VEEN Hzn., Ybele Geert van der

Ybele Geert van der Veen Hzn.

(roepnaam: Y.G.), algemeen directeur van De Arbeiderspers, is geboren te Metslawier (Fr.) op 7 januari 1884 en overleden te Amsterdam op 21 juli 1940. Hij was de zoon van Hendrik van der Veen, notarisklerk en brievengaarder, en Sjoukje Zijlstra, onderwijzeres. Op 12 augustus 1908 trad hij in het huwelijk met Jannetje Knoppers, met wie hij een zoon kreeg. Na haar overlijden op 12 december 1918 hertrouwde hij op 4 augustus 1919 met Lutske Kromhout, met wie hij twee dochters kreeg.

Van der Veen groeide op in een vooruitstrevend, vrijzinnig gezin. Hij verloor zijn vader toen hij tien was. Daarna werd hij geplaatst bij de Maatschappij tot opvoeding van wezen in een huisgezin te Amersfoort. Hij ontving een onderwijzersopleiding in het Old Burger Weeshuis te Leeuwarden. Hij werkte als huisonderwijzer en later als onderwijzer aan lagere scholen in Jubbega en Leeuwarden. Na het behalen van de hoofdakte was hij al weer tien jaar werkzaam bij het Buitengewoon Lager Onderwijs (aan geestelijk onvolwaardige kinderen) in Amsterdam. In Friesland was hij lid geworden van de SDAP. Hij werd drankbestrijder, was tussen 1905 en 1920 redacteur van De Blauwe Vaan en voorzitter van het Amsterdamsch Drankweercomité.

Na de dood van Hendrik Spiekman, Rotterdams correspondent van Het Volk, 18 november 1917, volgde de toen 33-jarige Van der Veen hem op als redacteur van Het Volk in Rotterdam. In 1920 werd daar het dagblad Voorwaarts opgericht, vervaardigd in het gebouw en de drukkerij van de coöperatie van die naam, een schepping van H.P. Berlage. Van der Veen werd hoofdredacteur (tot 1937) en J.W. Matthijsen directeur van de N.V. Drukkerij en Uitgevers-Mij Voorwaarts. Het eerste nummer van het SDAP-dagblad verscheen met veel moeite op 26 juli 1920. In december telde het blad 16.000 abonnees. Er waren Rotterdammers die P.J. Troelstra als hoofdredacteur van Voorwaarts wensten, maar het partijbestuur verzette zich daartegen. Troelstra wilde wel maar mocht niet, waarna Van der Veen werd benoemd 'bij gebrek aan beter'. Nadat Matthijsen zich als directeur ontmoedigd had teruggetrokken, nam Van der Veen ook deze functie op zich. Eigenlijk was het zijn opdracht de krant te liquideren, maar dat druiste tegen zijn aard in. Hij vocht voor de krant en boekte resultaat. Met de redactie werkte hij plannen uit voor een betere en actuelere krant, geschreven vooral voor - zoals hij dat noemde -'de eenvoudige vrouw aan de wastobbe'. Hij kocht papier handje-contantje tegen de dagprijs, zodat hij niet als andere drukkers gebonden was aan langlopende contracten. Hij trof een regeling met de grootste schuldeiser, Julius Barmat. Er kwamen meer advertenties en in 1927 was het abonneetal gestegen tot 26.700. In dat jaar haalde hij bovendien de drukorder voor de VARA-gids binnen. Toen aan het einde van de jaren twintig het organisatorisch samenvoegen van de socialistische dagbladen aan de orde was, kwam Van der Veen als eerste in aanmerking om deze taak te voltooien. Hij had met zijn Voorwaarts in Rotterdam succes door een modern uiterlijk van de krant, nieuws voor de vrouw, plaatselijk nieuws en sport. Hij gaf strak leiding, eiste veel van zijn medewerkers maar ook van zichzelf. Zo'n man miste Het Volk. Het partijbestuur van de SDAP besloot op 29 oktober 1927 Van der Veen met de centrale leiding van de dagbladpers te belasten. Het congres van de SDAP koos hem half december 1927 tot technisch hoofd-redacteur van Het Volk, waarvan J.F. Ankersmit sinds 1925 journalistiek hoofdredacteur was. Van der Veen trad op 1 januari 1928 in dienst van Het Volk en zorgde er volgens A.C.J. de Vrankrijker voor 'dat Ankersmit niet voor 45.000, maar voor 200.000 abonnees schreef'. Op 21 mei 1929 werd hij algemeen directeur van de op die datum gestichte N.V. De Arbeiderspers, waarin SDAP en NVV elk voor 50% als aandeelhouders participeerden. Hierin waren opgenomen het Volk-bedrijf, met drukkerij Vooruitgang, uitgeverij en boekhandel Ontwikkeling, het bedrijf Voorwaarts met dagblad, drukkerij, cliché-inrichting en boekwinkels, en drukkerij Noordelijk Trio te Groningen. Van der Veen had het bestuur van de vennootschap onder toezicht van een uit twee maal zes man bestaande Raad van Commissarissen. President-commissaris was toen F.M. Wibaut, gedelegeerde commissarissen waren J. Oudegeest (SDAP) en S. de la Bella (NVV). Van der Veen verliet Rotterdam, waar hij in 1922 korte tijd lid van de gemeenteraad was. Van 1922 tot 1927 was hij lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland. In Amsterdam kreeg hij onder zijn beheer twee dagbladen, drie drukkerijen en een uitgeverij met zestien boekwinkels. In 1931 werd te Amsterdam het nieuwe gebouw van De Arbeiderspers aan het Hekelveld 15 in gebruik genomen. Daarin waren een drukkerij, uitgeverij, boekhandel en clichéfabriek gevestigd. Het bedrijf had dagbladdrukkerijen in Rotterdam, Groningen, Arnhem, Leeuwarden en Enschede. Van der Veen zorgde met groot commercieel en journalistiek inzicht voor vlot geschreven kranten, per 2 november 1931 in een vergroot formaat en met een omvang, die er zijn mocht. Het satirisch weekblad De Notenkraker, in 1907 voortgekomen uit het Zondagsblad van Het Volk, werd opgeheven. Feitelijk is het blad opgevolgd door het geïllustreerde weekblad Wij, een uitgave van De Arbeiderspers onder leiding van Van der Veen. In februari 1935 kwam het uit met 70.000 abonnees. Een initiatief ten tijde van moeilijke economische omstandigheden, die Van der Veen noopten tot bezuinigingen en loonsverlaging. En toch schreef De Arbeiderspers eind 1935, midden in de zwartste crisistijd, voor de dagbladen de 189.000-ste abonnee in, een nieuw hoogtepunt. In 1937, na het aftreden van hoofdredacteur Ankersmit, kreeg H.B. Wiardi Beckman de redactionele leiding van alle Arbeiderspersbladen. Van der Veen bleef een actief, soms moeilijk directeur. Het aantal edities met plaatselijke toevoegingen breidde zich uit. De ondertitel Dagblad voor de Arbeiderspartij werd per 14 februari 1938 veranderd in Sociaal-Democratisch Dagblad. Het koningshuis kwam in de kolommen, er werd aandacht besteed aan geestelijk leven. Op 10 mei 1940 waren er 212.486 abonnees.

De Tweede Wereldoorlog is funest geweest voor Van der Veen, zijn krant en zijn apparaat. Het ging financieel al niet zo goed met De Arbeiderspers. De jaren 1935 en 1936 hadden verliezen gebracht, 1937 gaf netto-winst maar 1938 resulteerde in verlies. Weliswaar was er steeds abonneewinst maar de totale bedrijfsresultaten baarden de hardwerkende, zuinige en door sommigen dictator genoemde Van der Veen grote zorgen. W.H. Vliegen noemde hem in 1938 'waarschijnlijk de man in de beweging op wie, niet in politiek opzicht, maar als organisator en zakenman, de zwaarste verantwoordelijkheid berust'. Na de Duitse inval stond voor Van der Veen vast, dat hij hoe dan ook het bedrijf, dat hij had grootgemaakt, door de oorlog heen zou slepen. Hoofdredacteur Wiardi Beckman was na de capitulatie niet naar de krant teruggekeerd. Als waarnemend hoofdredacteur trad op G.P.J. van Overbeek, die zich vrij positief over de nieuwe situatie in het bezette land uitliet. Van der Veen ging, zoals hij gewend was, zijn eigen gang: zoeken naar geld door te lenen, te verkopen en te bezuinigen, zelfs op de salarissen van de medewerkers. Hij oogstte zowel begrip als grote tegenstand. De 'ongekroonde koning van De Arbeiderspers' raakte verstrikt in zichzelf. Zijn bedrijf zou in geen geval in de handen van de Nationaal-Socialistische Beweging mogen vallen, die de persen van De Arbeiderspers graag zou benutten voor de eigen bladen. Zonder zijn eigenaren, die overigens ook in de verwarring en onzekerheid van de eerste weken na de capitulatie verkeerden, daarin te kennen gaf Van der Veen gehoor aan het via zijn Haagse redactie binnengekomen verzoek van Pressereferent W.P.W. Janke om op dinsdag 16 juli 1940 op de Duitse persafdeling aan de Kneuterdijk in Den Haag te verschijnen. Van der Veen ging met Van Overbeek. Zij kregen financiële toezeggingen van Generalkommissar zur besonderen Verwendung Fr. Schmidt onder de voorwaarde dat er een goed wervingsplan kwam om de verloren abonnees het aantal was gedaald tot 121.836 terug te halen. Van der Veen zag zijn levenswerk gered. Hij zette zich met zijn hoofden van dienst aan het werk, overtuigd van zijn juiste, doch aanvechtbare, handelen. Op zaterdag 20 juli kwam voor Van der Veen de werkelijkheid: M.M. Rost van Tonningen stapte Hekelveld 15 binnen met de mededeling, dat hij als Kommissar für die marxistischen Parteien, benoemd door Rijkscommissaris A. Seyss-Inquart, de Arbeiderspers had toegewezen gekregen. Van der Veen zou ondergeschikt zijn aan H.J. Kerkmeester als directeur van De Arbeiderspers. Van der Veen zag alles ineenstorten: zijn apparaat, waarvoor hij grote - té grote naar W. Drees na de oorlog opmerkte concessies aan de Duitsers had gedaan, zijn krant, die in nazi-handen kwam, zijn leven, dat nu in zijn eigen ogen zinloos was. Op de avond van die dag beëindigde hij het zelf in een badcel hoog in zijn eigen gebouw, Hekelveld 15.

Publicaties: 

De S.D.A.P. tegen het alcoholisme (Amsterdam 1914)

Literatuur: 

Vliegen, Kracht III, 464-466; 'Wij spraken met: Y.G. van der Veen, den directeur der Arbeiderspers' in: Wierings Weekblad 27.1.1939; K. Proost, Weg en Werk. Een eeuw drankbestrijding (Utrecht 1941); W. Drees, 'Een mislukte poging tot gelijkschakeling' in: Onderdrukking en verzet (Arnhem z.j.), 25-29; A.C.J. de Vrankrijker, Het wervende woord (Amsterdam 1950); E. Fraenkel-Verkade, A.J. van der Leeuw, Correspondentie van mr. M.M. Rost van Tonningen. Deel 1 (Den Haag 1967) 101-118; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 4 (Den Haag 1972) 465-475; J.H. Scheps, Scheps inventariseert. Deel 1 (Apeldoorn 1973) 70-85; H. van Kuilenburg, 'Dagblad Voorwaarts uit het volk geboren' in: Rotterdams Jaarboekje, 1974, 209-233; G. Mulder, H. Arlman, U. den Tex, De val van de Rode Burcht. Opkomst en ondergang van een krantenbedrijf (Amsterdam 1980); C.H. Wiedijk, Koos Vorrink (Groningen 1986) 336-371; F. de Glas, Nieuwe lezers voor het goede boek. De Wereldbbliotheek en 'Ontwikkeling' / De Arbeiderspers voor 1940 (Amsterdam 1989).

Portret: 

Y.G. van der Veen, IISG

Auteur: 
Ben Maandag
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 205-208
Laatst gewijzigd: 

10-07-2002