MATTHIJSEN, Jan Willem

Jan Willem Matthijsen

SDAP-bestuurder en gemeenteraadslid te Amsterdam, is geboren op 12 februari 1879 te Huissen (Gld.) en overleden op 23 april 1949 te Amsterdam. Hij was de zoon van Christiaan Jacobus Matthijsen, sigarenmaker en fabrieksopzichter, en Hendrina van Bragt. Op 18 september 1907 trad hij in het huwelijk met Betje de Leeuw, met wie hij vier zoons kreeg.

Matthijsen groeide op als oudste in een groot arbeidersgezin, dat geen bepaalde religieuze of politieke overtuiging was toegedaan. Voor hem stond al vroeg vast welke richting hij zou kiezen. Nog voordat hij de statutair vereiste leeftijd van achttien jaar had bereikt, was hij lid van de SDAP. Als piepjonge onderwijzer weigerde hij zijn leerlingen Oranjeliedjes te leren. Hij trad toe tot de Bond van Nederlandsche Onderwijzers en de Sociaal Democratische Onderwijzersvereeniging. In 1899 verruilde hij zijn eerste onderwijsbaan in Wijk bij Duurstede voor een in Amsterdam, waar hij al snel van zich deed spreken in de afdeling V van de SDAP. In deze afdeling, die meestal op de linkervleugel van de partij opereerde, ontmoette hij zijn vriend voor het leven Sam de Wolff. Matthijsen was afdelingssecretaris van 1905 tot 1912, waarna hij als tweede bezoldigde secretaris/penningmeester naast J.G. van Kuijkhof op het partijbureau van de SDAP werd aangesteld. Na enige jaren beperkte Van Kuijkhof zich tot het penningmeesterschap en voerde Matthijsen alleen het secretariaat. Deze veelomvattende bestuursfunctie combineerde hij met die van volksvertegenwoordiger in de Provinciale Staten van Noord-Holland en de Amsterdamse gemeenteraad (1913-1920), waar hij speciaal onderwijs-kwesties behandelde. Zo nam de raad in 1915 zijn voorstel aan om bij sollicitaties ook gehuwde onderwijzeressen op de lijst van bij voorkeur benoembaren te plaatsen - opmerkelijk in een tijd waarin de huwende onderwijzeres juist met ontslag bedreigd werd. Matthijsen was door en door praktisch ingesteld en beschikte over een groot organisatietalent. Hij voerde in 1914 een reorganisatie van de partijstructuur door, waarmee de gewestelijke federaties meer macht kregen. Hij voelde een grote persoonlijke verbondenheid met P.J. Troelstra en aarzelde nooit diens partij te kiezen bij conflicten. Als secretaris van het Comité van Actie uit SDAP en NVV in 1918 organiseerde hij samen met Edo Fimmen de agitatie voor een grootscheeps program van eisen van de arbeidersbeweging. Een andere actie in deze roerige tijd na de Russische Revolutie werd hem echter niet in dank afgenomen. Zonder enig overleg met collega-partijbestuurders liet hij Troelstra's tot revolutie opwekkende Rotterdamse rede (november 1918) de volgende dag als manifest in alle grote steden verspreiden. Vliegen noemde hem in een partijbestuursvergadering stiekem en achterbaks, waarop Matthijsen met aftreden dreigde. Zo ver kwam het niet.

In 1919 verliet Matthijsen het partijsecretariaat om directeur te worden van de N.V. Drukkerij en Uitgevers-Mij Voorwaarts en het dan nog op te richten dagblad Voorwaarts in Rotterdam. Hier leerde hij zijn latere opdrachtgever Julius Barmat nader kennen. Deze vluchteling uit de Oekraïne had een handelskantoor in Rotterdam gevestigd en was daar rijk geworden. Barmat investeerde herhaalde malen aanzienlijke bedragen in de Voorwaarts. Nog tijdens zijn directoraat ging Matthijsen af en toe voor Barmat op handelsmissie en begin 1921 vestigde hij zich in Barmats dienst in Berlijn. Zijn functie bij de Voorwaarts was toen in feite al enige tijd overgenomen door Y.G. van der Veen. De naam Barmat raakte in 1925 verbonden met een corruptieschandaal rond de Duitse sociaal-democratie. Matthijsen en ook Troelstra, die Barmat bij zijn Duitse collega's zou hebben aanbevolen, kwamen door diens reputatie geregeld zelf binnen de partij in opspraak. In Berlijn was Matthijsen van meet af aan niet gelukkig met zijn nieuwe baan. Toen men hem eind 1922 polste voor een redacteurschap bij Het Volk, was zijn antwoord dan ook 'liever vandaag dan morgen, mits op een fatsoenlijke manier'. Het jaar daarop kreeg hij, na een goed woordje van Troelstra, de aanstelling. Naast beschouwingen over de Nederlandse economie, industrie en landbouw publiceerde hij, ook in boekvorm, over Italië en de Sovjet-Unie. Zijn boeken over Italië bevatten een ondubbelzinnige afwijzing van de fascistische dictatuur. Ten aanzien van de Sovjet-Unie vertolkte hij het linkse standpunt binnen de SDAP, tegenover de meer sceptische J.G. van Dillen. In het enthousiaste Moskou-Reisindrukken (Amsterdam 1926) pleitte hij ervoor de zielsverwante bolsjewiki het voordeel van de twijfel te gunnen. Zij streefden met andere middelen en onder andere omstandigheden hetzelfde doel na: afschaffing van het kapitalisme. Heel wat minder geestdriftig was het verslag van zijn tweede reis in 1932. Alleen de plan-economie dwong nog zijn bewondering af, over de organisatie van de maatschappij en de mensenrechten was hij zorgelijk. In deze reisverslagen noteerde hij nauwgezet de prijs van ieder produkt dat hem onder ogen kwam, maar hield zich verre van theoretische beschouwingen. Matthijsen zag zichzelf graag als Rusland-deskundige, hoewel zijn werk over Italië beter gedocumenteerd is. Hij voerde verscheidene keren een pennestrijd met andere Ruslandreizigers, zoals met Jef Last naar aanleiding van diens Het Stalen Fundament (1933).

Vanaf 1931 maakte Matthijsen opnieuw deel uit van het partijbestuur. In de crisistijd hamerde hij bij alle mogelijke gelegenheden op de noodzaak de gouden standaard los te laten. Een studiecommissie uit NVV en SDAP steunde hem hierin niet. In de Herzieningscommissie, die zich in 1933 boog over de vraag of een nieuwe oriëntatie voor de partij nodig was, nam hij een minderheidsstandpunt in ten aanzien van de nationale ontwapening. Evenals Koos Vorrink vond hij dat dit gezien het dreigende nationaal-socialisme te gevaarlijk zou zijn. Van 1931 tot 1934 zat hij in de Algemeene Raad van SDAP en NVV, waar hij blijkens de notulen vooral zonder kennisgeving afwezig was. Misschien lag zijn hart meer bij de Amsterdamse gemeentepolitiek. Als voorzitter van de federatie (1933-1935) en van de fractie (1935-1939) was hij een soort linkse stoorzender in de SDAP. Voor hem woog het vechters-elan van de partij zwaarder dan de vraag of iets politiek 'haalbaar' was. Zo meende hij in 1934 dat huurverlaging van gemeentewoningen geoorloofd was, hoewel dat een gat van vier en een half miljoen in de Amsterdamse begroting zou slaan. Zijns inziens viel aan de arbeiders niet te verkopen dat de SDAP tegen huurverlaging zou zijn. In 1935 botste hij heftig met het partijbestuur, omdat hij afspraken met de communisten in de raad wilde maken. Hij moest op zijn schreden terugkeren en behaalde een Pyrrhusoverwinning door toch de deur naar de communisten voor de toekomst op een kier te houden. Begin 1939 luidde Matthijsen ongewild zelf het einde van zijn politieke carrière in. Op zijn voorstel toog een raadscommissie aan het werk, die moest onderzoeken of zijn fractiegenoten S.R. de Miranda en Z. Gulden onrechtmatig gehandeld hadden bij de uitgifte van erfpachtgronden. Al doende ontdekte de commissie dat Matthijsen er met 'voorkennis' voor gezorgd had dat een school verkocht werd aan een zekere heer, met uitschakeling van andere mogelijke gegadigden. Daarmee had hij niet het belang van de gemeente gediend. In een drie en een half uur durende rede vocht Matthijsen de conclusies van de commissie aan. Zijn partijgenoot in de commissie, C. Woudenberg, viel hem hierop publiekelijk af. Matthijsen zag zich gedwongen zijn zetel ter beschikking te stellen.

In de oorlog leverde Matthijsen incidenteel bijdragen aan Het Parool en Paraat, nadien publiceerde hij in De Vlam. Een hartkwaal damde zijn energie steeds verder in. In zijn in oktober 1945 verschenen brochure Democraten vereenigt u kantte hij zich tegen het zijns inziens zweverige personalistisch socialisme. Hij was tegen het loslaten van de klassenstrijd als beginsel en vóór samenwerking met de communisten. Niets wijst er op dat zijn standpunt in de partij nog onderwerp van serieuze bespreking is geweest. Matthijsen was een laconieke man, wars van vertoon, die hield van Heinrich Heine en schaken. Bij zijn plotselinge overlijden in 1949 herdacht zijn oude vriend Sam de Wolff hem in De Vlam als het revolutionair-marxistische geweten van de SDAP.

Publicaties: 

Behalve de genoemde: Het fascisme in Italië (Amsterdam 1928); Een loon-enquête. Onderzoek naar den invloed van het loon op de werkgelegenheid in de industrie (Amsterdam 1928); Onder rood bewind. Hoe Weenen door de sociaaldemokraten bestuurd wordt (Amsterdam 1929); Mijn ontdekkingsreis door Sowjet-Rusland (Amsterdam 1932); (met J. Smid) Plattelandsverarming (Baarn 1932); In het jaar XIV. Dertien jaren ervaring met fascisme en dictatuur (Amsterdam 1936); Matteotti (Amsterdam 1936); Qu'a donné la dictature á l'Italie? (Brussel 1936); Wat gebeurt er met de Radio Omroep? Radio Nederland of schotjes-radio (Barendrecht 1945); 'Over Sam de Wolff en zijn werk' in: S. de Wolff, Van eerstelingen tot late oogst (Amsterdam 1948) 7-22.

Literatuur: 

Vliegen, Kracht III, 300-301; De Vlam, 12.2 en 30.4.1949; Het Vrije Volk, 25.4.1949; P. Bakker in: Elseviers Weekblad, 30.4.1949; S. de Wolff in: De Vlam, 7.5.1949; A. Geelhoed, De SDAP en het eenheidsfront (1932-1939) (kandidaatsscriptie Amsterdam 1973); J. Bosmans, Romme. Biografie 1896-1946 (Utrecht 1991); B. van Dongen, Revolutie of integratie (Amsterdam 1992); G. Aalders, C. Hilbrink, De affaire Sanders. Spionages en intriges in herrijzend Nederland (Den Haag 1996); M. Brinkman, Willem Drees, de SDAP en de PvdA (Amsterdam 1998); P. Hofland, Leden van de Raad. De Amsterdamse gemeenteraad 1814-1941 (Amsterdam 1998).

Portret: 

J.W. Matthijsen, IISG

Auteur: 
Margreet Schrevel
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 146-149
Laatst gewijzigd: 

29-03-2010