GEBING, Friedrich Wilhelm

Friedrich Wilhelm Gebing

voorman van de Nederlandsche Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht en de Nederlandsche Internationale Sigarenmakers- en Tabaksbewerkersbond, is geboren te Delft op 29 september 1848 en overleden te Den Haag op 14 september 1923. Hij was de zoon van Friedrich Wilhelm Gebing, kantoorbediende, en Cornelia Eijken. Op 1 oktober 1873 trad hij in het huwelijk met Christina Catharina Keveling, met wie hij twee dochters en drie zoons kreeg.

Gebing genoot, ondanks het feit dat zijn vader een kantoorbaan had, slechts lager onderwijs en werd daarna sigarenmaker in Vlaardingen en Rotterdam. Hij was een typische vertegenwoordiger van de Rotterdamse arbeidersbeweging die toen een gematigd karakter had. Samen met W.P.G. Helsdingen speelde hij een voorname rol in de in 1877 opgerichte Vereeniging Algemeen Stemrecht. Zij zorgden er voor dat F. Domela Nieuwenhuis in 1881 voor de afdeling van het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond (ANWV) kwam spreken. Nog in hetzelfde jaar werd een Sociaal-Democratische Vereeniging opgericht, met Gebing als penningmeester in het bestuur. In deze tijd ontpopte hij zich als een gloedvolle spreker voor vakverenigingen en het algemeen kiesrecht, volgens W.H. Vliegen een van de talentvolle en meest ontwikkelde van de beweging in de jaren tachtig. Gebing was in 1882 betrokken bij het initiatief dat begin 1883 uitmondde in de Nederlandsche Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht (NBvAKS). Hij werd naast voorzitter H.C. Muller, die hij in 1884 opvolgde, en J.A. Fortuijn in het hoofdbestuur gekozen. In de jaren die volgden was Gebing de drijvende kracht achter de NBvAKS. Vliegen haalde hem naar Maastricht, maar Gebing sprak ook in het Noorden van het land en in Twente. In 1883 vond in Rotterdam op de zondag voor de opening van de Staten Generaal een betoging plaats voor algemeen kiesrecht waar Gebing sprak. Een motie werd aangenomen die stelde dat de Staten Generaal niet het gehele volk vertegenwoordigden. Het gerucht ging dat de aanhangers van algemeen kiesrecht de publieke tribune van de Tweede Kamer wilden bezetten, maar minister J. Heemskerk Azn. vulde deze met weesmeisjes. 's Avonds was er in Den Haag een protestmeeting tegen deze manoeuvre, waar Domela Nieuwenhuis en Gebing het algemeen kiesrecht eisten. Bij de volgende opening van het parlementaire jaar in 1884 werden er een landelijke betoging en een meeting in Den Haag gehouden om de eis voor algemeen kiesrecht kracht bij te zetten. Minister Heemskerk ontving enkele afgevaardigden van de meeting, waaronder Gebing als voorzitter van de NBvAKS. Hoogtepunt van de kiesrechtactie was het jaar 1885, toen duizenden door de straten van Den Haag trokken en in het Gebouw van Kunsten en Wetenschappen door Gebing als voorzitter van de 'Nationale Volksvergadering' werden toegesproken. Hij wees op de enorme omvang van de kiesrechtbeweging en op de weigerachtigheid van de regering om het algemeen kiesrecht in te voeren. Gebing stelde dat de volkseis gehoord moest worden, wilde er geen revolutie plaatsvinden. De bijeenkomst eindigde met de bekende motie door Gebing voorgelezen, waarin algemeen kiesrecht werd geëist gevolgd door de mededeling dat als de overheid deze eis niet inwilligde de vergadering zich ontheven voelde van de verplichting op deze wijze haar eisen verder naar voren te brengen. Men stelde zich dus op een revolutionair standpunt. In feite betekende deze uitspraak het einde van de kiesrechtstrijd. Gebing ging deze eis met anderen de minister aanbieden, zonder er al te veel van te verwachten. In november 1885 vergaderde de NBvAKS over de vraag hoe het nu verder moest. De positie van de bond was moeilijk. Men besloot verder te gaan met een adresbeweging en het hoofdbestuur te verplaatsen van Rotterdam naar Amsterdam. Gebing verhuisde mee en verdiende in Amsterdam de kost als stucadoor. In het Westen van het land was de rol van de NBvAKS zo goed als uitgespeeld. De kiesrechtactiviteiten verplaatsten zich naar het Noorden. Gebings positie was ook verzwakt. Hij was weliswaar lid van de Sociaal-Democratische Bond, maar geen aanhanger van de revolutionaire tactiek. Gebing ging zich nu inspannen voor de vakbeweging. Hij was al actief als bestuurslid van de Rotterdamse Sigarenmakersvereeniging. In deze hoedanigheid voerde hij met Amsterdamse sigarenmakers besprekingen die leidden tot de oprichting van de Nederlandsche Internationale Sigarenmakers en Tabaksbewerkers Bond (NISTB) in december 1887. Gebing werd opgenomen in het hoofdbestuur. In 1889 gaf de NISTB De Sigarenmaker uit, eerst als maandblad en vanaf mei als weekblad, met Gebing als onbezoldigd redacteur. Hij bleek een goede redacteur, met 'vooral een klaren stijl, logische bouw en constructie'. Gebing was ook internationaal actief. In 1887 vergaderde hij met de Belgische sigarenmakers en in 1891 bezocht hij voor de NISTB het Internationaal Socialistisch Congres te Brussel. Hij keerde zich daar tegen het stukwerk. In Nederland sprak hij op het nationale congres tegen de prostitutie, dat vanaf 30 april 1889 in Amsterdam werd gehouden. Gebing stelde er de vraag aan de orde: 'Is het wenschelijk dat de Regeering of de wet ten behoeve van de vrouw in de groote industrie tusschenbeide trede door het regelen van arbeid en loon?' In 1891 sprak hij nog te Velsen op de 1 meiviering. Maar in 1892 legde hij het redacteurschap van De Sigarenmaker neer en trok zich uit de openbaarheid terug. Al in 1905 schreef Vliegen dat van zijn latere leven weinig bekend was. Hij had de beweging om onbekende reden de rug toegekeerd en was naar zijn geboorteplaats Delft teruggekeerd. Bij Gebings overlijden in 1923 verscheen over hem een artikel in De Sigarenmaker, maar ook daaruit bleek dat de NISTB niets wist over het verdere leven van een van zijn oprichters. Gebing was in de tabakshandel gegaan en genoot een uitkering in het kader van de invaliditeitswet. Zijn begrafenis had plaatsgevonden zonder vertegenwoordiging van de bond. Het blad memoreerde kort Gebings optreden. 'Vooral in het debat met tegenstanders was hij gewiekst en toch altijd eenvoudig en hoffelijk. Hij bewoog zich nimmer in hooger sferen, maar altijd op den beganen grond. Blauwe idealen, gepeperde uitdrukkingen of revolutionaire frazes, ze waren hem geheel vreemd.'

Literatuur: 

Handelingen van het Nationaal Congres tegen de Prostitutie te Amsterdam (Den Haag 1889) 125; Bymholt, Geschiedenis; B.H. Heldt, Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond 1871 - 1896 (Leeuwarden 1896); H. Smits, De Nederlandsche arbeidersbeweging in de negentiende eeuw (Rotterdam 1902); Vliegen, Dageraad I, 86; P.J. Helsdingen, 'Een herinneringsdag' in: Voorwaarts 24.11 en 1.12.1906; De Sigarenmaker, 22.9.1923; W. van der Hoeven, De Nederlandse Sigarenmakers en Tabaksbewerkersbond opgericht op 26 december 1887. Zijn geschiedenis, werken en streven (Amsterdam 1937); P.J. Meertens, 'Gebing (Friedrich Wilhelm)' in: Mededelingenblad, nr. 24, november 1963, 4-5; A.J.C. Rüter, Historische studies over mens en samenleving (Assen 1967).

Portret: 

F.W Gebing, uit: Vliegen, Dageraad I (Amsterdam 1905), t.o.136

Auteur: 
Jannes Houkes
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 77-79
Laatst gewijzigd: 

23-10-2011 (congres tegen de prostitutie 1889 i.p.v. 1989)