MULLER, Hendrik Clemens

Hendrik Clemens Muller

vrijdenker en lid Sociaal-Democratische Bond, is geboren te Amsterdam op 31 oktober 1855 en overleden te Den Haag op 21 juni 1927. Hij was de zoon van Johan Werner Anton Ludwig (=Joan) Muller, reder en chef van het handelshuis Barge, en Emma Diepenbrock. Op 2 april 1885 trad hij in het huwelijk met Gertrude Helena Crescentia de Grauw, met wie hij twee zoons kreeg. Familienaam soms ten onrechte als Müller gespeld.
Pseudoniemen: Hazee, H.H. Nori en waarschijnlijk ook Irneh (in de laatste jaargang van Hellas, 1896-1897).

Muller, zoon van een selfmade man, (hoofd van een van de grootste Amsterdamse handelshuizen, die volgens zijn zoon ook in De Dageraad publiceerde), studeerde klassieke letteren te Leiden (1873-1878) en promoveerde op het proefschrift De rhythmis Graecorum capita quaedam (1880). In 1878 was hij tijdelijk verbonden aan de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam en van 1879 tot 1897 leraar aan het Stedelijk (= Barlaeus) Gymnasium. Muller legde deze betrekking neer onder druk van de curatoren van het gymnasium. Hij was de drijvende kracht achter de Philhelleensche Vereeniging (1888-1895) en het driemaandelijks tijdschrift Hellas (1889-1897), waarvan het doel was de beoefening en verbetering van de studie van het (nieuw) Grieks. Ook het privaatdocentschap in het Nieuw Grieks aan de Universiteit van Amsterdam (vanaf 1889) gaf hij in 1898 op. De benoeming van H.J. Polak tot hoogleraar Nieuw Grieks te Groningen was een grote teleurstelling voor hem. In 1881 een van de oprichters van de letterkundige vereniging Flanor, met Franc van der Goes en Mendes da Costa, verliet hij deze in april 1882 na daverende ruzie. Verhuisd naar Utrecht studeerde hij rechten en deed in 1900 zijn kandidaatsexamen. Deze studie maakte hij niet af. Voortaan zou hij van zijn pen leven. In zijn laatste levensjaren woonde hij in Den Haag. Zijn belangrijkste werk is de Historische Grammatik der Hellenischen Sprache (twee delen 1891-1892).

Muller was een man met een zeer veelzijdige belangstelling, die over allerlei onderwerpen (algemene en vergelijkende taal- en letterkunde, klassieke taal- en letterkunde, Nederlandse taal-en letterkunde, wijsbegeerte, rechtsgeleerdheid, staatkunde enzovoorts) boeken, brochures en tijdschrift- en kranteartikelen heeft gepubliceerd. Hij was een der pioniers van de studie der vergelijkende letterkunde in ons land. Bovendien schreef hij gedichten, waarvan een aantal is uitgegeven in de bundels Gedichten (1878) en Verspreide gedichten (1908), vertaalde uit de klassieke en verscheidene moderne talen en schreef een aantal toneelstukken, waaronder het treurspel Johan de Witt (1916). Zijn letterkundig werk bleef vrijwel onopgemerkt. In 1879 schreef hij onder pseudoniem H.H. Nori de brochure Nederland bij Duitschland ingelijfd, misschien een ironische boutade. Het jaar daarop was hij actief in de vrijdenkersvereeniging De Dageraad. De Amsterdamse afdeling maakte hem secretaris en in 1882 werd hij bestuurslid van de gereorganiseerde vereniging. Met P.C.F. Frowein en H. Hartogh Heijs van Zouteveen vertegenwoordigde hij Nederland op het internationale vrijdenkerscongres in Parijs (1882). In 1883 was hij secretaris van het internationale congres van vrijdenkers te Amsterdam. Toen in 1884 de burgerlijke richting in de vereniging het van de socialistische won, was dit voor hem, zoals ook voor Domela Nieuwenhuis, aanleiding om zijn lidmaatschap op te zeggen. In 1881 werd hij lid van De Unie, een vereniging tot opwekking van het staatkundig leven, eigenlijk een linkse kiesvereniging, en in 1883 van het hoofdbestuur van de in dat jaar opgerichte Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht, samen met onder meer F.W. Gebing, J.A. Fortuyn en H. Gerhard. Muller behoorde tot de gematigde richting, die verwachtte dat wanneer algemeen stemrecht op vreedzame wijze was verworven, het socialisme een voldongen feit zou zijn. In de jaren 1883 tot 1887 werkte hij meermalen mee aan Recht voor Allen, waarin gedichten verschenen 'Ter nagedachtenis aan Mevrouw J.F. Domela Nieuwenhuis' (8 maart 1887) en 'Wachter wat is er van de nacht?'. Hij publiceerde ook in De Dageraad (over socialisme en sociale vraagstukken) en het Groninger Weekblad (1886-1888; in de rubriek 'Kunst en Letteren'), en het gedicht 'De rechtbank der beurskliek' (9 oktober 1886) naar aanleiding van het van de beurs verdringen van Franc van der Goes. Met professor B.H. Pekelharing en anderen richtte hij, na de veroordeling van Domela Nieuwenhuis, een verzoek tot de Tweede Kamer om een onderscheid te maken in de behandeling van politieke gevangenen en gewone misdadigers. Ook ondertekende hij het gratieverzoek. In zijn eigen levensschets verzweeg hij dat curatoren van het Stedelijk Gymnasium hem voor de keus stelden op te houden met optreden in vergaderingen voor de sociaal-democraten of voorgedragen te worden voor ontslag. Hij koos toen voor het bedanken voor de Sociaal-Democratische Bond (SDB) (maart 1884).

Muller zou later vooral schrijven in De Groene Amsterdammer en in De Telegraaf. In 1917 zou hij actie voeren tegen de Aanhangige Grondwet (ATAG), samen met de Algemene Staatspartij. Hij was Kamerkandidaat in Utrecht. Bezwaren had hij tegen het ontbreken van een regeling voor de troonopvolging, het verklaren van oorlog en het ontbreken van vrouwenkiesrecht. Deze actie had geen succes, maar al deze punten werden nader bezien in een in 1918 ingestelde staatscommissie. De bezetting van het Roergebied dreef hem tot actie voor een duurzame vrede. In 1924 was hij kandidaat voor de Nobelprijs voor de vrede. Dit mondde uit in het streven naar de Verenigde Staten van Europa (1924-1926). Actief was hij ook in het herdenken van Bilderdijk, Byron en Multatuli. Muller zelf vond dat hij tegen het eind van zijn leven niet erg veranderd was: hij was nog steeds voorstander van het referendum, vrouwenkiesrecht en 'Indië los van Holland', maar de juryrechtspraak wees hij af. Ook zou hij niet loskomen van een antisemitisme, dat onderhuids bij hem leefde. Hij zag zichzelf eerder als een 'sociaal-aristocraat' dan een democraat.

Archief: 

Collectie H.C. Muller in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens 210). Een dossiertje betreffende brochure onder het pseudoniem H.H. Nori (1879) in Gemeentearchief Amsterdam). Dossiers betreffende Multatuli in het Multatuli-museum (Amsterdam.) Dossiers betreffende andere literatoren door Muller geschonken aan het Gemeentearchief Den Haag en vandaar deels overgegaan naar het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Den Haag).

Publicaties: 

Mullers geschriften zijn tot 1915 opgesomd in de Lijst der geschriften, hem op zijn zestigsten verjaardag door vrienden aangeboden (Utrecht 1915). Hierop is in 1924 nog een Appendix verschenen. Onder de 559 nummers zijn ook boeken en artikelen opgenomen waarin over hem is geschreven. De rubriek 'Wijsbegeerte, Vrije gedachte, Socialisme' bestaat in hoofdzaak uit artikelen in De Dageraad, De Vrije Gedachte en De Amsterdammer (De Groene). Eigen levensschets in: Lijst der geschriften, V-X.

Literatuur: 

Brieven van Multatuli aan H.C. Muller zijn afgedrukt in: Multatuli, Brieven, gerangschikt en toegelicht door M. Douwes Dekker-Hamminck Schepel, herziene uitgave. Deel X (Amsterdam 1912) 229-245; De waarheid over Multatuli en zijn gezin (Den Haag 1939) 108-112; P.J. Meertens, 'Muller (Dr. Hendrik Clemens)' in: Mededelingenblad, december 1967, 34-37; E.B. K[oster], korte biografie van H.C. Muller in: Catalogus Catalogorum (Universiteitsbibliotheek Amsterdam 1983) 204-205; A. Jongstra, De Multatulianen. 125 jaar Multatuli-verering en Multatuli-hulde (Amsterdam 1985); Multatuli, Volledige werken, XXI-XXV (Amsterdam 1990-1995); C. Keijsper (red.), K. ter Laan's Multatuli Encyclopedie (Den Haag 1995); F. Oerlemans, P. Janzen, '"Kliekgeest beheerscht hier alles" Het opstandige leven van H.C. Muller' in: De Parelduiker jrg 6, nr. 2, 2001, 2-17 .

Portret: 

H.C. Muller, circa 1915, uit: Catalogus Catalogorum (Universiteitsbibliotheek Amsterdam 1983) 203

Handtekening: 

Huwelijksakte van Gelderman/Muller dd. 16 oktober 1884. Reg 25 fol. 4, akte 2320; akteplaats Amsterdam. Als getuige.

Auteur: 
P.J. Meertens, Johanna M. Welcker
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 1 (1986), p. 85-87
Laatst gewijzigd: 

23-05-2002
25-05-2015 (Voornamen vader gecorrigeerd