LANSINK jr., Bernardus

Bernardus Lansink jr.

voorzitter van het Nationaal Arbeids-Secretariaat en het Nederlandsch Syndicalistisch Vakverbond, is geboren te Enschede op 31 augustus 1884 en aldaar overleden op 6 maart 1945. Hij was de zoon van Bernardus Lansink, textielarbeider en voorman uit de anarchistische beweging, en Hermina Bloemendaal. Op 3 september 1908 trad hij in het huwelijk met Arendina Antonia Gerritdina Hendrika van Hummel, met wie hij een dochter en een zoon kreeg.

Lansinks vader was aanhanger van F. Domela Nieuwenhuis, actief in de Twentse vakbeweging en in het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS). Lansink jr., zoals hij ter onderscheiding van zijn vader werd genoemd, was schilder. Politiek gesproken trad hij in de voetsporen van zijn vader. Lansink was aanhanger van Domela Nieuwenhuis, maar een voorstander van organisatie. Hij was secretaris van de Enschedese schildersvereniging die zich aansloot bij de in februari 1909 opgerichte Landelijke Federatie van Bouwvakarbeiders (LFBA), die zich op haar beurt aansloot bij het NAS. In augustus 1911 werd hij redacteur van Het Bouwvak, orgaan van de federatie, en in september bezocht hij als vertegenwoordiger van de federatie het eerste internationale syndicalistische congres in Londen. In januari 1914 werd Lansink vrijgestelde en verhuisde naar Amsterdam. Hij ondersteunde daar de heroprichting van het sociaal-anarchistische Volksblad, dat van 1914 tot in 1916 verscheen. Lansink was kort verbonden aan de opvolger van dit blad, De Tribune. In het najaar van 1916 werd hij secretaris van de LFBA. Tevens koos een grote meerderheid hem tot voorzitter van het NAS, waarvan zijn vader sinds maart 1914 secretaris was. Lansink jr. schreef bij zijn aantreden in het NAS orgaan De Arbeid, waarvan hij in 1918 redacteur werd, een artikel tegen de 'staak-maar-raak-tactiek' van het vakverbond. Evenals de voormalige voorzitter van het NAS, Harm Kolthek, wilde hij een hechte organisatie en pleitte voor meer bezoldigde bestuurders, een stakingskas, het afsluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten en het meedoen aan werkloosheidverzekeringen. Als NAS-voorzitter was hij pragmatisch ingesteld, wat hem in conflict bracht met meer revolutionair ingestelden binnen het in 1916 uit het Agitatiecomité der Samenwerkende Arbeidersvereenigingen voortgekomen Revolutionair Socialistisch Comité (RSC), dat zich tegen de wereldoorlog keerde. Lansink was daarvan secretaris. Met andere sociaal-anarchisten, vooral uit het NAS afkomstig, nam hij het initiatief tot het oprichten van de Landelijke Federatie van Revolutionaire Socialisten (FRS), die in 1915 tot stand kwam. Binnen de FRS pleitte Lansink voor parlementaire actie, maar hij vond er geen gehoor. Met Harm Kolthek behoorde hij in februari 1918 tot de oprichters van de Socialistische Partij (SP). Lansink schreef in het partijblad Recht voor Allen. Bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten in april 1919 kwam hij samen met Foeke Kamstra voor de SP in de Staten van Noord Holland. Lansink was eveneens op het terrein van het anti-militarisme actief. Hij was voorzitter van de Nederlandsche Bond van Gedemobiliseerden. In de zomer van 1918 leidde hij de acties tegen de terdoodveroordeling van de syndicalist Tom Mooney in San Francisco. Lansink was lid van de Internationale Anti-Militaristische Vereeniging en sprak op tal van anti-militaristische bijeenkomsten, zoals tijdens de Herman Groenendaal-actie in 1921. Vanaf 1926 zat hij samen met A. Müller Lehning namens de syndicalistische Internationale Arbeiders Associatie in de Internationale Anti-Militaristische Kommissie.

In december 1920 reisde Lansink samen met E. Bouwman naar Berlijn om de conferentie van syndicalistische vakverenigingen bij te wonen. Hier werd bekeken of syndicalisten samen met communisten één vak-internationale tot stand konden brengen. Lansink behoorde met Rudolf Rocker tot de opstellers van de 'Berlijnsche Verklaring' die samenwerking van syndicalisten en communisten mogelijk maakte. Er kwam een Internationaal Syndicalistisch Informatiebureau te Amsterdam, met Lansink als secretaris. Vanaf 1921 maakten de communisten in het NAS propaganda voor aansluiting bij de in 1920 te Moskou opgerichte Roode Vakvereenigings-Internationale (RVI), terwijl de meer sociaal-anarchistisch georiënteerden, waaronder Lansink, daar tegen waren omdat zij vreesden dat de RVI ondergeschikt zou worden aan de Komintern. De communisten binnen het NAS waren tegen Lansink omdat die zich gematigd opstelde tegenover het NVV en zelfs bereid was tot samenwerking, zoals op het demonstratief congres tegen de duurte van het NAS en NVV in 1919. In 1920 ging Lansink samen met NVV voorzitter Roel Stenhuis bij de minister van Landbouw, Nijverheid en Handel klagen over de sterk gestegen prijzen. H. Sneevliet ageerde binnen het NAS sterk tegen Lansink, die hij reformisme verweet. De anarchisten in het NAS namen Lansink kwalijk dat hij lid was van de SP. Desondanks werd hij in 1921 herkozen als voorzitter. Lansink ging in december 1921 met een NAS delegatie naar Moskou. Hij kreeg zijns inziens niet voldoende garanties dat het syndicalistische standpunt binnen de RVI zou worden gerespecteerd en wilde daarom niet een resolutie onderschrijven waarin werd aangedrongen op aansluiting. Op het congres van het NAS in maart 1922, dat ging over al of niet aansluiten bij de RVI, was een kleine meerderheid tegen aansluiting. Op het congres in maart-april 1923 was een kleine meerderheid voor aansluiting bij de RVI. Lansink zag nu meer heil in de in 1923 opgerichte syndicalistische Internationale Arbeiders Associatie (IAA). Hij kondigde aan dat hij uit het NAS zou stappen om een nieuw vakverbond op te richten. Op 24 juni 1924 kwam te Utrecht het Nederlandsch Syndicalistisch Vakverbond (NSV) tot stand. Lansink werd bezoldigd secretaris-propagandist en redacteur van het NSV-blad De Syndicalist. Met de oprichting van het NSV brak hij met de SP. Hem was al vaak te verstaan gegeven dat hij als syndicalist geen lid kon zijn van een parlementaire politieke partij. Het kleine NSV sloot zich aan bij de IAA, waarvan Lansink samen met R. Rocker en A. Souchy het internationale secretariaat vormde. Toen het NAS zich in 1927 afscheidde van de RVI, zag Lansink de weg vrij voor samengaan met het NSV, maar de meerderheid van het NSV wilde hem niet volgen. Aanvankelijk legde hij zich hierbij neer. In januari 1929 besloot een meerderheid van het bestuur volgens Lansink tot een te radicaal antiparlementair standpunt, onder invloed van de anarcho-syndicalist A. de Jong, die zeer gebeten was op de pragmatisch ingestelde Lansink. Deze legde daarop zijn functie neer als redacteur van De Syndicalist. Intussen had hij zich opnieuw aangesloten bij het NAS, ondanks het feit dat hij nog secretaris was van de Syndicalistische Federatie van Bouwvak-Arbeiders. Lansink probeerde deze federatie over te laten gaan naar het NAS, maar deed dit buiten de andere bestuurders om. Op het congres van de federatie op 17 februari 1929 werd hij om die reden geroyeerd, hoewel hij al lid af was.

Het NAS honoreerde Lansink met de uiterst bescheiden positie van ambtenaar-propagandist bij de Nederlandsche Federatieve Bond van Personeel in Openbaren Dienst (NFBPO). Hij was in loondienst, geen bestuurder en zijn standplaats was Den Haag. Onder de leden bestond nogal wat verzet tegen hem maar het bestuur verdedigde hem. Lansinks tegenstanders noemden hem een baantjesjager. Zelf schreef hij in De Gemeenschap, het blad van de federatie, dat hij in een nieuw milieu terechtgekomen was en niet meer op het verleden wilde terugkijken. Lansink werd secretaris van het Haagsch Vak-Comité, het plaatselijk secretariaat van het NAS. Ook was hij in deze tijd secretaris van de Haagse afdeling van de Vereeniging voor Volksontwikkeling, de vormingsorganisatie van het NAS en was hij lid van de Revolutionair Socialistische Partij. Lansink trad vaak voor het Vak-Comité op als spreker. Zo herdacht hij in 1929 samen met Gerhard Rijnders de martelaren van Chicago en F. Domela Nieuwenhuis. Hij sprak ook wel samen met Geert van Oorschot en NAS-voorzitter Sneevliet. Lansink ontpopte zich weer als de bevlogen vakbondsman die zich hoofdzakelijk bezighield met directe belangenbehartiging zoals met de invoering van de Ziektewet (1929) en met werkloosheidsbestrijdingsmaatregelen, en was afgevaardigde in het Georganiseerd Overleg van de gemeente Den Haag. Lansink begon zich in het begin van de jaren dertig te ergeren aan de voorzitter van het NAS. Hij vond Sneevliet niet een vakbondsman vanwege diens minachting voor het kleine hervormingswerk. 'Voor den huidigen N.A.S. - voorzitter is dit alles "reformistisch", van nul en geen beteekenis en volstrekt waardeloos voor de arbeiders. In plaats daarvan bestudeert hij ijverig de "strategische revolutieplannen" van zijn groot-en leermeester en "strateeg" Trotski. En als nu belangrijke congressen gehouden worden waar b.v. de "arbeidsbemiddeling" aan de orde komt, en men informeert waarom het NAS er niet vertegenwoordigd was, dan krijgt men het antwoord: "We hadden het vergeten"(!)'. Toen eind 1933 de regering onder leiding van H. Colijn het NAS tot verboden organisatie verklaarde voor ambtenaren, was de NAS leiding voor voortzetting van de NFBPO in de illegaliteit. Lansink beschouwde het probleem zakelijker, omdat men rekening moest houden met de werkelijke machtsverhoudingen. Volgens Lansink zou het resultaat van strijd tegen Colijn de ondergang van de bond betekenen. Hij wees er op dat andere NAS-bonden gewoon met de overheid onderhandelden, terwijl de ambtenaren de strijd moesten aangaan. Hij stelde voor de NFBPO als onafhankelijke bond voort te laten bestaan zodat de belangenbehartiging niet in gevaar zou komen. Toen dit plan werd afgewezen, richtte Lansink op 25 februari 1934 de onafhankelijke Centrale Bond van Overheidspersoneel (CBO) op. Lansink kwam in het bestuur en werd redacteur van het bondsorgaan De Nieuwe Gids. Op grond hiervan werd hij door het NAS geroyeerd. In juli 1934 beschuldigden Lansink en de oud-secretaris van de NFBPO R. Nieuwenhuis in de brochure Crisis in het N.A.S.! Na tien jaar leiding Sneevliet ervan het NAS naar de ondergang te hebben gevoerd. De CBO moest zich volgens hen aansluiten bij de neutrale Nederlandsche Vakcentrale, maar dit mislukte. Begin 1935 werd Lansink lid van de SDAP. Het Volk vond dit belangrijk genoeg om het op de voorpagina te vermelden. Het citeerde een brief waaruit bleek dat Lansink de SDAP als massa-organisatie beschouwde en als de enige socialistische partij die voor vrijheid van meningsuiting en democratische besluitvorming was. De laatste tien jaar leidde Lansink als ambtenaar een onopvallend bestaan. Door de oorlog uit Den Haag verdreven, stierf hij in zijn geboorteplaats Enschede.

Publicaties: 

Behalve de genoemde: Na den strijd de overwinning. Jaarverslag van de Landelijke Federatie van Revolutionaire Socialisten. Benevens een overzicht van het behandelde op het congres der Federatie (Amsterdam 1918); Weg met het NAS! (Amsterdam 1918); De moordaanslag op Tom Mooney (Amsterdam 1918); 'Het program van het L.R.S.C. en het N.A.S.' in: De Nieuwe Tijd, 1919, 77-84; De poststaking. Haar resultaten en wat zij ons leert (Amsterdam 1920); Eenheid in de vakbeweging (Amsterdam 1921); De werkloosheid, de gruwel van het kapitalisme (Amsterdam 1922); Berlijn of Moscou? Libertair- of staats-socialisme? (Amsterdam 1923); Pro Berlijn. Revolutionaire Syndicalistische Internationale (IAV) (z.pl. z.j.); Wat wil het N.S.V.? (Amsterdam 1924); 'Holland. Bericht des Syndikalistischen Gewerkschaftsverbandes der Niederlande' in: Die Internationale. Organ der Internationale Arbeiter-Assoziation, juni 1925, 126-131.

Literatuur: 

Gedenkboek uitgegeven door het Nationaal Arbeids-Secretariaat, ter gelegenheid van zijn 25-jarig bestaan (Amsterdam 1918); M. Eekman, B. Lansink junior (kandidaats-scriptie politicologie Amsterdam 1972); M. Perthus, Henk Sneevliet revolutionair-socialist in Europa en Azië (Nijmegen 1976); E. van der Tuin, 'Het NSV en het anarcho-syndicalisme' in: M. Hunink, J. Kloosterman, J. Rogier (red.) Voor Arthur Lehning (Baarn 1979) 203-239; V. Bultsma, E. van der Tuin, Het Nederlandsch Syndicalistisch Vakverbond 1923-1940 (Amsterdam 1980); G. Harmsen, Nederlands kommunisme (Amsterdam 1982); J.E. Burger, Linkse frontvorming (Amsterdam 1983); W. Thorpe, 'The workers themselves'. Revolutionary syndicalism and international labour 1913-1923 (Dordrecht 1989); G. Voerman, De meridiaan van Moskou. De CPN en de Communistische Internationale (1919-1930) (Amsterdam 2001).

Portret: 

B. Lansink jr, IISG

Auteur: 
Menno Eekman
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 182-186
Laatst gewijzigd: 

25-09-2002