WIBAUT, Florentinus Marinus

Florentinus Marinus Wibaut

(roepnaam: Floor), wethouder van Amsterdam en SDAP-leider, is geboren te Vlissingen op 23 juni 1859 en overleden te Amsterdam op 29 april 1936. Hij was de zoon van Florentinus Wibaut, handelaar in brandstoffen, en Wilhelmina Maria Slaat. Op 6 mei 1885 trad hij in het huwelijk met Mathilde Berdenis van Berlekom, onderwijzeres, met wie hij twee dochters en twee zoons kreeg.
Pseudoniem: Zelandus.

Wibaut, 'een der allerinvloedrijkste sociaaldemokratische leiders' in ons land (W.H. Vliegen), een Zeeuw van geboorte, het tiende kind in een rooms-katholiek gezin, is langs geheel eigen wegen tot het socialisme gekomen. Na het volgen van lager onderwijs in zijn geboorteplaats ging hij op zijn twaalfde jaar naar de kostschool te Rolduc in Zuid-Limburg. De dood van een oudere broer deed hem besluiten priester te worden. Hij gaf blijk van een grote vroomheid. Zijn ouders gaven er echter de voorkeur aan dat hun begaafde zoon de openbare handelsschool te Amsterdam ging bezoeken voor zijn verdere opleiding. Op veertienjarige leeftijd kwam de voor indrukken uiterst ontvankelijke jongeman in de stad waar hij later een zo vooraanstaande positie zou innemen. Hij las veel en kwam zeer onder de indruk van het werk van Multatuli. In 1875 woonde hij de première van Vorstenschool bij. Toen hij zestien was, had het katholicisme reeds alle invloed op hem verloren, zeker nadat hij bij zijn biechtvader tweeslachtigheid had menen te ontdekken. Na het eindexamen aan de handelsschool, waar hij een goede opleiding zowel in de moderne talen als in andere vakken ontving, keerde hij terug naar Zeeland, waar hij in dienst trad bij de houthandel van de firma Alberts te Middelburg. Zijn wens om een academische studie te kunnen volgen in rechts- en staatswetenschappen ging dus niet in vervulling. Voor de zaak moest hij spoedig grote reizen maken, onder andere naar Rusland en de Balkan. Toen de firma een naamloze vennootschap werd, klom hij op tot mededirecteur.

Omstreeks 1880 woonde Wibaut te Middelburg de voordrachten bij die Multatuli daar kwam houden. Zijn waardering voor de schrijver, vooral voor zijn denkbeelden over de ontwikkeling van de jonge vrouw, steeg nog in deze tijd. Hij ontmoette de gezusters Berdenis van Berlekom (van niet-katholieke huize), die zijn sympathieën deelden en van wie de jongste zijn vrouw zou worden. Hoewel Wibaut verklaarde nooit 'Multatuliaan' geweest te zijn, heeft deze figuur op zijn ontwikkelingsgang toch grote invloed uitgeoefend. Met zijn collega C.M. Ghijsen zou hij als enige Nederlander in 1887 de crematie van de schrijver te Gotha bijwonen. Geestverwante vrienden vond hij ook in de oudere Middelburger P.L. Tak, toentertijd radicaal journalist te Amsterdam, en in zijn leeftijdgenoot F. van der Goes, redacteur van De Nieuwe Gids. Beiden speelden een rol bij het begin van Wibauts openbaar optreden in 1891, wanneer zijn vertaling van de Fabian essays in socialism met inleiding verschijnt. Van der Goes, die toen reeds lid van de Sociaal-Democratische Bond (SDB) was, had hem gevraagd de vertaling van dit werk op zich te nemen. Hij beschouwde deze arbeid als een geloofsbelijdenis in het socialisme als stelsel van gemeenschappelijk eigendom van produktiemiddelen en grond en van gemeenschappelijke voortbrenging en rechtvaardige distributie, een geloofsbelijdenis ook in de volledige democratie middels algemeen kiesrecht als weg daartoe. Hij werd bovendien lid van de Engelse Fabian Society, die niet zozeer de klassenstrijd benadrukte, maar propaganda wilde maken onder alle klassen der samenleving. In het bijzonder op het lokale niveau achtten zij maatschappelijke hervormingen mogelijk, een ideaal dat Wibaut blijvend geïnspireerd heeft. Het is duidelijk dat deze richting niet in de eerste plaats door het denken van Karl Marx werd geleid, maar veeleer door dat van empirici als John Stuart Mill, die Wibaut zeer hoogschatte. In het Sociaal Weekblad schreef hij op uitnodiging van M.W.F. Treub in 1892 een artikel over de Engelse vakverenigingen en plaatste hij in maart 1893 zijn oproep 'Honger en Schrik', bedoeld als aansporing om geld bijeen te brengen ten behoeve van de gezinnen van de in die winter in Friesland tot zware vonnissen veroordeelde arbeiders. Er werd een comité gevormd, dat in radicale kring ruime adhesie kreeg. Tak was secretaris-penningmeester bij afwezigheid van Wibaut. Toen eind 1894 het weekblad De Kroniek begon te verschijnen onder redactie van Tak, werd Wibaut ook daarvan een zeer actief medewerker voor sociaal-economische vraagstukken. Behalve met Van der Goes had hij ook met andere vooraanstaande sociaal-democraten als P.J. Troelstra en Vliegen reeds aanraking en hij verleende ook financiële steun aan de arbeidersbeweging. In het najaar van 1897 namen Wibaut en zijn vrouw het besluit tot de SDAP toe te treden, waarvan zijn radicale Fabian-inslag hem tot dan toe weerhouden had (Tak zou pas in 1899 volgen). Het internationaal congres te Londen in 1896, dat hij als verslaggever bezocht, verschafte hem relaties die hem te pas kwamen bij het aantrekken van buitenlandse socialistische sprekers in Nederlandse universiteitssteden in de winter van 1896/1897. Door zijn emotionele geaardheid was zijn toenmalige voorzitterschap bij deze lezingen nog geen groot succes. Met H. Roland Holst kwam hij toen voor het eerst in contact. Tot de jongere adepten uit de studentenwereld die gewonnen werden, behoorde de Delftenaar J.W. Albarda, die na een briefwisseling met Wibaut in 1899 tot de SDAP toetrad.

Op het eerste door hem bijgewoonde partijcongres, dat te Leeuwarden in 1899, sprak Wibaut over het vraagstuk van de verbruikscoöperaties, waarmee hij als rechtgeaard Fabian ook in de komende jaren bemoeienis zou hebben. Bij de oprichting van Het Volk in 1900 was hij mede betrokken als lid van de Commissie van Beheer. Hij was aanwezig op het internationaal congres te Parijs in dat jaar, waar hij (evenals te Amsterdam in 1904) over de betekenis van de trusts sprak. Tot 1904 zou hij nog te Middelburg in zijn bedrijf werkzaam blijven, maar intussen raakte hij steeds meer in de sociaal-democratische beweging betrokken. Een markant incident viel voor op het SDAP-congres te Utrecht in 1901, waar H. Gorter tegen Troelstra optrad inzake de agrarische kwestie en Wibaut zich geroepen voelde op een gegeven moment 'de voortreffelijke Gorter' in bescherming te nemen tegen de debaterstrucs van de partijleider. De Multatuliaan en Fabian Wibaut werd mede door gevoelsoverwegingen gedreven zich aan de zijde van de marxistische Nieuwe Tijd-groep te scharen, waarin Van der Goes, Gorter en H. Roland Holst de toon aangaven. Tijdens het grote conflict waarin de arbeidersbeweging in het eerste kwartaal van 1903 met de regering-Kuyper verwikkeld raakte, stond Wibaut van de aanvang af anders dan de marxisten afwijzend tegenover de politieke staking tegen de worgwetten vanwege de te verwachten gevolgen. Hij wierp zich toen op de voorbereiding van zijn publikatie Trusts en kartels (Amsterdam 1903). Hiermee hoorde hij tot de eerste socialisten die zich aan een analyse van het imperialisme zetten. In 1913 publiceerde hij in De Nieuwe Tijd over 'De nieuwste ontwikkeling van het kapitalisme' (284-309, 337-349), waarbij hij aantoonde dat steeds meer bankdirecteuren in de besturen van grote ondernemingen kwamen en dat dergelijke personele unies of gedeelde benoemingen veelvuldig voorkwamen.

In de zomer van 1904 zou het gezin Wibaut Middelburg verlaten en zich te Amsterdam vestigen aan de Weesperzijde, in de buurt van Tak, de befaamde afdeling III van de partij. Hoewel hij tot 1914 nog bij de Middelburgse houthandel betrokken bleef, waren zijn voornemens om met Tak in de gemeentelijke politiek van Amsterdam werkzaam te zijn niet onduidelijk. In 1905 aanvaardde hij een niet geheel kansloze kandidatuur in het district Leeuwarden, maar hij ambieerde het Kamerlidmaatschap niet. Na het Haagse congres van de SDAP van 1905 werd hij lid van het partijbestuur, waarin hij de tot Kamerlid verkozen voorzitter Tak verving en waarin een marxistische meerderheid was. In deze functie is hij er niet in geslaagd de groeiende tegenstellingen binnen de partij te overbruggen (evenmin als de overbelaste Tak trouwens). Troelstra overrompelde de SDAP in 1906 met zijn brochure Inzake partijleiding en na het Utrechtse congres van dat jaar, waar het zittende partijbestuur in feite de nederlaag leed, gingen de gezamenlijke marxisten uit protest in 'dienstweigering', ook Wibaut. Maar een jaar later behoorde hij mede tot degenen die de verzoening op het congres te Haarlem toejuichten.

Het jaar 1907 bracht het begin van Wibauts loopbaan in de gemeentepolitiek door zijn verkiezing in de raad van Amsterdam (evenals in de Provinciale Staten van Noord-Holland). Bovendien aanvaardde hij toen op verzoek van Tak de redactie van het sociaal-democratische orgaan De Gemeente (in 1906 reeds de mederedactie van De Kroniek). Hij bleef tot de marxistische stroming behoren. In dezelfde tijd werd hij in de redactie van De Nieuwe Tijd opgenomen en zelfs de Tribunisten zou hij de beschermende hand boven het hoofd houden. In 1908 werd hij weer in het partijbestuur gekozen, waarin hij tot 1935 onafgebroken zitting zou hebben. Bij de interne crisis in de partij die met het royement van de Tribune-redacteuren op het buitengewoon congres te Deventer in 1909 eindigde, was Wibaut weer niet succesvol in zijn aanvankelijk pogen samen met een meerderheid van het partijbestuur (waaronder Vliegen) deze afloop te voorkomen. Hoewel hij in januari 1909 een nieuwe dienstweigering overwoog, bezweek hij ten slotte voor het optreden van Troelstra, die met zijn voorstel voor een marxistisch Weekblad verdeeldheid in de kring van de marxisten wist te brengen. Wibauts ontroering aan het einde van het congres kan niet gespeeld zijn geweest. Het Weekblad, waarvan hij eerst met H. Roland Holst en daarna met Van der Goes de redactie voerde, was geen succes. Voortaan zou Wibaut zich concentreren op de praktische arbeid op gemeentelijk niveau, die hem het meeste lag.

Het aantal raadsleden van de SDAP te Amsterdam steeg in de volgende jaren snel. In 1911 diende Wibaut, die voorzitter van een fractie van twaalf was, een voorstel in tot de bouw van 2000 goedkope arbeiderswoningen door de gemeente. De eventuele aanneming van wethouderszetels drong zich gaandeweg op, maar Wibaut stond met zijn Weekbladvrienden op anti-ministerialistisch standpunt. Dit bleek in 1913, toen hij op het buitengewoon congres te Zwolle de woordvoerder was van de minderheid die aanvaarding van ministerportefeuilles afwees, tegenover Troelstra en anderen, die toen op dit punt verloren. Vrij spoedig daarna echter, in maart 1914, werd de bijna 55-jarige door de gemeenteraad tot vijfde wethouder van de hoofdstad gekozen, belast met Volkshuisvesting en Arbeidszaken (Vliegen werd een half jaar later wethouder van Publieke Werken). Na het uitbreken van de wereldoorlog werd Wibaut ook met de Levensmiddelenvoorziening belast, een moeilijke taak onder de gegeven omstandigheden, daar hij mede van de regering afhankelijk was. Wibaut was dus gouvernementeel geworden en hij volgde ondanks zijn pacifistische gezindheid de partijkoers ten aanzien van de oorlog, ook toen zich in 1915 een brede oppositionele stroming in de SDAP openbaarde die daartegen inging. Hij weigerde zijn vriendin H. Roland Holst om adhesie te betuigen met het manifest van Zimmerwald in dat jaar (V.I. Lenin, die hem eerder in de Socialistische Internationale ontmoet had, kon dit nauwelijks geloven). In 1916 verliet hij De Nieuwe Tijd-redactie om mee te gaan werken aan de nieuwe Socialistische Gids.

Een bittere ervaring voor Wibaut was het aardappeloproer te Amsterdam in juli 1917, waarbij doden en gewonden vielen. De medeverantwoordelijkheid hiervoor moet hem zwaar gedrukt hebben, de felle kritiek van de Tribunisten had hij thans te verduren. Toen H. Roland Holst tot de redactie van De Tribune toetrad, heeft hij de vriendschap met haar in deze jaren verbroken. Wibaut schreed verder op de weg naar het ministerialisme, toen hij op het SDAP-congres te Arnhem in februari 1918 het economisch-financiële gedeelte van het verkiezingsprogram toelichtte. Reeds werd hij door Troelstra in een Kamerdebat als kandidaat van de partij voor het ministerschap in plaats van Posthuma genoemd. Zijn oude Nieuwe Tijd-vriend Wiedijk zei hem de persoonlijke omgang op. In de novemberdagen van dit jaar kantte de Amsterdamse wethouder en waarnemend burgemeester zich in het partijbestuur duidelijk tegen Troelstra's revolutionaire bevliegingen. Hij voerde het woord op het buitengewoon congres van de beweging te Rotterdam over de economische en sociale eisen, maar vermocht in deze situatie zijn gehoor niet zeer te boeien. In 1919 werd hij wethouder van Financiën en later ook van Gemeentebedrijven, terwijl S.R. de Miranda de Levensmiddelenvoorziening overnam en vervolgens ook met de Volkshuisvesting belast werd. Partijleider Troelstra had voor deze gemeentelijke bestuursarbeid geen hoge waardering blijkens zijn uitlating van februari 1920 over propagandisten die hij wel van hun Amsterdamse wethouderszetels wilde trappen. Wibaut zijnerzijds schatte dit door hem gekozen werkterrein hoog, ook als voorbereidende etappe in de geleidelijke socialistische omvorming van het maatschappelijk bestel. Hij presideerde de in 1919 ingestelde Socialisatiecommissie van de partij, die het volgend jaar haar rapport uitbracht. Wibaut zag als Fabian vooral de economische en sociale kanten van het vraagstuk, Troelstra benadrukte met name de politieke machtsaspecten. Ook in het kader van de herrijzende Internationale - tijdens de wereldoorlog had Wibaut aan vele conferenties, ook die te Stockholm in 1917, met Troelstra en anderen deelgenomen - speelde deze problematiek, zo te Genève in de zomer van 1920, waar ook het echtpaar S. en B. Webb aan de discussie deelnam. Wibaut was niet zeer geporteerd voor Troelstra's denkbeelden aangaande een politiek systeem en de daaruit voortvloeiende nieuwe organen.

De oude linkse neigingen ontbraken bij Wibaut ook nu niet geheel, zoals bleek toen hij in 1920 de Duitse communiste Clara Zetkin in zijn huis opnam, nadat zij aangehouden was ter gelegenheid van een internationale communistische conferentie te Amsterdam. Ook met H. Roland Holst zou de vriendschap in de jaren twintig hervat worden. In 1921 legde hij zijn wethouderschap tijdelijk neer wegens de door het dagelijks bestuur tegen stakende gemeentewerklieden genomen maatregelen. Het jaar daarop werd hij ook tot Eerste Kamerlid gekozen, waar hij voorzitter van de SDAP-fractie werd. Opnieuw doemde in 1923 na de Vlootwetcrisis even de mogelijkheid van een ministerschap op, toen Troelstra hem als alternatief voor Colijn presenteerde. Het bleef echter bij de invloedrijke positie die hij als gemeentebestuurder van Amsterdam innam. Terecht werd hij in deze tijd als 'de machtige' aangeduid, die in 1925 bij het 650-jarig bestaan van de stad in het bijzijn van vele hooggeplaatsten in het paleis op de Dam zijn befaamde rede 'Morgen' hield: 'het bestuur van Amsterdam morgen zal zijn het bestuur als orgaan van de werkers van allerlei soort, het orgaan der arbeidersklasse'. Weliswaar openbaarde zich een vaak hardnekkige oppositie in de raad tegen zijn financieel beleid dat duur heette. Tegen de neiging van de banken om in hun kredietpolitiek aan de gemeente voorwaarden te formuleren die volgens hem enkel tot de competentie van het gemeentebestuur hoorden, verzette Wibaut zich fel. In 1924 zag hij er niet tegen op het geld dat de stad voor haar beleid nodig had niet in Nederland maar in Engeland te lenen. Van 1927 tot 1929 was er een intermezzo zonder socialistische wethouders, maar na een overeenkomst van Wibaut met de jonge aanvoerder van de rooms-katholieke fractie C.P.M. Romme kwamen zij in 1929 weer terug. Wibaut kon toen zijn laatste periode uitdienen, tot hij zich in 1931 uit het gemeentebestuur terugtrok. De nieuwe wet op de financiële verhouding tussen rijk en gemeente van minister D.J. de Geer had hij als lid van de senaat in 1929 met alle inzet bestreden, zij het tevergeefs. Eerbewijzen voor 'de machtige' ontbraken bij zijn afscheid niet. In 1928 was hij al eredoctor van de universiteit van de stad geworden, in 1931 ontving hij de gouden eremedaille van Amsterdam. Maar de 72-jarige wenste nog geen afscheid te nemen van de beweging waarin hij een populariteit verworven had als tevoren Troelstra, ook al was hij meer bestuurder dan politicus en zeer weinig agitator. Wibaut, die de Pinksterfeesten van de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC) rond het kamphuis De Paasheuvel regelmatig bezocht, schonk de AJC bij zijn zeventigste verjaardag een tweede huis op dat terrein, het Rode Valkennest. Tot 1935 bleef hij zijn functies in het partijbestuur, de executieve van de Socialistische Arbeiders Internationale en de Eerste Kamer vervullen (ook bleef hij voorzitter van de Internationale Stedenbond). Bevrijd van zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid van alledag lijkt de ware Wibaut, de Multatuliaan en Fabian, zich opnieuw ten volle te openbaren in zijn laatste levensjaren. In 1932 verscheen het boek Wordend huwelijk, waarin hij met zijn echtgenote een aantal nonconformistische denkbeelden op het gebied van het seksuele en huwelijksleven neerlegde. Het boek verwekte ook in sociaal-democratische kring enige commotie (het echtpaar Pothuis schreef een tegenpublikatie). In hetzelfde jaar richtte hij mede de afdeling Nederland van de Weltliga für Sexualreform op. Een speciale belangstelling toonde Wibaut, evenals de Engelse Fabians S. en B. Webb en G.B. Shaw, voor de ontwikkeling van Sovjet Rusland tijdens de vijfjarenplannen. Reeds in 1931 verscheen een desbetreffend geschrift van zijn hand. In het bijzonder het aspect van planning van het economisch leven sprak hem aan, hoezeer er ook politieke reserves tegenover het regime bestonden. Toen in de SDAP een roerige linkervleugel op het congres van Haarlem in 1932 werd uitgesloten - zijn oude vriend Van der Goes behoorde er toe - trachtte hij als te Deventer in 1909 deze scheiding te voorkomen, maar weer tevergeefs. De zittingen van het door de communisten (H. Barbusse en anderen) belegde congres tegen het oorlogsgevaar in de RAI te Amsterdam in dit jaar maakte hij volledig mee en hij schreef erover in De Groene Amsterdammer. Reeds in 1933 pleitte hij als lid van de executieve van de Socialistische Arbeiders Internationale voor samenwerking van sociaal-democraten en communisten, niet in de eerste plaats vanwege de acute dreiging van Hitler-Duitsland, maar - ook dit is typerend voor de Fabian-socialist - ter wille van de realisering van het einddoel van de gemeenschappelijke voortbrenging op anti-kapitalistische basis. Speciaal aan dit probleem van de wereldeconomie wijdde hij een studie Ordening der wereldproduktie (Haarlem 1934), die ook in Engelse vertaling verscheen met een voorwoord van Lord Passfield (= Sidney Webb). Met de totstandkoming van het Plan van de Arbeid in 1935 had hij als auteur ook enige bemoeienis. In zijn afscheidsbrief aan de Internationale onderstreepte hij nogmaals de noodzaak van internationale coördinatie op het gebied van de economie. Zijn plaats in de executieve werd ingenomen door J.J. Vorrink.

In oktober 1935 woonde hij met zijn vrouw een bijeenkomst van het Abessinië-comité bij, waar de mede door zijn bemiddeling uitgenodigde Jean Longuet, kleinzoon van Marx, een vurig pleidooi voor het Franse volksfront hield. Lichamelijk reeds verzwakt overleed de veteraan in april 1936. Met hem verdween een unieke figuur uit de sociaal-democratische gelederen, gekenmerkt door een idealisme dat misschien tegenover de harde politieke realteiten soms wat vreemd stond, maar dat zich op het beperkte domein van de gemeentepolitiek in een bepaalde periode heeft kunnen uitleven.

Archief: 

Archief F.M. Wibaut in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens, 233-234).

Publicaties: 

Behalve de genoemde Levensbouw. Memoires (Amsterdam 1936). Overzicht van boeken, brochures en artikelen in: G.W.B. Borrie, F.M. Wibaut mens en magistraat (Assen 1968; 's-Gravenhage 19872) 284-301.

Literatuur: 

Vliegen, Kracht II, 226-236; Florentinus Marinus Wibaut 23 juni 1859 29 april 1936 (Amsterdam 1936); H. Polak, S.R. de Miranda, J. Valkhoff in: De Socialistische Gids, 1936, 289-291, 369-378 en 469-480; W. Drees, F. Wibaut, K. Toornstra, Fr. de Jong Edz. in: Socialisme en Democratie, 1959, 350-377; 'Florentinus Marinus Wibaut', speciaal nummer van De Gemeente, juni 1959; G.W.B. Borrie, F.M. Wibaut (Assen 1968; 's Gravenhage 19872); G.W.B. Borrie in: BWN I, 655-657; P.F. Maas, Sociaal-democratische gemeentepolitiek, 1894-1929 ('s-Gravenhage 1985); J. Bosmans, Romme. Biografie 1896-1946 (Utrecht 1991); B. van Dongen, Revolutie of integratie (Amsterdam 1992); M. van der Linden (red.), Die Rezeption der Marxschen Theorie in den Niederlanden (Trier 1992); S. Bloemgarten, Henri Polak. Sociaal democraat 1868-1943 (Den Haag 1993); G.W.B. Borrie, Monne de Miranda (Den Haag 1993); F. Kalshoven, Over marxistische economie in Nederland 1883-1939 (Amsterdam 1993);W.F. Heinemeijer, In Wibauts voetspoor (Amsterdam 1993); E.P. Tibbe, R.N. Roland Holst - Arbeid en schoonheid vereend (Amsterdam 1994); H. de Liagre Böhl, Met al mijn bloed heb ik voor U geleefd. Herman Gorter 1864-1927 (Amsterdam 1996); F. Boterman, P. de Rooy, Op de grens van twee culturen (z.pl. 1999); I. de Wilde, 'Een sterke geest van vrijheid'. Brieven van de student J.W. Albarda aan G. Nolet-Adama en F.M. Wibaut (Amsterdam 2000); J. de Roos, Besturen als kunst. Lokale sociaal-democraten 100 jaar verenigd (Amsterdam 2002); H. de Liagre Böhl, Wibaut de Machtige. Een portret (Amsterdam 2013).

Portret: 

F.M. Wibaut, 1904, IISG

Auteur: 
Albert F. Mellink
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 173-179
Laatst gewijzigd: 

22-12-2013 (Literatuur)