HAVERS, Willem

Willem Havers

onafhankelijk socialistisch publicist en voorzitter vrijdenkersvereniging De Dageraad, is geboren te Dordrecht op 20 september 1865 en overleden te Den Haag op 28 oktober 1946. Hij was de zoon van Jacobus Havers, zakkendrager, en Adriana Diderica de Vries. Op 6 november 1889 trad hij in het huwelijk met Hendrika Maria van der Sande, met wie hij een dochter en een zoon kreeg. Na haar overlijden (op 12 december 1937) hertrouwde hij op 23 februari 1938 met Margaretha Bardina Johanna Meijer.

Havers moest op negenjarige leeftijd de fabriek in en kwam na enkele omzwervingen eind 1886 in Den Haag, waar hij in 1887 zetter werd bij Excelsior, de drukkerij van Recht voor Allen. Daar werd hij volgens W.H. Vliegen socialist, zelf hield hij begin 1886 aan. Voor hij een 'Vrij goed spreker en propagandist' voor het socialisme werd, was hij een echte 'uitgaander' en grappenmaker die meer belang stelde in 'den nieuwsten straatdeun' dan in maatschappelijke vraagstukken. Volgens Vliegen zette zijn huwelijk hem op het goede spoor. Havers werd in 1893 voorzitter van de afdeling Den Haag van de Sociaal-Democratische Bond (SDB). Hij had voor F. Domela Nieuwenhuis een diep en blijvend respect, maar huldigde eigen opvattingen. Hij verwierp parlementaire arbeid niet en Nieuwenhuis' opvattingen werden hem te individualistisch. Van de Socialistenbond, de opvolger van de SDB, bleef hij tot het einde lid. Na het vertrek van Recht voor Allen naar Amsterdam in 1893 vond hij werk bij de coöperatieve bakkerij De Volharding, waar hij tot zijn pensionering zou werken. Hij werd in 1895 mede-oprichter van De Bakkersbode en redigeerde deze vanaf 15 november 1896 alleen. In juli 1897 onderging hij drie weken gevangenis wegens een beledigend artikel. Zijn vakbondsideeën waren in de kern syndicalistisch. Al in 1896 schreef hij over vakverenigingen als toekomstige regelaars van de produktie. Zijn redactioneel beleid was tolerant, omdat de Nederlandsche Bakkersgezellenbond voor alle gezellen diende open te staan. Havers zette zich in voor afschaffing van de nachtarbeid en stelde voor op 17 januari 1898 hiervoor te staken. De slecht opgezette staking werd beëindigd nadat de progressieve liberaal A. Kerdijk op verzoek van Havers had bemiddeld. Bij de bakkersgezellen bleef Havers' invloed onverminderd, maar hij trad op 26 juni 1898 af als redacteur van De Bakkersbode toen iemand onthulde dat hij slechts bode en geen volleerd gezel was. Hij achtte zijn gezag ondermijnd. Hij was actief in het Landelijk Comité inzake de in vrijheidstelling der drie gebroeders Hogerhuis en werd begin van de eeuw voorzitter van het Haagsch Vakcomité waarin plaatselijke niet-confessionele vakverenigingen samenwerkten. Als redacteur van De Haagsche Werkmansbode die het Comité vanaf juli 1902 uitgaf, stelde hij zijn politieke mening niet op de voorgrond. Hij poogde tussen de steeds scherper wordende tegenstellingen in de plaatselijke arbeidersbeweging heen te laveren. Hij wist het bestaan van het blad te rekken tot 9 juli 1904, maar was eind januari teruggetreden als voorzitter van het Vakcomité. Vermoedelijk kwam dit vanwege een nieuwe functie bij de coöperatie - waar hij het tot controleur bracht - en door drukke werkzaamheden. Hij was namelijk ook lid (en van 15 maart 1903 tot 1 januari 1904 secretaris) van de Haagse Kamer van Arbeid voor de Voedings- en Genotmiddelen. Zijn voorstellen om door een enquêterecht (1902) of een op te richten Bond van Kamers van Arbeid (1906) de werking van deze vleugellamme instellingen te verbeteren, leden schipbreuk. Sinds 1903 was Havers bovendien lid van de Raad van Beroep krachtens de Ongevallenwet.

Inmiddels had Havers politiek een roerige tijd achter de rug. Hij moet na de fusie van Socialistenbond en SDAP in 1900 lid geworden zijn van de vrijzinnige werkliedenkiesvereniging Ontwikkeling. Ontwikkeling stelde hem in 1901 kandidaat voor de gemeenteraad. Voor die verkiezingen redigeerde hij het blaadje Den Haag Vooruit! maar kwam uiteindelijk dertig stemmen te kort. In 1902 werd Havers lid van de SDAP. Dat hij zich daar stil hield vanwege, naar hij later zei, zijn functie in het Vakcomité, beviel de afdeling niet die ook zijn omgang met libertaire socialisten afkeurde. Havers was bij voorbeeld een goede vriend van Jac. L.A. de Lange, die hij na 1908 een paar maal zou vervangen als redacteur van De Toekomst, en hield een achting voor Domela Nieuwenhuis die naar SDAP maatstaven onbetamelijk was. Toen hij in september 1902 om de confessionelen beter tegen te werken, voor de Tweede Kamer de liberaal mr. W. Dolk aanbeval en niet de kandidaat van de Vrijzinnig-Democratische Bond, veroordeelde de afdeling hem met grote meerderheid. Even later trad hij uit de SDAP. Vanaf 2 augustus 1907 nam hij van G.L. van der Zwaag het meeste redactiewerk over van het blad De Klok. Opnieuw kwam hij in aanvaring met de sociaal-democratie. In een artikelenreeks 'Ontaarding' onderwierp hij de SDAP aan felle kritiek. De centralisatie, overgewaaid uit Duitsland en gestimuleerd door het parlementarisme, doodde er het revolutionair initiatief en de zelfstandigheid van de leden. Het NVV leek bovendien meer op oude liberale verzoeningsapostelen dan een strijdbare socialistische vakbeweging. Zo remden beide organisaties de arbeidersbeweging. Havers nam het initiatief tot de Socialistenbond die op 13 september 1908 in Den Haag werd opgericht. De eerste ideeën hiervoor ontvouwde hij in De Klok van 2 augustus 1907. De Socialistenbond moest staande tussen anarchisten en SDAP het echte socialisme propageren. Havers werd secretaris en bleef dit tot november 1909. De Klok werd bondsorgaan. Eind 1910 was de vaart er echter al uit en de Socialistenbond verdween toen in april 1913 de afdeling Den Haag zich als laatste ophief. Op 27 juni 1913 kwam bovendien een einde aan De Klok. Havers is later nog lid geweest van H. Koltheks Socialistische Partij maar heeft daarvoor door tijdgebrek weinig gedaan. In maart 1922 redigeerde hij wel twee nummers van het partijblad Recht voor Allen.

Havers die zich in 1895 had aangesloten bij de afdeling Weezenverpleging van de vrijdenkersvereniging De Dageraad, verklaarde later dat het hem vanwege zijn orthodox-gelovige opvoeding veel moeite en strijd had gekost atheïst te worden. Zijn atheïsme was anti-confessioneel, wat zijn vrijdenkerij praktisch-politiek maakte. Vanaf 1897 vreesde hij 'clericale' overheersing. In de affaire-Dolk bleek de grootte van die angst. In november 1901 werd hij lid van het hoofdbestuur van De Dageraad. Hij spoorde de vereniging tot groter activiteit aan en wilde de verzuiling te lijf. Hij ondervond echter tegenkanting van andere bestuursleden die òf te grote openbare vergaderingen afwezen òf zich wilden richten op intellectuelen en niet op werklieden. Eind 1907 werd Havers vice-voorzitter en op 6 februari 1909 volgde hij P.C.F. Frowein op als voorzitter. Op persoonlijke titel nam hij deel aan het comité dat in 1910 de Multatuli-herdenking organiseerde, die echter volgens Domela Nieuwenhuis en velen in De Dageraad te weinig aandacht aan Multatuli als vrijdenker besteedde. Onder Havers' voorzitterschap kwam in de vereniging meer leven. Hijzelf trok regelmatig het land in. Eind 1911 werd een strijdprogram opgesteld en vanaf mei 1914 redigeerde hij het blad De Vrije Gedachte, aanvankelijk samen met Wilhelmina Drucker doch vanaf 1 januari 1915 (als weekblad) alleen. Op vergaderingen debatteerde hij, onder meer met dr A.H. de Hartog, maar hier zat niet zijn - volkomen miskend - belang voor De Dageraad. Havers slaagde er in De Dageraad uit de beschouwelijke en individualistische studeerkamersfeer te halen, waartoe ook de Wereldoorlog bijdroeg. Havers nam een radicaal anti-oorlog-standpunt in, pleitte in februari 1915 voor aansluiting bij de Federatie tegen de Oorlog en zijn Gevolgen en ondertekende het dienstweigeringsmanifest in september. Het duurde echter tot eind 1916 voordat de vereniging zich schoorvoetend voor anti-militarisme uitsprak. Veel Dageraadsleden ging dit te ver. Door Havers toedoen veranderde de grondslag van de vereniging. Het beschouwelijke vrije, anti-dogmatische denken hield in zijn ogen De Dageraad te passief. Havers bepleitte een atheïstische grondslag opdat de vereniging kon bestrijden dat de mens speelbal was van een god. Oude Dageraadsmensen wensten echter hun oorspronkelijke standpunt te behouden, jongeren als J. Schoenmaekers en Jan Hoving wilden een positief atheïsme, geïnspireerd door mensen als A. Schopenhauer en Fr. Nietzsche en te propageren door 'positief-atheïstisch bevoegden'. Havers won het pleit en in 1919 stelde de vereniging zich op atheïstisch standpunt. Verdere uitbouw van de vereniging werd evenwel gefrustreerd door een met Hoving en de Amsterdamse afdeling in venijnigheid toenemende discussie en door geldgebrek. Vanaf 1920 stelde de afdeling Amsterdam het bestuur van de vereniging samen. Havers zag 'een stuk van zijn leven' afgenomen toen Hoving hem als voorzitter opvolgde. Havers bracht nu als afdelingsvoorzitter nieuw leven in de afdeling Den Haag, maar de verhouding met het nieuwe hoofdbestuur verslechterde. Hovings semi-intellectuele en positieve propaganda die elk rechttoe-recht-aan-atheïsme ondersneeuwde, beviel Havers allesbehalve. Bovendien kreeg hij slechts klusjes die Hoving beneden zijn niveau achtte, en werd als spreker gepasseerd. Toen vervolgens Hijman Croiset een zeer omstreden verslag gaf van het Dageraadscongres en Havers elk weerwoord weigerde, scheidde de Haagse afdeling zich eind juni 1921 af. Havers verklaarde nooit meer met Hoving te willen samenwerken. In mei 1923 trad hij af als voorzitter van de Haagse vrijdenkersvereniging. In 1924 werd hij opnieuw lid van De Dageraad om mee te strijden tegen de katholieke kerk. Met het hoofdbestuur bleef hij evenwel op gespannen voet staan. In 1927 werd hij opnieuw voorzitter van de afdeling Den Haag en moest orde op zaken stellen in allerlei ruzies. De relaties met het hoofdbestuur verslechterden door kritiek op Hoving van Havers en Anton Constandse, aan wiens blad De Nieuwe Cultuur Havers meewerkte (1927-1928). Wegens geldzaken werd de afdeling Den Haag in oktober 1928 geroyeerd. Havers bleef tot in de jaren dertig voorzitter van de zelfstandige Haagse vrijdenkersvereniging. Zijn overlijden in 1946 werd noch in de socialistische, noch in de libertaire, noch in de vrijdenkerspers opgemerkt.

Publicaties: 

"De Dageraad" en de Arbeidersbeweging' in: De Dageraad. Geschiedenis, Herinneringen en Beschouwingen. 1856-1906 (Amsterdam 1906) 156-157; 'Zedelijke opvoeding zonder geloofsdogma' in: W. Meijer e.a., Zedelijke opvoeding. Verzameling van vier opstellen (Amsterdam 1912) 8-11; Den handschoen opgeraapt! Eene poging om de vrijdenkers in Nederland te mobiliseeren inzake het vraagstuk van de scheiding van kerk en staat, meer speciaal wat betreft de afscheiding van de kerk (Amsterdam 1913; met voorwoord A.H. Gerhard); 'Een vergeten hoofdstuk' en (met S.W. Coltof), 'Ferdinand Domela Nieuwenhuis' in: W. Beek e.a. (red.), Gedenkboek ter gelegenheid van den 70sten verjaardag van F. Domela Nieuwenhuis. 31 december 1916 (Amsterdam 1916) 74-79 en 155-183; Lijkverbranding. Onze excursie naar het crematorium te Westerveld op zondag 29 mei 1921 (Den Haag 1921); Open Brief aan de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en aan het Nederlandsche volk over de onzedelijkheid in den Bijbel (Rotterdam z.j.).

Literatuur: 

Vliegen, Dageraad II, 208-209, 434, 438, Kracht I, 226, 239, 333, 431, II 154; Is. Goudsmit, Uit het duister naar het licht! Gedenkboek van de Algemeene Nederlandsche Bond van Arbeid(st)ers in het bakkers-, chocolade- en suikerbewerkingbedrijf. 1894-1934 (z.pl. 1934) 240-241.

Portret: 

W. Havers, uit Vliegen, Dageraad II (Amsterdam 1905), t.o. 24

Auteur: 
Bert Altena
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 107-111
Laatst gewijzigd: 

00-00-1992