KLEEFSTRA, Geertje

Geertje Kleefstra

populair Fries socialistisch propagandiste uit de Zuidoosthoek van Friesland tussen 1892 en 1896, is geboren te Roordahuizum op 26 mei 1874 en overleden te Parijs circa 1938. Zij was de dochter van Fokke Klazes Kleefstra, dorpsschilder, en Neeltje Rommerts Bleeksma. Zij kreeg een zoon en trad op 17 juni 1907 in Parijs in het huwelijk met Jean Badeuil, groothandelaar in vodden.

Kleefstra's vader, die een doopsgezinde achtergrond had, was al spoedig een volgeling van Domela Nieuwenhuis en werd in 1891 voorzitter van de afdeling Roordahuizum van de Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht. Doordat hij aan de drank verslaafd was en omdat hij slecht kon zwijgen, had het gezin het moeilijk, hoewel hij een goed vakman was. In de in die dagen bestaande Friese reciteer- en toneelliefde kwam Kleefstra net als Geert van der Zwaag door haar toneelkwaliteiten onder de aandacht. Als jong meisje vervulde zij al glansrollen op het dorpstoneel. Hoewel het vanwege haar leeftijd eigenlijk nog niet kon, werd zij lid van de Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht. Door haar vader die trots was op zijn dochter aangespoord, maar getemd door haar moeder die haar kind een goede opvoeding wilde geven, kwam zij eind 1892, achttien jaar oud, naar voren. In die tijd gaven de heftige revolutionairen de toon aan, met als sprekers onder meer R. van Zinderen Bakker, Van der Zwaag en Tjeerd Stienstra. Meestal werd op een propaganda-avond eerst een felle redevoering gehouden. Daarna kwamen 'politieke en komische voordrachten'. Dit onderdeel van het programma werd vaak door Kleefstra verzorgd, al hielpen ook anderen met zang, muziek en voordracht. Bekend is, dat zij soms als de vrijheidsmaagd Marianne optrad, omringd door arbeiders met rode mutsen, die het refrein van het lied zongen. In de jaren 1893 tot 1896 trad zij op tientallen plaatsen op, vooral in de Zuidoosthoek van Friesland. Ook rond Harlingen, waar Stienstra zijn blad 't Morgenrood uitgaf, was zij van de partij. Het tekent de politieke onduidelijkheid van die dagen, dat zij vaak optrad met J.G. Jansonius uit Drachten en de Groninger J.H.A. Schaper, die beiden in 1894 SDAP-er werden, maar ook met Stienstra, J. en W. Giezen, Sj. Tolsma, Van der Zwaag, L.M. Hermans, W. Havers, Chr. Cornelissen, I.I. Samson en Domela Nieuwenhuis. Het duurde niet lang of zij hield ook redevoeringen over onderwerpen als 'Aan wie de schuld?', 'De vrouw en het socialisme', 'Godsbegrip' en 'Wat is vrijheid?'. Verder nam zij vaandelinwijdingen voor haar rekening.

Hoewel de inhoud van haar betoog volgens tijdgenoten niet zo veel betekende, won zij de mensen door haar wijze van optreden. Doordat haar naam steeds vaker in de krant kwam, begon ook de politie op haar te letten. Toch duurde het tot eind 1895 eer de justitie bij haar toesloeg. Zij trad toen ook al buiten Friesland op. Te Assen verspreidde zij een 'welgelijkend' portret van de burgemeester van Arnhem. Door verzet tegen de politie kwam zij een maand te Leeuwarden in het gevang, waar zij de eenzaamheid en de kou van de cel slecht verdroeg. Dit was echter geen reden haar optreden te staken. Maar terwijl Van der Zwaag de gave had om bij al zijn felheid precies te raden, waar de grens lag, lukte haar dit niet. Eind 1896 werd zij in Amsterdam wegens majesteitsschennis gearresteerd. Zij kon wel beweren dat zij veronderstellenderwijs had gesproken: 'Als de koningin zo en zo was, dan was zij een dom schepsel', de woorden 'dom schepsel' waren genoteerd. Van der Zwaag verdedigde haar in zijn krant. Zij werd tot een half jaar veroordeeld, maar wachtte de bui niet af. Als zovele anderen, onder wie Stienstra, vluchtte zij naar het buitenland. Met hulp van H.H. van Kol, die in België woonde, kwam zij te Luik terecht. Zij moet grote armoede hebben gekend en als prostituée hebben gewerkt. In 1898 werd haar zoon Jean geboren, die van 1908 tot circa 1917 in Friesland bij haar halfzuster te Akkrum heeft gewoond. Zelf moet zij omstreeks 1907 te Reims hebben verbleven. Zij slaagde er in in 1909 te Parijs te trouwen met een rijke groothandelaar in vodden. In 1908 en 1930 is zij bij haar Friese familie geweest. Zij was toen een hele dame, maar, al heeft men dit beproefd, tot praten over haar revolutionaire periode was zij niet bereid.

Archief: 
Collectie betreffende G. Kleefstra in Provinciale Bibliotheek van Friesland (Leeuwarden).
Literatuur: 
J.H. Schaper, Een halve eeuw van strijd 1 (Groningen 1933) 76-77; G.A. Wumkes, Stads- en Dorpskroniek van Friesland II (Leeuwarden 1934); D.M. van der Woude, 'Drie vrouwelijke propagandisten' in: Leeuwarder Courant', 23.11.1972; J.J. Kalma, 'Geertje Kleefstra, een ster die even schitterde' in: Leeuwarder Courant, 8.11.1975; F. Dieteren, I. Peeterman, Vrije vrouwen of werkmansvrouwen? Vrouwen in de Sociaal-Democratische Bond (Utrecht 1984).
Portret: 
G. Kleefstra, circa 1895, IISG
Auteur: 
J.J. Kalma
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 1 (1986), p. 58-60
Laatst gewijzigd: 
23-05-2002