hield over betekenis, doel en middelen van een rooms-katholieke vakcentrale, werd gekozen tot secretaris. In die functie gaf hij, volgens zijn medebestuurder C.J. Kuiper, met veel inzet, werkkracht en resultaat leiding aan de versterking van de katholieke vakbeweging. Hij nam het initiatief tot de oprichting van het paradefonds van de katholieke arbeidersbeweging Herwonnen Levenskracht, gericht op de tuberculosebestrijding. Hiervan was hij tot 1920 voorzitter. Hij was redacteur van het kaderblad De R.K. Vakbeweging (1911-1917) en oprichter en penningmeester van de Eigen Drukkerij van het Vakbureau (1916-1918). Als uitgesproken katholiek vakbondsman was Haazevoet volop verwikkeld in de inhoudelijk-organisatorische discussies en persoonlijke vetes tussen de katholieke arbeidersvoormannen, die op de achtergrond werden gesouffleerd door hun geestelijke raadslieden. Kuiper beschrijft Haazevoet als een man met een scherpe pen, die met groot gemak het wapen van de spot hanteerde, gepaard aan een schromelijk gebrek aan tact en zelfbeheersing.

In 1912 was Haazevoet de gebeten hond voor de (voormalige) aanhangers van de interconfessionele vakbewegingsgedachte en de voorstanders van de standsorganisatie, toen hij het waagde de geëerde Alfons Ariëns te beschuldigen van (verboden) interconfessionalistische strevingen gericht tegen de katholieke vakbeweging. Ariëns ontkende en zijn collega-priesters H.A. Poels, D.A.W.H. Sloet, A. Rijken en J.G. van Schaik namen het voor hem op. De laatste, geestelijk adviseur van de Diocesane Bond van R.K. Werkliedenvereenigingen in het aartsbisdom Utrecht, vond het beter 'dat onze hele vakactie in discrediet komt, dan dat de ploertigheden van Haazevoet worden geduld'. Ook de voorzitter van de landelijke federatie van R.K. arbeidersstandsorganisaties (Federatie der Diocesane Volks- en Werkliedenbonden) Henri Hermans deed een duit in het zakje: 'De toekomst zal leren, dat personen als Haazevoet zich onmogelijk in onze beweging kunnen handhaven'. Volgens Gerard Brom, de biograaf van Ariëns, had Haazevoet zelf nota bene eerder deel uitgemaakt van een 'club voor het bevorderen van de christelijke vakorganisatie'. Haazevoet zelf gaf een heel andere lezing. Het ging om geheime besprekingen, die plaatsvonden in de jaren 1902 tot 1905, over de toekomstige ontwikkeling van de katholieke arbeidersbeweging tussen arbeidersvoormannen als Hendrik Engels (ex Unitas, voorzitter van de Utrechtsche Diocesane Werkliedenbond, later werkzaam op het Centraal Bureau van de Katholieke Sociale Actie en representant van de zogenoemde 'Leidse school'), Hermans (exponent van de 'Limburgse school') en de Unitas mannen H.J. Stins en B. Hutten. Zij waren als bestuursleden van deze interconfessionele textielarbeidersbond betrokken bij de oprichting van het oorspronkelijk interconfessionele CNV in 1909 en maakten deel uit van het eerste bestuur van het CNV. Stins en Hutten zouden geprobeerd hebben Haazevoet over te halen tot het interconfessionele standpunt maar, zei Haazevoet, 'ik hield mijn opvatting staande uit principe en uit gehoorzaamheid aan de bisschoppen'. Hierin werd hij bijgevallen door H. Engels. Als kwade genius achter Haazevoet werd beschouwd de geestelijk adviseur van het Vakbureau, F.X.W. Bult, die door historicus L.J. Rogier wordt afgeschilderd als het filiaal van het integralisme binnen het R.K. Vakbureau. Hij zette de katholieke vakbondsleiders op tegen de 'Klarenbeekse richting', die in het geheim zou ijveren voor de interconfessionele vakbeweging om zo de katholieke arbeiders verdeeld te houden. Bult vertelde hem dat de 'Klarenbeeksche Club' -een informele gespreksgroep van sociaal-voelende katholieken - zich richtte tegen het katholieke eenheidsstreven van H.J.A.M. Schaepman en dat de club verboden was door de aartsbisschop en daarom in het geheim bijeenkwam. Na het verlies van de strijd om het interconfessionalisme wierpen de Klarenbekers zich op de standsorganisatie en zouden zij zich ook in het geheim op politiek terrein begeven hebben, aldus de lezing van Bult. Onder zware druk nam Haazevoet ten slotte de verdachtmaking aan het adres van Ariëns terug. Achteraf is gebleken, dat Engels de geheime informant was, op wie Haazevoet zich gebaseerd had. In 1915 kwamen Haazevoet en Jan van Rijzewijk, de voorzitter van het R.K. Vakbureau, opnieuw openlijk in botsing met de standsorganisatie als ondertekenaars van de zogenaamde 'driecentscirculaire', waarin het Vakbureau zich keerde tegen een door de standsorganisatie aangekondigde contributieverhoging en het voor arbeiders verplichte dubbele lidmaatschap, namelijk zowel van de vak- als de standsorganisatie. De controverse werd beslist door het bisschoppelijk communiqué van 1916 ten gunste van de standsorganisatie en de opvattingen van de 'Limburgse School', zoals verwoord door Poels. Tegelijk werd Bult - officieel wegens gezondheidsredenen - als geestelijk adviseur van het R.K. Vakbureau vervangen door Van Schaik.

Vanwege zijn verkiezing tot lid van de Tweede Kamer in 1918 nam Haazevoet afscheid als secretaris van het R.K. Vakbureau. Hij bleef wel aan als bestuurslid tot eind 1920. Toen stapte hij op, volgens Kuiper wegens 'meningsverschillen van tactische en andere aard'. Waarschijnlijk hadden deze betrekking op de overeenstemming, die de besturen van de R.K. vak- en standsorganisatie bereikt hadden om te komen tot één rooms-katholieke arbeiderscentrale. In de R.K. Kamerfractie bemoeide Haazevoet zich onder meer met de katholieke tegenacties tegen de 'revolutionaire stroomingen' van dat moment. In april 1922 was Haazevoet aanwezig op een vergadering van katholieke arbeiderskopstukken en democraten, die de rooms-katholieke politieke partij in progressieve richting wilden sturen. Deze vergadering vormde het startpunt van J. Veraarts Michaëlisme. Bij de Tweede Kamerverkiezingen in datzelfde jaar kreeg Haazevoet een onverkiesbare plaats toebedeeld. Maar hij werd door de katholieke leden van de Provinciale Staten van Noord-Holland wel gekozen tot lid van de Eerste Kamer. Buiten het parlement was Haazevoet in de jaren twintig nog actief als redacteur van Het Nieuwe Volk, als hoofdbestuurder van de Nederlandsche R.K. Bond van Groote Gezinnen (1924) en als voorzitter van de R.K. Bond van Woningbouwvereenigingen (1920-1925). In het najaar van 1927 kwam hij in opspraak wegens een rapport van de Verzekeringskamer over boekhoudkundige onregelmatigheden bij de Nederlandsche Spaarverzekering voor Katholieken, waarvan hij sedert 1921 directeur was. Het faillissement volgde en Haazevoet werd van alle kanten tot aftreden gemaand. Op 15 februari 1928 werd zijn ontslagbrief voorgelezen in de senaat. Daarmee kwam een einde aan zijn activiteiten. In het begin van de jaren dertig sympathiseerde Haazevoet met de dissident-democratische R.K. Volkspartij (RKVP). In haar weekblad Onze Vaan blikte hij terug op de bewogen beginjaren van de katholieke arbeidersbeweging. Hij werd genoemd als lid van een commissie van de RKVP, die de mogelijkheden van een eigen dagblad moest nagaan. Daarna werd het stil rond zijn persoon. Aan het overlijden in 1954 als één van de pioniers van de katholieke arbeidersbeweging wijdde noch de Volkskrant noch het kaderblad van de Katholieke Arbeiders Beweging Ruim Zicht een woord.

Publicaties: 

Leerboek der R.K. Vakbeweging. Inleiding (Castricum 1922).

Literatuur: 

C.J. Kuiper, Uit het rijk van den arbeid. 3 delen (Utrecht 1925-1953); Onze Vaan, 24.6., 1. en 8.7.1932; G. Brom, Alfons Ariëns (Amsterdam 1941); J. van Meeuwen, Lijden aan eenheid. Katholieke arbeiders op zoek naar hun politiek recht (1897-1929) (Hilversum 1998); I. Kuypers, In de schaduw van de grote oorlog. De Nederlandse arbeidersbeweging en de overheid, 1914-1920 (Amsterdam 2002).

Portret: 

P.J.J. Haazevoet, uit: C.J. Kuiper, Uit het rijk van den arbeid. Deel I (Utrecht 1924) t.o. 33

Auteur: 
Jos van Meeuwen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 63-66
Laatst gewijzigd: 

26-08-2002