MENSING, Maria Anna Catharina

Maria Anna Catharina Mensing

(roepnaam: Marie), secretaris van de Bond van Sociaal-Democratische Vrouwenclubs en eerste landelijk secretaris van de Sociaal-Democratische Partij, is geboren te Den Haag op 15 april 1854 en overleden te Ermelo op 5 april 1933. Zij was de dochter van Willem Johannes Mensing, boekhandelaar, en Johanna Imene.

Mensing volgde een opleiding tot onderwijzeres. In Haarlem, waar zij van 1878 tot 1884 woonde, was zij misschien nog werkzaam als hulponderwijzeres, maar nadat zij zich in 1884 in Kampen gevestigd had, werkte zij hoogstwaarschijnlijk nooit meer in haar vak. Vanaf die tijd verzorgde zij de huishouding van haar alleenstaande nicht C.G.E.G. (Line) Liernur (1850-1918), hoofd van de meisjesschool voor Meer Uitgebreid Lager Onderwijs in Kampen. Bij hen woonde ook de eveneens in het onderwijs werkzame D.W. (Bora) van Vloten. Samen met Van Vloten was Mensing in de jaren tachtig actief met het geven van Toynbee-cursussen voor jonge meisjes. Hierbij kregen zij financiële steun van de Kamper afdeling van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, waarvan Liernur sinds haar Haarlemse jaren donatrice was.

Zoals voor veel vrouwen toentertijd was dit werk voor haar een eerste stap op weg naar meer politiek gerichte activiteiten. In 1896 was Mensing blijkbaar al lid van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (VVVkr), want zij werd namens deze vereniging lid van de redactie van het feministische blad Evolutie. Toen één jaar later de samenwerking tussen het blad en de vereniging ophield, bleef Mensing toch nog in Evolutie schrijven (tot 1899). Zij schreef niet alleen over vrouwenkiesrecht, maar hield in haar artikelen ook pleidooien voor co-educatie, coöperatieve huishouding en seksuele bevrijding. Over dit laatste onderwerp schreef zij in 1897 ook in De Dageraad, het blad van de vrijdenkers.

Samen met Van Vloten en een mevrouw Lubach richtte Mensing in 1897 de afdeling Kampen van de VVVkr op, waarvan zij zelf voorzitster werd. Toen in 1901 een voorstel van de afdeling Kampen om de statuten van de vereniging zodanig te wijzigen dat er ruimte was voor meer stromingen binnen één gemeente, verworpen werd, was haar rol als afdelingsvoorzitster uitgespeeld.

Vanaf omstreeks 1898 was Mensing betrokken bij de voorbereiding van de Nationale Vrouwenraad en was zij lid van de Vereeniging Onderlinge Vrouwenbescherming, die zich tot doel stelde alleenstaande en ongehuwde moeders en haar kinderen sociaal en financieel te steunen. Ook was zij correspondente voor de Nederlandsche Vrouwenbond tot Internationale Ontwapening (in 1898) en zat zij in het bestuur van het Vrouwen Hogerhuis-Comité (in 1899). Zij was intussen correspondente geworden van het sociaal-democratische blad De Arbeid. Gesteund door vooral Bora van Vloten lukte het haar om op 8 mei 1900 in Kampen een afdeling op te richten van de SDAP. Ondanks 'een haar zeer vijandig gezinde massa arbeiders' hield zij haar inspanningen voor de partij vijf jaar vol. Toen zij in augustus 1905 naar Amsterdam vertrok, telde de afdeling elf leden.

Het vertrek van Mensing naar Amsterdam had waarschijnlijk zowel persoonlijke als 'politieke' redenen. Vanaf 1904 was haar relatie met Line Liernur verslechterd en zij hoopte in Amsterdam haar 'onverdeelde krachten aan de zaak der sociaal democratie te kunnen geven'. Ten slotte trof zij een financiële regeling met Liernur, die het haar mogelijk maakte zelfstandig te gaan wonen in Amsterdam, waar zij al contact had met Mathilde Wibaut en Jo van Gogh-Bonger. Bovendien ontving zij in mei 1905 de uitnodiging van Carry Pothuis-Smit om mee te werken aan een blad voor arbeidersvrouwen. In Amsterdam werd Marie Mensing eerst secretaris van de plaatselijke Sociaal-Democratische Vrouwenclub, die bijdroeg in de huur van haar woning. In 1908 werd zij landelijk secretaris van de Bond van Sociaal-Democratische Vrouwenclubs (BSDVC). Ook was zij vanaf september 1906 lid van de redactie van het blad De Proletarische Vrouw. Zij kwam in die tijd onder de indruk van Clara Zetkin, die zij samen met Mathilde Wibaut voor het eerst ontmoette op het congres van de Sozialdemokratische Partei Deutschlands in Mannheim (1906). De Duitse partijgenotes steunden haar in de opvatting, dat de SDAP in de Tweede Kamer het algemeen kiesrecht voor zowel vrouwen als mannen moest bepleiten. Zelf sprak Mensing op het congres van Mannheim kritisch over de houding van de SDAP in dit opzicht. Zij liet zich ook scherp uit over het streven van de partij om de arbeid van gehuwde vrouwen buitenshuis te beperken. Dit weerhield haar er niet van zich voor een hechte organisatie van de BSDVC (naar Duits voorbeeld) in te zetten.

Vooruitlopend op de afsplitsing van de Sociaal-Democratische Partij (SDP) ('omdat er binnenkort twee partijen zullen zijn') stelde Mensing in maart 1909 in De Proletarische Vrouw voor het lidmaatschap van de BSDVC los te maken van dat van de SDAP. Toen bleek dat de redactie van het blad het hiermee niet eens was, moest Mensing wel besluiten te vertrekken. Het deed beiden leed: 'wij zien Marie Mensing met groot leedwezen vertrekken' (De Proletarische Vrouw) en 'als ik zeg er is geleden, zeg ik niet veel' (Mensing). Zij werd opgevolgd door Heleen Ankersmit. In 1909 verliet Mensing ook de Sociaal-Democratische Studieclub, waarvan zij vanaf 1906 secretaris was.

Zij werd in 1909 de eerste landelijke secretaris van de SDP. Een paar weken later verhuisde zij uit de Van Eeghenlaan, waar zij inwoonde bij Jo Cohen Gosschalk-Bonger, die zich na de dood van haar tweede man weer Jo van Gogh-Bonger zou gaan noemen, naar de Laing's Nekstraat. Bij haar kwam toen Emma Josephina Hess, de eerste vrouw van D. Wijnkoop, inwonen. In mei 1911 vertrok Mensing naar de Grensstraat, mevrouw Hess achterlatend met J. Ceton, die inmiddels bij haar ingetrokken was. Weer een jaar later verhuisde Mensing naar Bloemendaal. Tot december 1910 was zij behalve secretaris ook penningmeester van de jonge partij. Uit deze functies nam zij zelf ontslag. Sinds maart was zij steeds ziek geweest (nierkwaal). Ceton volgde haar op. De Wibauts, met wie zij al die tijd contact hield, boden haar hun hulp aan.

Haar aandacht voor vrouwen in de socialistische politiek bracht Mensing in deze jaren naar voren in De Tribune, het periodiek van de oppositie binnen de SDAP en vanaf 1909 van de SDP, waarin zij van 1907 tot 1910 de vrouwenrubriek verzorgde. Haar artikelen handelden over de rol van vrouwen in de klassenstrijd en de strijd voor vrouwenkiesrecht. Zij sprak zich uit tegen de beperking van vrouwenarbeid en bepleitte moederschapsverzekering en coöperatieve huishoudvoering. Vooral dit laatste onderwerp werd op het SDP-congres afgedaan als 'feministische fraaiïgheid'. In 1910 nam Roosje Stel-Vos op verzoek van de redactie de rubriek van haar over. In de jaren 1917 tot 1920 schreef Mensing nog in De Voorbode, het blad van de in 1917 opgerichte Revolutionair Socialistische Vrouwenbond, zeer strijdbare artikelen, voortdurend opwekkend tot klassenstrijd, en in het meer theoretische blad De Nieuwe Tijd. Zij was inmiddels verhuisd naar Overveen, was lid van het afdelingsbestuur Haarlem van de Communistische Partij in Nederland, zoals de SDP inmiddels heette, en gaf cursussen voor partijleden.

In de loop van de jaren twintig werd het stil om Marie Mensing. Henriette Roland Holst, die in de tijd van De Voorbode veel met haar had samengewerkt, vertelt over een weinig opwekkende tocht langs verschillende rusthuizen in het Gooi (eerst Bussum, later Baarn), maar vermeldt niet meer, dat zij uiteindelijk in een krankzinnigengesticht in Ermelo is overleden.

Publicaties: 

Behalve de genoemde 'Eisch eener vrouw van 't heden, ten opzichte van 't sexueele leven' in: De Dageraad, 1897-1898, 473-482, 627; 'Beschouwing' in: De Nieuwe Tijd, 1918, 367-375; 'Nood of bezieling' in: De Nieuwe Tijd, 1920, 513-519.

Literatuur: 

J. de Kadt, Uit mijn communistentijd (Amsterdam 1965) 105-109; Baanbreeksters (Amsterdam 1960) 111-113; B. Marinus, 'Verenigen hier is "fransch"'. Organisatie van sigarenmakers in Kampen (1894-1913) (Kampen 1982) 67-84; B. van den Muijzenberg-Willemse, 'Marie Mensing' in: Vrouwen voor Vrede en Opbouw 9, 1956, nr. 7, 15-16; W. van Ravesteyn, De wording van het communisme (Amsterdam 1948) 103-111; H. Roland Holst, Het vuur brandde voort (Amsterdam 1949) 174-176; H. Buiting, Richtingen- en partijstrijd in de SDAP. Het ontstaan van de Sociaal-Democratische Partij in Nederland (SDP) (Amsterdam 1989).

Portret: 

M. Mensing, zelfportret 1887, Frans Walkate Archief (Kampen)

Auteur: 
Fia Dieteren, Bauke Marinus
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 89-91
Laatst gewijzigd: 

11-05-2009