VEN, Ernestus Philippus Hubertus van der

Ernestus Philippus Hubertus van der Ven

(roepnamen: Ernest, Ernst), eerste geschiedschrijver van de 'oude beweging', is geboren te Antwerpen op 7 juli 1846 en overleden te Utrecht op 1 februari 1913. Hij was de zoon van Gerhardus van der Ven, kunstschilder en leraar aan de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen te Rotterdam, en Geertruida Maria Francisca Antonia Pottiew. Op 29 april 1869 trad hij in het huwelijk met Henriëtta Maria van Hees, met wie hij een zoon kreeg. Pseudoniem: Jac. Rademacher.

Al op jeugdige leeftijd schaarde Van der Ven zich aan de zijde van de 'volksmannen': utopisch-socialisten, democraten en vrijdenkers, die de materiële en geestelijke vrijmaking van de vierde stand, 'het volk', poogden te bewerkstelligen. Zijn leidslieden waren P.J. Proudhon en G.W. van der Voo, welke laatste een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de democratische beweging in Nederland was. Van der Ven was zijn maatschappelijke carrière in Rotterdam, waar zijn ouders zich in 1848 hadden gevestigd, begonnen als vertegenwoordiger. Vervolgens trad hij op als commissionair in granen en aanverwante produkten. De nonchalante wijze waarop hij zijn zaken behartigde, leidde in 1870 tot zijn faillissement. Omdat hij moeilijkheden met de justitie vreesde, week hij uit naar Londen en verhuisde vandaar in 1871 naar Antwerpen, waar hij klerk werd op een handelskantoor en vervolgens in dienst trad bij de scheepsmakelaar F. Gittens. Hij sloot zich aan bij het Antwerpse Volksverbond, een afdeling van de Belgische sectie van de Eerste Internationale, en werd redacteur van De Werker, het orgaan van de Internationale voor Vlaams-België. Van der Ven was toen al verbonden aan de in Den Haag uitgegeven bladen De Toekomst. Orgaan der demokratie in Nederland en De Vrijheid. Orgaan van het volk. Hij werkte in deze jaren samen met onder anderen J. Speijer Klerk, Ch. Rodenback, F.C. Günst, W.B. Westermann en H.H. Huisman, bekende figuren in de Nederlandse democratische beweging en de Vrijdenkersvereeniging De Dageraad, waarvan hij lid was. In De Toekomst publiceerde hij de vervolgserie 'Onze grootste vijand', waarin hij zich keerde tegen de godsdienst, in het bijzonder tegen het katholicisme. Toen De Toekomst in 1872 werd opgeheven, vervolgde Van der Ven zijn reeks in Het Vrije Volk. Orgaan der demokratie in Noord- en Zuid-Nederland, dat door hem in Antwerpen was gesticht. De leiding van het Volksverbond zag in Het Vrije Volk een concurrent van De Werker. Men nam het Van der Ven ook kwalijk dat hij zich aan de kant van de 'autoritairen' schaarde, dat wil zeggen bij degenen die voor een sterke positie van de Algemeene Raad van de Internationale in Londen waren. In Antwerpen was men in meerderheid 'anti-autoritair', voorstander van meer zeggenschap van de raden van de landelijke secties. Toen het Antwerpse Volksverbond hem van zijn lidmaatschap vervallen verklaarde, trad hij tot de Gentse afdeling van de Internationale toe.

Van der Ven bepleitte in Het Vrije Volk een nauwe samenwerking tussen de Belgische democraten en die in Nederland. In 1873 nam hij het initiatief tot het oprichten van de Demokratische Bond voor Noord- en Zuid-Nederland. Verder dan het beleggen van een congres in Amsterdam bracht hij het echter niet. Het conflict met de leiders van de Antwerpse arbeidersbeweging - in 1874 werd zijn royement door de Federale Raad bevestigd - en het falen van de Demokratische Bond ervoer hij als grote teleurstellingen. Hij kon zich dan ook gemakkelijk schikken naar de aanzegging van de Belgische autoriteiten zich in het vervolg van politieke activiteiten te onthouden. Hij droeg de leiding van Het Vrije Volk aan anderen over (enkele maanden later werd het blad opgeheven) en wijdde zich verder aan het schrijverschap en aan de Vlaamse Beweging. Van zijn serie in De Toekomst en Het Vrije Volk verscheen een gebundelde versie: Onze grootste vijand. Critiek op den christelijken godsdienst (Amsterdam 1872; tweede druk, onder de titel: De godsdienst als onze grootste vijand. Een ernstig woord gericht tot geloovigen en twijfelaars, Amsterdam 1896). Van zijn andere publikaties uit deze periode moeten die over de Nederlandse en Belgische arbeidersbeweging in De Vrije Gedachte (1874, 445-467 en 568-594) en De Tolk van den Vooruitgang (1878, 150-163, 290-311) worden genoemd. Het op dit terrein verzamelde en slechts ten dele door hem gepubliceerde materiaal over de 'oude beweging' stelde Van der Ven later ter beschikking aan B. Bymholt voor diens Geschiedenis der arbeidersbeweging. Een door hem geschreven drama 'Charlotte Corday' ging in 1876 in Antwerpen in première en leidde tot de beschuldiging van plagiaat.

Door zijn broer Flor, die sedert 1863 in Antwerpen woonde, en Gittens was Van der Ven met de Antwerpse vrijzinnigen (onder anderen J. van Rijswijk, M. Rooses, A. Cornette) en daarmee met de Vlaamse Beweging in aanraking gekomen. Vanaf 1874 was hij als 'volksverheffer' actief in de Van Maerlant's Kring en het Willemsfonds. Een aanvraag tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit werd afgewezen, vermoedelijk vanwege zijn sympathie voor het socialisme en zijn haat tegen het katholicisme, waarvan hij openlijk blijk bleef geven en waardoor een deel van de Flaminganten zich tegen hem keerde. Na het kantoor van Gittens te hebben verlaten trad Van der Ven op als zaakwaarnemer. Ook nu liep hij financieel vast en in 1882 werd hij veroordeeld wegens verduistering. Om de gevangenis te ontlopen vertrok hij met zijn gezin naar Nederland. Hij moet korte tijd in Haarlem een koffiehuis hebben gedreven en werd daarna secretaris van de Hollandsche Opera in Amsterdam. Deze betrekking had hij te danken aan mr. F.A. van Hall, die het gezelschap financierde en Van der Ven van De Dageraad kende. In 1890 stelde Van Hall hem aan tot directeur-hoofdredacteur van De Controleur, een opinieweekblad dat Van Hall in Utrecht uitgaf. Van der Ven was toen nog steeds het socialisme toegedaan. Zijn voorkeur ging op dat tijdstip uit naar de Fabians. Enkele jaren later kwam hij echter tot de conclusie dat het socialisme niet in staat was de samenleving ten goede te veranderen.

Van der Ven schreef het libretto van de opera 'Leiden ontzet', die in 1893 in Amsterdam zijn première beleefde. In Utrecht, in welke stad hij was gaan wonen, stichtte hij met anderen een afdeling van De Dageraad. Nadat hij vanaf 1904 De Controleur enige tijd in eigen beheer had geëxploiteerd, moest Van Hall financieel bijspringen. Omdat Van der Ven niet bij machte was een einde te maken aan de administratieve chaos werd hem, een jaar voor zijn plotselinge overlijden in 1913, de zakelijke leiding van De Controleur ontnomen.

Archief: 

Dossier E.Ph.H. van der Ven (Ministerie van Justitie, Bestuur van de openbare veiligheid, Vreemdelingenpolitie, 301.246) in Algemeen Rijksarchief (Brussel).

Publicaties: 

Zie voor een bibliografie H.J. Scheffer, De Controleur (Den Haag 1982), 133 en 135.

Literatuur: 

Bymholt, Geschiedenis; Scheffer, De Controleur, hoofdstuk 1 en 2, alsmede de daar vermelde werken.

Portret: 

E.Ph.H. van der Ven, geen portret bekend; eerste pagina van het eerste nummer van De Controleur

Auteur: 
H.J. Scheffer
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 163-166
Laatst gewijzigd: 

00-00-1987