POTHUIS, Samuel

Samuel Pothuis

secretaris Amsterdamsche Bestuurdersbond, is geboren te Amsterdam op 30 september 1873 en aldaar overleden op 9 mei 1937. Hij was de zoon van Joseph Elias Pothuis, koopman, en Esther Brandon. Op 29 oktober 1903 trad hij in het huwelijk met Wilhelmina Carolina Benjamina Smit, onderwijzeres en later het eerste vrouwelijke lid van de Eerste Kamer, met wie hij twee dochters en een zoon kreeg. Pothuis gebruikte als tweede voornaam Joseph.

Pothuis verloor al op twaalfjarige leeftijd zijn vader en werd toen om de financiële zorgen van het gezin te helpen verlichten diamantbewerker. Studieus van aard bleef hij aan zijn ontwikkeling werken en behaalde al jong het diploma boekhouden. Reeds in 1890 werd hij lid van de Sociaal-Democratische Bond en vier jaar later, in mei 1894, stichtte hij de Brillantsnijdsters en Snijders-Vereeniging, waarvan hij voorzitter werd. In november 1894 was hij lid van het stakingscomité van de diamantbewerkers tijdens hun grote actie waaruit de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkers Bond (ANDB) zou voortkomen. In 1896 werd hij lid van de Centrale Raad van de Socialistenbond, waar hij tot de kleine minderheid behoorde die ook na het uittreden van de anarchist geworden F. Domela Nieuwenhuis in 1898 deze organisatie wilde handhaven. In 1899 was Pothuis een der oprichters van de Amsterdamsche Bestuurdersbond (ABB), waarvan hij terstond bestuurslid en vanaf 1901 bezoldigd secretaris werd, een functie die hij 32 jaar lang zou vervullen. Hier vond hij zijn levenstaak als organisator van de moderne vakbeweging in de hoofdstad. In 1900 was hij met het restant van de Socialistenbond naar de SDAP overgekomen. Als secretaris van de ABB had hij mede een zware strijd te voeren tegen het op syndicalistisch standpunt staande Plaatselijk Arbeids-Secretariaat. De ABB heeft een rol gespeeld bij de voorbereiding van de totstandkoming van het NVV in 1905, waarbij Pothuis uiterst voorzichtig positie koos.

In 1906 vervulde Pothuis het redacteurschap van het kortstondig bestaande Amsterdamse weekblad De Sociaaldemokraat. Het jaar daarop werd hij tot lid van de gemeenteraad van Amsterdam en ook van de Provinciale Staten van Noord-Holland gekozen, waar de sociaal-democratische fracties toen nog klein van omvang waren. Hij zou zich hier in het bijzonder met de arbeidsvoorwaarden van het overheidspersoneel bezig houden. Binnen de SDAP behoorde hij tot de linkervleugel, zodat hij evenals zijn echtgenote het manifest der 48 'marxistische' partijgenoten in januari 1909 mede ondertekende. Hij woonde op 7 februari 1909 een vergadering van de Tribunisten bij, waar hij voor opheffing van dit orgaan pleitte en aldus het in deze gehuldigde standpunt van F.M. Wibaut deelde. Vele bijdragen leverde hij aan het marxistische maandblad De Nieuwe Tijd in de jaren 1908 tot 1916, daarna aan De Socialistische Gids en ook aan het orgaan De Gemeente van de Vereeniging van Sociaal-Democratische Gemeenteraads- en Provinciale Statenleden. Deze publikaties betroffen met name het terrein van de vakbeweging, de werkloosheid en de sociale verzekering. Als lid van de Raad van Arbeid kwam hij ook met de praktijk van dit laatste terrein in aanraking.

Een belangrijk deel van zijn werkzaamheid lag op het gebied van de arbeidersontwikkeling. Van de in 1910 totstandgekomen Centrale Commissie voor Arbeidersontwikkeling te Amsterdam werd hij in 1916 secretaris. Later, in 1924, werd hij bestuurslid van het toen opgerichte Instituut voor Arbeidersontwikkeling. Hij ontwikkelde toen echter een aan die van bezoldigd bestuurder J.J. Vorrink tegengestelde visie op de aard van de arbeidersontwikkeling. De Centrale Commissie in de hoofdstad kon evenwel, gesteund door de Federatie Amsterdam van de SDAP en de ABB nog zelfstandig blijven voortbestaan. Op zestigjarige leeftijd, in 1933, moest Pothuis niet geheel con amore blijkens het getuigenis van Ed. Polak, zijn taak bij de ABB neerleggen en twee jaar later ook die van gemeenteraadslid. Samen met zijn echtgenote schreef hij tegen het vanwege zijn nonconformistische denkbeelden tot veel discussie aanleiding gevende boek van de Wibauts Wordend huwelijk (1932) een kritisch behoudender werk onder de titel Zoo kan het huwelijk worden (Amsterdam 1932).

Publicaties: 

Behalve de genoemde Werkloosheid. Rapport v.h. werkloosheidscomité te Amsterdam aan de arbeiders van Amsterdam en Nederland (z.pl. z.j.; met J.C. Ceton); Tegen Zondags- en nachtarbeid en vóór versterking der vakorganisatie (Amsterdam z.j.); Arbeidsovereenkomsten uit Amsterdam of de reglementeering der loonslavernij (Amsterdam 1909); Administratieve kennis. Handleiding ten dienste der arbeiders-vereenigingen tevens voor cursus-onderricht en zelfstudie (Amsterdam 1912; met I.G. Keesing); 'Collectief arbeidscontract en verplicht lidmaatschap' in: De Socialistische Gids, 1917, 48-58; Arbeiders-weekloonen in een aantal bedrijven en vakken te Amsterdam (Amsterdam 1917); 'Ernstige verminkingen van jeugdige personen' in: De Socialistische Gids, 1918, 690-695; De nieuwe gemeentehuishouding en de vrouw (Amsterdam 1919; met Liede Tilanus).

Literatuur: 

P. Hoogland, Vijf en twintig jaren socaal-demokratie in de hoofdstad (Amsterdam 1928); Vliegen, Kracht I, 311-312; Ed. Polak, 'S.J. Pothuis' in: De Socialistische Gids, 1937, 286-288; M. de Roode-Heijermans, 'Ter herinnering aan S.J. Pothuis' in: De Vakbeweging, 27.5.1937, 3; P.J. Meertens, 'Pothuis (Samuel Joseph)' in: Mededelingenblad, nr. 5, november 1954, 5-7; H. Buiting, Richtingen- en partijstrijd in de SDAP. Het ontstaan van de Sociaal-Democratische Partij in Nederland (SDP) (Amsterdam 1989); B. van Dongen, Revolutie of integratie (Amsterdam 1992); S. Bloemgarten, Henri Polak. Sociaal democraat 1868-1943 (Den Haag 1993); G.W.B. Borrie, Monne de Miranda (Den Haag 1993); P. Hofland, Leden van de Raad. De Amsterdamse gemeenteraad 1814-1941 (Amsterdam 1998).

Portret: 

S.J. Pothuis, IISG

Auteur: 
P.J. Meertens, Albert F. Mellink
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 117-119
Laatst gewijzigd: 

09-11-2007