HAAN, Jacob Israël de

Jacob Israël de Haan

(roepnamen Jaap, Joop), vanwege homo-affaire ontslagen medewerker van Het Volk en ijveraar voor Russische gevangenen, is geboren te Smilde op 31 december 1881 en vermoord te Jeruzalem op 30 juni 1924. Hij was de zoon van Izak de Haan, koopman, winkelier en godsdienstonderwijzer, en Betje Rubens. Op 28 maart 1907 trad hij in het huwelijk met Johanna Belia Cornelia Jacoba van Maarseveen, gemeentearts te Amsterdam. Dit huwelijk bleef kinderloos.
Pseudoniem: Robert Roberts.

Moeders lieveling Jacob kon goed met kinderen omgaan. Hij botste met zijn vader. Hoe driftiger de vader, hoe koeler en sarcastischer de zoon. Het opgroeien van de kinderen uit het gezin De Haan, dat in 1885 in Zaandam kwam wonen, heeft zijn iets oudere zuster, de schrijfster Carry van Bruggen, beschreven in Het huisje aan de sloot (1921). Over haar broer schreef zij De verlatene (1909). In 1896 ging De Haan naar de Rijkskweekschool in Haarlem, waar hij in 1900 zijn onderwijzersdiploma haalde. Hij vond werk aan een volksschool in de Amsterdamse Pijp en studeerde intussen verder. Om te worden toegelaten tot de universiteit haalde hij in 1903 zijn staatsexamen gymnasium A. Daarna volgden zijn kandidaats rechten (1905) en zijn doctoraal (1909). In Haarlem had de onstuimige De Haan, die zich aangesproken voelde door de vrije gedachte en de 'socialen' (anarchisten en socialisten), met het joodse geloof gebroken. Na lezing van werk van Karl Marx sloot hij zich aan bij de SDAP en begon voor Het Volk stukjes te schrijven. P.L. Tak trok hem in april 1903 aan als redacteur van de kinderrubriek in het Zondagsblad. De Haan gaf de rubriek inhoud maar toen hij in november en december 1903 rond de Zuiderzee trok om geld in te zamelen voor de kinderen van slachtoffers van de spoorwegstaking eerder in dat jaar, vonden Groningse socialisten wel dat hij 'voor een jong haantje veel te hard kraait'. De functie van SDAP-propagandist in de Zaanstreek wees De Haan af teneinde zijn vader te ontzien, met wie hij - eenmaal uit huis - beter kon opschieten.

De Haan, literair begaafd en creatief met taal (nieuwe woorden en rijmritmen), legde zijn ontluikende gevoelens in dichtvorm vast. Hij las veel en was bekoord geraakt door De Nieuwe Gids, waarin Tachtigers als Frederik van Eeden en anderen hun literaire en sociale vernieuwingsideeën uitten. Hij bewonderde Van Eeden dermate dat hij hem in maart 1899 aanschreef. Deze reageerde terughoudend op De Haans verzoeken om contact en genegenheid. Maar zijn raadgevingen hadden een positieve uitwerking op De Haan en ten slotte ontwikkelde zich een vriendschap voor het leven. Hoewel Van Eeden niets moest hebben van De Haans homoseksualiteit, bleef de relatie volgens Fontijn in stand omdat Van Eeden ouder was, meer overwicht had en sympathie voor de intelligente en eigenzinnige De Haan koesterde. Voor De Haan zijn Van Eeden en Albert Verwey 'de vastheid geweest van mijn leven, de eerlijkheid en de trouw'. Aan Verwey had hij in 1901 voor het eerst gedichten gezonden, maar het zou tot 1909 duren voordat Verwey deze in De Beweging wilde afdrukken. Verwey was hiermee een 'goede en strenge Meester' maar 'nooit een nabij en vertrouwd Vriend'. De Haans gedichten verschenen vanaf 1900 wel in De Gids en Nederland. De Haan bleek een man die gaag en makkelijk gaf, maar ook - vaak zonder het te merken - kon kwetsen. Hij had behoefte aan liefde en lag op een verschrikkelijke manier met zichzelf overhoop, aldus Abel Herzberg tegen C. Spoor. 'Hij was niet alleen homoseksueel, hij vond dat ook zondig. Hij lééd daaronder.' De Haan doorbrak deze situatie - zijn 'coming out' - in juni 1904 met Pijpelijntjes (Amsterdam 1904; gewijzigde uitgave met als ondertitel Het leven van Cor Koning en Felix Deelman, Amsterdam 1904; herdrukken: 1974; 1981 en later). Deze homo-erotische roman speelde zich af in de Amsterdamse Pijp, waar De Haan zelf woonde, en was biografisch herkenbaar. De ene hoofdpersoon (Joop) was hijzelf, de andere (Sam) was A. Aletrino (roepnaam Sam), voor wie De Haan grote genegenheid voelde. Hij had het boek aan hem opgedragen. De literator en aan de Universiteit van Amsterdam verbonden arts en seksuoloog Aletrino had in 1901 op een congres onder leiding van prof. mr. G.A. van Hamel een rapport over homoseksualiteit (uranisme) verdedigd. Dit had in de Eerste en Tweede Kamer de toorn gewekt van minister-president A. Kuyper, die nog in februari 1904 diens opsluiting suggereerde. Aletrino bestreed Kuyper in zijn voorwoord bij de Nederlandse vertaling van M. Hirschfelds Ursachen und Wesen des Uranismus, die ongeveer tezelfdertijd verschijnen zou. De Haans boek kwam dus allerminst gelegen. Aletrino kocht meteen de hele oplage ter vernietiging op, geholpen door Van Maarseveen, de latere vrouw van De Haan. Wanhopig wendde De Haan zich om steun tot Van Eeden en Lodewijk van Deyssel. De laatste weigerde een voorwoord te schrijven voor de herziene, biografisch niet langer herkenbare versie van Pijpelijntjes, die De Haan in augustus publiceerde. Ook van Van Eeden ontving De Haan alleen privé steun.

De publikatie van Pijpelijntjes in juni was voor Tak aanleiding geweest De Haans medewerking aan het Zondagsblad te beëindigen omdat de uitgave van een dergelijk werk niet kon samengaan met de kinderrubriek. Mogelijk wilde hij de partij een schandaal bij de aanstaande verkiezingen besparen. De botte en grievende wijze waarop Tak melding maakte van het ontslag van De Haan (aangeduid als 'de heer' in plaats van 'partijgenoot'), wekte de wrevel van M. Mendels die de kinderrubriek waardeerde. Ook W.H. Vliegen had geen begrip voor Taks maatregel en steunde De Haan in deze roerige periode. De meeste SDAP'ers kenden echter dezelfde bekrompen anti-homo-gevoelens als Louis Hermans. Deze publiceerde in De Nieuwe Tijd een artikel over 'Het derde geslacht' en sprak van 'een ziek deel van de menschheid' dat geen aanspraak kan maken op bijzondere achting (Het Volk besprak dit artikel later instemmend). Toen Tak in de zomer een stuk van De Haan in Het Volk van een vervelend naschrift voorzag en diens reactie daarop weigerde te plaatsen, wendde De Haan zich tot de Commissie van Arbitrage teneinde zijn stuk alsnog geplaatst te krijgen. De Haan had de SDAP vaarwel gezegd maar was teruggekeerd. Tak had geen zin te reageren op de inmiddels verschenen nieuwe versie van Pijpelijntjes en de door De Haan in Kanalje (Amsterdam 1904; herdruk 1977) gebundelde schetsen (waaronder uit Het Volk). Tak saboteerde het commissiewerk door alles op de lange baan te schuiven. De commissie (C. Bijkerk, I.G. Keesing, S.J. Pothuis) hield echter vol en gaf Tak een reprimande omdat De Haan, die eerst zijn baan als onderwijzer in Amsterdam was kwijtgeraakt, door Taks naschrift ook zijn nieuwe baan in Voorschoten kwijtraakte. Na de commissie-uitspraak zag De Haan, die het behalve om eerherstel in de partij nu ook om de vrijheid van de kunstenaar ging, zijn stuk in februari 1905 alsnog geplaatst. Hij ontwierp een congresmotie om zich in Het Volk van censuur over werken van kunst en wetenschap te onthouden. Hiermee maakte hij in de partij en daarbuiten de nodige discussie los. De anti-revolutionair H. Bijleveld hanteerde in de Tweede Kamer De Haans ontslag als argument tegen neutraal onderwijs. J.H.A. Schaper, die Taks visie verdedigde, reageerde weinig adekwaat. Uiteindelijk vond De Haan voor zijn motie in de partij geen steun. Hierop schreef hij de hele zaak van zich af in een emotionele maar gedocumenteerde Open brief aan P.L. Tak (Amsterdam 1905; herdruk 1982). Tak reageerde met een stukje in Het Volk waarin hij aan zijn opvatting vasthield. Hij weigerde opnieuw De Haans reactie daarop te plaatsen. Dit verscheen in De (groene) Amsterdammer van J. de Koo (geen vriend van Tak) en markeert het einde van De Haans SDAP-periode.

De Haan vond dankzij Van Hamel werk als klerk bij de Rijksverzekeringbank. In 1906 schreef hij in De Amsterdammer kritisch over de gevolgen van het leerlingenbeleid van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond en lokte daarmee een discussie uit met H. Polak en F. van der Goes. De nieuwe hoofdredacteur H.P.L. Wiessing waardeerde hem als medewerker. In 1906 gaf De Haan door de week les aan het Instituut Wegerif in Nijmegen. Nadien werkte hij opnieuw als onderwijzer in Amsterdam en na 1909 als (duur en streng maar succesvol) repetitor van rechtenstudenten. Hij publiceerde nog twee romans - Ondergangen, een aan zijn feministische echtgenote opgedragen vrouwenroman (in 1907 als feuilleton verschenen; herdruk 1984) en de eveneens homoseksueel getinte Pathologieën (Rotterdam 1908). De Haan hervond zijn geestelijk evenwicht mede dankzij zijn negen jaar oudere echtgenote (haar academische houding hielp hem los te komen van zijn traditionele achtergrond), de afronding van zijn rechtenstudie en zijn erkenning als dichter in 1909. Van Eeden, met wie De Haan zijn promotieplannen besprak, wekte zijn enthousiasme voor de significa of betekenisleer van de Engelse Lady Welby. Zij had Van Eeden gestimuleerd onderzoek te doen naar de betekenis van taal in de communicatie en naar daarmee verband houdende maatschappelijke misverstanden. Van Eeden bracht De Haan ertoe de significa op juridisch terrein te ontwikkelen door de rechtstaal te onderzoeken. Zij besloten Victoria Welby begin 1912 samen op te zoeken maar zij overleed kort voor hun komst. In Engeland introduceerde Van Eeden De Haan bij de in Brighton in ballingschap verblijvende P.A. Kropotkin, die hem inlichtte over het lot van Russische gevangenen. De Haan was zo onder de indruk dat hij nog die zomer een reis naar Rusland ondernam om er gevangenissen te bezoeken, gevolgd door een bezoek begin 1913. Bij de Wereldbibliotheek publiceerde hij het boek In Russische gevangenissen (Amsterdam 1913; herdruk 1986). Hij speelde een rol in het in 1913 door H. Roland Holst en anderen gevormde Comité voor politieke gevangenen in Rusland. Intussen begon De Haan naam te krijgen op het terrein van de significa naast Van Eeden en de wiskundigen L.E.J. Brouwer en G. Mannoury. In februari 1916 promoveerde hij op Rechtskundige significa en hare toepassing op de begrippen: 'aansprakelijk, verantwoordelijk, toerekeningsvatbaar' (Amsterdam 1916). Van Eeden was paranimf (Verwey had dit geweigerd), Van Hamel promotor en Brouwer opponent. De Haan kwam onder de indruk van de taalfilosofische opvattingen van Brouwer. Eind 1916 kreeg hij een aanstelling als privaat-docent aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn openbare les handelde over Wezen en taak der rechtskundige significa (Amsterdam 1916). Zijn controversiële eigenzinnigheid verhinderde evenwel dat hij Van Hamel als hoogleraar strafrecht kon opvolgen, wat De Haan het gevoel gaf uitgesloten te worden.

Dankzij Verwey had De Haan erkenning gevonden als (vernieuwend) dichter. Vanaf 1910 waren zijn gedichten geïnspireerd door zijn terugkeer tot het joodse geloof, mogelijk uit innerlijke tweestrijd over zijn homoseksualiteit, zijn huwelijk en dat laatste bovendien met een niet-joodse vrouw. Hij raakte bekend als 'dichter van het joodse lied' (naar de bundel Het Joodsche Lied, Amsterdam 1915-1921; 2 delen), maar schreef ook het homo-erotische Een nieuw Carthago (Den Haag 1919). In 1912 werd hij lid van de Nederlandsche Zionistenbond. Hij leerde Hebreeuws en ontwikkelde zich in orthodoxe richting. Teleurgesteld over het niet-doorgaan van zijn hoogleraarschap vertrok hij in januari 1919 naar Palestina. Als correspondent van het Algemeen Handelsblad zou hij bijna vierhonderd zeer informatieve reisverslagen publiceren. Hij werd docent rechten aan de Government Law School in Jeruzalem (1920) en vergat ook de Hebreeuwse significa niet. Geconfronteerd met de gevolgen van de joodse vestiging in het door Palestijnen bewoonde Palestina en de gecompliceerde Brits-joodse en intern-joodse politieke verhoudingen werd De Haan anti-zionist. Hij publiceerde hierover en zond memoranda aan de Engelse regering en de Volkenbond. Omdat hij een steeds groter rol speelde in de politiek belangrijke groepering van de orthodoxe Chaim Sonnenfeld (de Agoeda Israel, die zionisten het recht ontzegde namens het joodse volk te spreken) en hij openlijk met Arabieren omging, werd zijn positie steeds moeilijker. Na een boycot van zijn colleges in 1922 werd hij eind 1923 als docent ontslagen. Hij werd een uitgestotene. In 1924, vlak voor zijn vertrek naar Londen als leider van een Agoedistische missie, schoot - naar in 1985 bekend werd - de zionistische bevrijdingsorganisatie Hagana, die in De Haan een verrader zag, hem neer. Dit was de eerste politieke moord in joods Palestina. De Duitse schrijver Arnold Zweig herdacht dit in zijn prachtige roman De Vriendt kehrt heim (Berlin 1932).

Archief: 

Archief J.I. de Haan in Bibliotheca Rosenthaliana, Universiteitsbibliotheek van Amsterdam (cf. inventaris L. Giebels, Amsterdam 1994).

Publicaties: 

Arbeidersvreugd (Amsterdam 1911); Jerusalem (Amsterdam 1921; feuilletons); Kwatrijnen (Amsterdam 1924); Palestina (Amsterdam 1925); Brieven uit Jeruzalem (Amsterdam 1941); K. Lekkerkerker (red.), Verzamelde gedichten (Amsterdam 1952; 2 delen; met weglating van de gedichten vóór 1909); Besliste volzinnen (Amsterdam 1954); A. Saalborn (red.), Brieven aan een jongen. Een kleine correspondentie van Jacob Israël de Haan (Amsterdam 1957); K. Joosse, J. Meijer (red.), Jacob de Haan. Kanalje en Opstandige Liedjes (Amsterdam 1977; De Engelbewaarder, nr. 6, herdrukken met inleiding); L. Giebels (red.), Jacob Israël de Haan correspondent in Palestina 1919-1924 (Amsterdam 1981); M. Stapert-Eggen (red.), Nerveuze vertellingen (Den Haag 1981; BZZTôH, nr. 8); Jacob Israël de Haan. De bloemen en de brief (Amsterdam 1982; met aantekeningen van J. Sprankenis); M.M. Lommen (red.), De Vriendschap lonkt, de Vroomheid maant (Hasselt 1992); G. Komrij (red.), Jacob Israël de Haan. Ik ben een jongen te Zaandam geweest. Een bloemlezing (Amsterdam 1982); Nerveuze vertellingen (Amsterdam 1983; inleiding R. Delvigne, L. Ross); Ondergangen (Amsterdam 1984; nawoord R. Delvigne, L. Ross). Een bibliografie van in boekvorm verschenen werk is op kaart te raadplegen in het Nederlands Letterkundig Museum (Den Haag).

Literatuur: 

J.C. Bloem, 'Jacob Israël de Haan ter herdenking' in: Geschenk 1933 (Amsterdam 1933) 161-163; M. de Haan, Jacob Israël de Haan, mijn broer (Amsterdam 1954); S. de Wolff, Voor het land van belofte (Bussum 1954) 102-105; W.J. Simons, 'Een "onzedelijk" boek. De geschiedenis van de Pijpelijntjes-Affaire' in: Maatstaf, 6/8, november 1958, 560-587; W.J. Simons, 'Mijn lied stikt in mijn hart als 'k aan U denk. Jacob Israël de Haan's reizen naar Rusland' in: Maatstaf, 7/8, november 1959, 481-505; W.J. Simons, 'Frederik van Eeden en zijn verhouding tot Jacob Israël de Haan' in: Mededelingen Frederik van Eedengenootschap, XVIII, 3.4.1960, 31-40; J. Meijer, 'Lodewijk van Deyssel en Jacob Israël de Haan. Een rechtzetting' in: Roeping, 35/11, april 1960, 697-726; H.P.L. Wiessing, Bewegend portret (Amsterdam 1960); E.-L. Israël, Jacob Israël de Haan. De dichter van het joodsche lied (Amsterdam 1962); G.C.J.J. van den Bergh, 'Jacob Israël de Haan en de rechtstaal' in: Rechtsgeleerd Magazijn Themis, 1964, 339-358 (met bibliografie betreffende significa); J. Meijer, Zij lieten hun sporen achter (Utrecht 1964) 227-239; J. Meijer, De zoon van een gazzen. Het leven van Jacob Israël de Haan. 1881-1924 (Amsterdam 1967); V.E. van Vriesland, Herinneringen (Amsterdam 1969) 50-54; W.J. Simons, 'Pijpelijntjes. De geschiedenis van een "onzedelijk" boek' in: Pijpelijntjes (Den Haag 1974) 219-243; L. Giebels, De zionistische beweging in Nederland 1899-1941 (Assen 1975); J. Roier, 'Jacob Israël de Haan: slachtoffer van zijn zionisme' in: Boekenbijlage Vrij Nederland, 26.3.1977, 4-6 en in: De geschiedschrijver des rijks en andere socialisten (Nijmegen 1979); W.F. Hermans, 'De liefde van Sam en Joop' in: Houten leeuwen en leeuwen van goud (Amsterdam 1979); L. Giebels, 'Jacob Israël de Haan in Palestina' in: Studia Rosenthaliana, 14, 1980, 14-78, 15, 1981, 111-142, 188-233; J. Meijer, Onze taal als een bare schat. Jacob Israël de Haan en het Hebreeuws (Amsterdam 1981); 'Jacob Israel de Haan en het verongelijkte zionisme in Palestina' in: Nieuwsbrief Palestina Komitee, 10/4, juni 1982, 14-19; R. Delvigne, L. Ross, Jacob Israël de Haan. Open brief aan P.L. Tak. De geschiedenis van de Pijpelijntjes-affaire (Amsterdam 1982); C. Spoor, 'Jacob Israël de Haan een joodse Lawrence of Arabia' in: De Tijd, 29.1.1982, 30-37; R. Tielman, Homoseksualiteit in Nederland (Meppel 1982); L. Giebels, 'Haan, Jakob (Jacob) Israël de' in: BWN II (Den Haag 1985) 204-206; K. Joosse, Arnold Aletrino. Pessimist met perspectief (Amsterdam 1986); H. Driessen, 'Jacob Israël de Haan en de Russische politieke gevangenen' in: Rusland in Nederlandse ogen (Amsterdam 1986) 132-151; J. Rademaker, 'Jacob Israël de Haan (1881-1924) en de strafrechtstaal' in: Recht en kritiek, 12/2, 1986, 176-190; 'De mateloze vriendschappen van Jacob Israël de Haan', special De Groene Amsterdammer, 19.4.1989, 10-21; H.W. Schmitz, De Hollandsche significa (Assen 1990) 135-188; M. Moree, 'Haan, Jacob Israel de (1881-1924)' in: J. Bos, W. Foorthuis (red.), Drentse biografieën 2 (Meppel 1990) 64-68; J. Fontijn, Tweespalt (Amsterdam 1990); E. Fallaux, Het eind dat niemand keren kon (VPRO-documentaire 1991); J. Luis, 'Een allesgevende liefde. Het leven van Jacob Israël de Haan' in: NRC Handelsblad, 27.9.1991; R. Wester, 'Jacob Israël de Haan: het eind dat niemand keren kon' in: Vrij Nederland, 28.9.1991, 22-24; J.F. van Wijnen, 'Een literaire vondst bij Karel van het Reve thuis. Jacob Israël de Haan op zolder' in: Vrij Nederland, 16.7.1994, 34-35; R. Delvigne, L. Ross, Brieven van en aan Jacob Israël de Haan 1899-1908 (ongepubliceerde dissertatie Vrije Universiteit Amsterdam 1994); J. Perry, De voorman (Amsterdam 1994) 191-192; J. Fontijn, Trots verbrijzeld (Amsterdam 1996); L. Putman (samenst.), Mijn belijdend lied. 31 gedichten / Jacob Israel de Haan (Amsterdam 1999; met inleidend essay van P.N. van Eyck; L. Giebels, Viagra blues / William Levy. Demons / Jacob Israel de Haan); J. Meijer, Het joodse boek in vooroorlogs Mokum. Nalezing. Herinneringen met een bijsmaak (Amsterdam 1999); Anti-Discriminatie Bureau Zaanstreek (samenst.), Mijn lied, mijn leed, mijn hartstocht. Het leven van Jacob Israel de Haan (1881-1924) (Westzaan 1999).

Portret: 

Jacob Israël de Haan, uit: J. Meijer, De zoon van een gazzen. Het leven van Jacob Israël de Haan. 1881-1924 (Amsterdam 1967)

Auteur: 
Bob Reinalda
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 80-85
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003