VEER, Johannes Koenraad van der

Johannes Koenraad van der Veer

propagandist van de Sociaal-Democratische Bond onder meer in Zeeland en kortstondig Tolstojaan, is geboren te Hijlaard (Fr.) op 5 februari 1869 en overleden te Londen op 30 augustus 1928. Hij was de zoon van Nanne van der Veer, handelaar in goud- en zilverwerk, broodbezorger en later in loondienst, en Anna Catharina Wijnands. Op 12 juli 1895 trad hij in het huwelijk met Amalie Emilie Auguste Stollberg, serveerster en dienstmeisje en later letterzetster. Dit huwelijk bleef kinderloos en werd ontbonden op 27 juni 1922. In Engeland hertrouwde hij met een zangeres. In Engeland noemde hij zich John C. Vanderveer. Pseudoniem: Védévé.

Van der Veers jeugd was moeilijk. Hij werd op zijn elfde in Sneek loopjongen bij een kruidenier en kwam kort daarna op een drukkerij. Als veertienjarige jongen kreeg hij het blad Recht voor Allen in handen. In 1886 richtte hij met een vijftal vrienden een socialistische jongelingsvereniging op, die in 1887 in een afdeling van de SociaalDemocratische Bond (SDB) werd omgezet. Van der Veer werd voorzitter en hield voordrachten. Hij vertegenwoordigde Sneek op het SDB-congres van 1888 en werd in maart 1889 ontslagen omdat hij in Den Haag een meeting bijwoonde over vrouwen- en kinderarbeid. In mei moest hij in dienst. Hij kwam herhaaldelijk met de krijgstucht in conflict wegens het verspreiden van socialistische geschriften en het optreden in militair uniform op een openbare vergadering. Dit versterkte zijn antimilitarisme. Na de dienst maakte hij in 1890 propagandatochten door Friesland en Zeeland. De eerste bezorgde hem wegens belediging van de burgemeester van Franeker een maand gevangenisstraf, de tweede confrontaties met kleigooiende dorpsjeugd. Door F. Domela Nieuwenhuis werd hij in april 1891 naar Maastricht gezonden om W.H. Vliegen te helpen, maar hij kon er geen bestaan opbouwen. In een discussie met de sociaal-democraat D.A. van Eck, verdedigde hij zeer radicale opvattingen. In augustus 1891 hoorde hij tot de oprichters van de Bond van Militairen 'De Voorpost'. Eind oktober vond hij in Gent werk op een drukkerij. Hij mengde zich nogal onbesuisd in de oppositie tegen de plaatselijke leiders, Edward Anseele en Edmond van Beveren. Na zeven maanden werd hij wegens openlijke kritiek door zijn patroon ontslagen en spoedig daarna over de grens naar Nederland gezet.

Van der Veer vestigde zich in november 1892 in Middelburg, waar hij door de SDB als propagandist werd aangesteld en een boekwinkel annex sigarenzaak opende. Zijn colportage met Recht voor Allen baarde groot opzien, waarbij de straatjeugd tegen hem werd opgezet. Eind november leidde hij in zowel Middelburg als Vlissingen demonstraties van werklozen, die uiteindelijk enig effect hadden. Hij stimuleerde in beide steden de socialistische beweging. Uit zijn geschriften blijkt geen grote diepgang, maar de denkbeelden die hij verkondigde waren zo nieuw en de durf waarmee hij ze uitdroeg zo groot, dat tegenstanders hem 'een gladde spreker' noemden en de (socialistische) arbeiders hem al gauw op handen droegen. Hij richtte De Toekomst op, een socialistisch weekblad voor Zeeland en westelijk Brabant, waarvan het eerste nummer op 8 april 1893 verscheen. Van der Veer was parlementair socialist, maar bleef uit aanhankelijkheid bij Domela Nieuwenhuis. Tijdens de oprichting van de SDAP zat hij overigens in de gevangenis wegens belediging van W.A. graaf van Lynden en een burgemeester. P.J. Troelstra had hem in hoger beroep verdedigd. In het socialisme zocht Van der Veer leefregels om een goed mens te zijn. Hij was geheelonthouder, vegetariër en tegenstander van roken. In zijn gevangenistijd had hij zich verdiept in het immorele van het krijgsbedrijf. Lezing in het voorjaar van 1895 van Leo N. Tolstoj's Het koninkrijk Gods is binnen in U leverde het denkkader dat hij zocht. Al zijn uitingen raakten doortrokken van een Tolstojaanse geest. In augustus 1896 weigerde hij de schuttersdienst waarvoor hij was opgeroepen. In de ogen van de burgerlijke pers was dit een staatsgevaarlijke daad. Tolstoj schreef hem een brief, uitgegeven als Het einde is nabij (Middelburgsche Schuttersquaestie) (Delft 1897). Zijn weigering vormde de directe aanleiding tot de drukbezochte vergadering van een Comité ter bestrijding van het militarisme op 17 augustus 1896 in Den Haag, waar Van der Veer samen met Louis A. Bahler sprak over 'Lijdelijk verzet'. Om zijn Tolstojanisme moest Van der Veer op 1 juli 1897 als propagandist aftreden. De Vlissingse socialisten meenden dat lijdelijk verzet niet revolutionair was. De Toekomst verkocht bovendien slecht en had grote schulden. Van der Veer verhuisde naar Haarlem. Daar werd hij redacteur en drukker van Vrede, het orgaan van de Tolstojanen, waarvan op 18 oktober 1897 het eerste nummer verscheen. Een half jaar later legde hij zijn functie als redacteur neer, maar bleef de drukkerij Vrede beheren. Hij was ook in ander verband actief. Hij streed allang voor de rechten van vrouwen. Hij verdedigde het vrouwenkiesrecht alsmede een voorstel dat twee leden van de Centrale Raad van de SDB vrouw moesten zijn. In 1898 werkte hij mee aan de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid. Hij leidde - tot schrik van zijn mannelijke collega's - zijn vrouw op tot letterzetter. In juni 1898 werd Van der Veer secretaris van een comité, dat zich inspande voor gerechtigheid voor de gebroeders Hogerhuis.

In het najaar van 1898 vertrok Van der Veer naar Engeland, waar hij in een Tolstojaanse kolonie te Maldon (Essex) verbleef. Van hieruit schreef hij in Vrede 'Brieven uit Engeland'. Na korte tijd moest hij vanwege zijn kritiek de kolonie verlaten. Van der Veer nam steeds meer afstand van het Tolstojanisme. Nog in 1899 zei hij het vaarwel. Een consequente doorvoering van Tolstoj's denkbeelden leidde volgens hem, zo schreef hij in De Jonge Gids, tot 'in ellendige misère omkomen, waanzinnig worden of zelfmoord plegen'. Hij vestigde zich te Walthamstow, een voorstad van Londen en sloot zich in mei 1900 bij de SDAP aan. Hij schreef brieven in Het Volk en opstellen voor De Kroniek en De Nieuwe Tijd. Tijdens de Boerenoorlog organiseerde hij samen met zijn vrouw reizen van anti-oorlogsgezinde of pro-Boer gestemde Engelsen naar Nederland. In 1903 bood hij reizen voor Nederlanders naar Engeland aan. In hetzelfde jaar werd hij Londens correspondent van De Telegraaf. In 1910 schijnt hij zijn lidmaatschap van de SDAP te hebben opgezegd. In 1916 werd hij Engels staatsburger. Tijdens de oorlog maakte de voormalige weigeraar van schuttersdienst als vice-president van de Navy League en secretaris van de Foreigners Section of National Service hartstochtelijk propaganda voor oorlogsdeelname. Zijn nieuwjaarswens voor 1919 was: 'Stiff Peace terms to the Huns'. In de verkiezingsstrijd van 1918 zette hij zich in voor D. Lloyd George. Hij werd secretaris en na de oorlog voorzitter van de Foreign Press Association, de vereniging van buitenlandse journalisten in Londen. Bij De Telegraaf werd hij als correspondent vervangen. Van der Veer was een gevoelsmens, een man van uitersten, die bij alle wisselingen zijn opvattingen totaal beleefde en uitdroeg. Voor velen was hij een onuitstaanbare, verwaande kwast en ijdeltuit, maar de taaiheid die bij een totale overtuiging hoort, deed de socialistische arbeidersbeweging in Zeeland goed. Van der Veer stond model voor het boek van L.W. de Bree, Een steen in de vijver (Amsterdam 1966).

Publicaties: 

Artikelen in onder meer Recht voor Allen, De Volkstribuun, De Toekomst, Vrede, De Jonge Gids, De Groene Amsterdammer, Het Volk, De Kroniek, De Nieuwe Tijd en De Telegraaf; Eene Oproeping aan de Jongelieden! (Wolvega 1890); Mijn verbanning uit België (Wolvega 1892); Kollektivisme en kommunisme. Een voordracht (Den Haag 1892); 'Lijdelijk verzet' in: De vervolgingen der Duchoboren in Rusland. Kampers des Geestes. (Amsterdam 1897); 'Lijdelijk verzet' in: Marteldood van den Russischen dorpsonderwijzer Drojin (Amsterdam 1897); Hoe men de Evangeliën moet lezen. De eerste jeneverstoker (Haarlem 1897); Beschouwing over de jacht (Den Haag 1898); 'Aanhangsel' in: Beschouwing over het huwelijk. (Nawoord van de Kreuzersonate) (Den Haag 1898); 'Woord vooraf' in: Een volgeling van Jezus. Brieven van Peter Olchowik (Den Haag 1899).

Literatuur: 

Zie de opgaven bij P.J. Meertens, 'Veer (Johannes Koenraad van der)' in: Mededelingenblad, nr. 14, oktober 1959, 6-7 en H.P. Abrahams, De Pers in Zeeland (Middelburg 1910), 238-241 en 348-354; J.J. Burnett, 'Obituary. Mr. Van Der Veer. Patriotic work in the war' in: The Times, 31.8.1928; Bymholt, Geschiedenis; Morgenrood, Zondagsblad voor de lezers van Recht voor Allen, 12.1.1895; L.N. Tolstoj, Les temps sont proches (Paris 1897; oorspronkelijk verschenen in het Russisch); Vliegen, Dageraad II, 199-291; R. Jans, Tolstoj in Nederland (Bussum 1952); Meertens in: Mededelingenblad (zie hierboven) 3-8; J. Frieswijk, Socialisme in Friesland (Amsterdam 1977) 124-126; S. Leydesdorff, Verborgen arbeid vergeten arbeid (Assen 1977) 49; J. Perry, Roomsche kinine tegen roode koorts (Amsterdam 1983) 71-77; G. Termeer e.a., Dienstweigeraars over dienstweigering en verzet tegen het militarisme vanaf de eeuwwisseling tot nu (Amsterdam 1984), 11-20; B. Altena, 'Geschiedenis van de socialistische pers in Zeeland', afleveringen 6 en 7 in: Nieuw Zeeland, le jrg. nr. 7 en 8, 1984; B. Altena, 'Een broeinest der anarchie'. Arbeiders, arbeidersbeweging en maatschappelijke ontwikkeling. Vlissingen 1875-1929 (1940) (Amsterdam 1989); A.J.M. Wagemakers, Buitenstaanders in actie. Socialisten en neutraal-georganiseerden in confrontatie met de gesloten Tilburgse samenleving 1888-1919 (Tilburg 1990).

Portret: 

J.K. van der Veer, uit: Morgenrood, 1895, 13

Auteur: 
P.J. Meertens, Bert Altena
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 208-211
Laatst gewijzigd: 

28-08-2002