LANGE, Daniël de

Daniël de Lange

marxistisch theoreticus en publicist, is geboren te Amsterdam op 8 november 1878 en overleden te Utrecht op 12 september 1948. Hij was de zoon van Daniël de Lange, musicus en dirigent, en Alida Maria Wilhelmina van Oordt. Op 26 december 1905 trad hij in het huwelijk met Adriana Smit, met wie hij drie zoons kreeg.

In het ouderlijk gezin van De Lange was muziek bijzonder belangrijk. Zijn vader studeerde muziek in Rotterdam en Brussel en werkte in Lemberg, Rotterdam en Parijs. Hij werd directeur van het Amsterdams conservatorium, algemeen secretaris van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst en muziek-redacteur van Het Nieuws van den Dag. Hij was een man van gewicht en wist dat. Hij gold als autoritair en drukte een stempel op het gezin. Later vestigde hij zich in de Verenigde Staten, werd theosoof en bleef zich actief bemoeien met het gezinsleven van zijn kinderen. De Lange jr. deed na het doorlopen van de Hoogere Burgerschool in 1898 staatsexamen en studeerde biologie aan de Universiteit van Amsterdam. In 1900 verloofde hij zich met de zuster van Carry Pothuis-Smit. Een andere zuster van zijn vrouw trouwde met de cabaretier Jean-Louis Pisuisse. In hun verlovingstijd waren zij reeds socialist en uit brieven blijkt dat zij vanuit SDAP en Amsterdamsche Bestuurdersbond intens meeleefden met stakingen, debatvergaderingen en kiesrechtacties. Zij lazen De Kroniek en zelfs schreef De Lange in 1902 een artikel voor dit blad, misschien wel zijn eerste, waarin hij natuurwetenschap en maatschappij combineerde op een wijze die voor hem kenmerkend zou worden. In 1905 promoveerde hij op De kiembladvorming van Megalobatrachus maximus Sch. Van 1905 tot 1908 was De Lange conservator aan het Zoölogisch Museum van de gemeente Amsterdam. Vervolgens werkte hij van 1908 tot 1911 als assistent op het algemene proefstation Salatiga op Java. Na zijn terugkeer in Nederland was hij van 1912 tot 1917 assistent van het zoölogisch laboratorium van de Rijksuniversiteit te Groningen en tevens privaatdocent in de vergelijkende microscopische anatomie aan deze universiteit. In 1917 werd De Lange benoemd tot directeur van het in 1916 gestichte Hubrecht-laboratorium te Utrecht en vanaf 1918 was hij privaatdocent in de vergelijkende embryologie der Vertebraten aan de Rijksuniversiteit aldaar. In 1919 breidde het gezin zich uit met Daniël, een derde zoon. Het Hubrechtlaboratorium, genoemd naar de stichter, had aanvankelijk een bescheiden omvang en was gevestigd in een woonhuis aan het Janskerkhof 2, maar onder leiding van De Lange groeide het uit tot een centrum van wetenschappelijke betekenis. Zelf bewoog hij zich op het terrein van de beschrijvende embryologie en hield zich in het bijzonder bezig met de placentavorming bij zoogdieren en het zogenaamde kopprobleem. Toen ook de experimentele embryologie op zijn instituut een plaats kreeg, had hij hiervoor wel belangstelling maar liet het onderzoek op dit nieuwe terrein aan anderen over. Van 1930 tot vlak voor zijn dood was hij secretaris-penningmeester van het Institut International d'Embryologie. Ondanks zijn grote activiteit op wetenschappelijk, organisatorisch en politiek gebied gold De Lange als weinig ambitieus. Een zachte, gevoelige man die nu en dan ondeugend kon lachen.

Het opkomende socialisme dat rond de eeuwwisseling onder intellectuelen voor het eerst aan invloed won en ook De Lange begeesterde, ging naast de politiek evenzeer de cultuur omvatten. Voor de Eerste Wereldoorlog publiceerde hij weinig. Deels zal zijn werk hem teveel opgeëist hebben, want op zijn vakgebied publiceerde hij wel, deels zijn gezinsleven. De jaren in Indonesië maakten uiteraard de band met de socialistische beweging in Nederland losser. Pas tijdens de Eerste Wereldoorlog toen hij zich voorgoed in Utrecht vestigde, werd hij als socialistisch publicist actief. Toen de SDAP zich op het standpunt van de vaderlandsverdediging stelde, behoorde De Lange tot degenen die aan het internationalisme vasthielden. Hij sloot zich zoals hij het zelf aanduidde aan 'bij het kleine groepje dissidenten uit de SDAP'. Hij noemde De Tribune een van de weinige organen waarin 'de problemen door de oorlog opgeworpen op eerlijke en principieele wijze behandeld werden'. Tevens was hij een ijverig lezer van Opwaarts, het orgaan van de Bond van Christen-Socialisten. Op de voorgrond treden deed hij niet graag. Niettemin oordeelde Henriette Roland Holst: 'Hij was een goed spreker en gaf uitstekende cursussen, maar trad niet op openbare vergaderingen op ... Een fanaticus was hij allerminst, daarvoor was hij te zeer een man van wetenschap en in zijn wezen lag een zeker scepticisme, dat echter geen geestdrift voor vrijheid en recht uitsloot'. Hij werd lid van de Sociaal-Democratische Partij (SDP), de latere Communistische Partij in Nederland (CPN) en raakte diepgaand bevriend met Roland Holst, die hij in 1918 persoonlijk leerde kennen. Honderden brieven die een periode van dertig jaar beslaan, getuigen hiervan. Een aantal jaren traden zij ook politiek gemeenschappelijk op. De Lange publiceerde in De Tribune en De Nieuwe Tijd. Hij was mede-oprichter van de Bond van Revolutionair-Socialistische Intellectueelen (BRSI) die gedragen werd door geestdrift voor de Russische Revolutie. Bart de Ligt was voorzitter en De Lange van 1919 tot de opheffing in 1922 penningmeester. Zijn dilemma bestond daarin 'dat men de massale strijdorganen der arbeidersklasse met al hun bezwaren en halfheden als realiteiten aanvaardt, maar dat men daarnaast in eigen leven en geest het socialistische ideaal van broederlijkheid en inzicht zooveel mogelijk tracht te verwezenlijken en daardoor een geestelijke elite helpt opbouwen die in voortdurende voeling blijft met deze massa en met de geheele maatschappij om evenals de oude Christenen de rol van zout of gist te vervullen'. De Lange werkte mee aan de Mosgroene van H.P.L. Wiessing. Dit blad gold als het officieuze orgaan van de BRSI. Achteraf was zijn kritiek op deze Bond dat het esthetische zwaarder woog dan het politieke. Tevens nam hij deel aan de acties van het Komitee tot Propaganda onder Intellectueelen voor Hulpverschaffing aan Sowjet-Rusland (KOMPINRUS). Dit Komitee beoogde feitelijke informatie te verschaffen over de Sovjet-staat en hulpacties te organiseren om de nood in dit land te helpen lenigen. Voor veel communisten was het moeilijk te aanvaarden om voor de groeiende hongersnood in het Wolgagebied in naam van de bolsjewiki 'hulp' te vragen aan de 'kapitalistische' wereld. Samen met Roland Holst organiseerde hij een verkoopactie van briefkaarten met een linoleumsnede van Richard Roland Holst. Van meet af aan hoorde De Lange in de CPN bij de oppositie die zich tegen het beleid van partijleider D. Wijnkoop richtte. Samen met Roland Holst, J. de Kadt, D.J. Struik en anderen tekende hij in november 1921 aan de vooravond van het partijcongres der CPN het 'memorandum' over de onderdrukking van de vrije meningsuiting. In mei 1923 stuurden Roland Holst en hij een telegram aan de Executieve van de Komintern over de onmogelijke situatie in de CPN. Vertegenwoordigers van partijbestuur en oppositie werden naar Moskou ontboden. Eind oktober 1924 behoorde De Lange tot de uit de CPN getredenen die lid werden van de Bond van Kommunistische Strijd- en Propagandaclubs (BKSP) en was betrokken bij het opstellen van het programma. Niettemin duurde het tot 1927, het jaar dat J. Stalin zijn rivaal L. Trotski uitschakelde, voor De Lange in navolging van Roland Holst en Sneevliet definitief met de CPN brak. Terwijl Roland Holst dit niet deed, sloot De Lange zich wel aan bij de door Sneevliet geleide en aanvankelijk sterk met het trotskisme sympathiserende Revolutionair Socialistische Partij (RSP). Eind 1927 trad hij toe tot de redactie van Klassenstrijd waarvan Roland Holst en Sneevliet reeds deel uitmaakten. Dit tijdstip viel samen met het gedwongen vertrek van A.S. de Leeuw die de CPN trouw bleef. Een conflict in de redactie in 1931 waarbij Jacq Engels zich terug moest trekken omdat deze in meerderheid zijn opvattingen niet langer deelde, leidde ertoe dat ook Roland Holst zich terugtrok. In overleg met haar bleef De Lange aan als redactielid. Na de opheffing in 1935 van De Nieuwe Weg, zoals Klassenstrijd na verloop van tijd ging heten, schreef De Lange nog tot het einde van dat jaar in de opvolger De Internationale. Daarna leverde hij uitsluitend nog bijdragen aan Bevrijding, het blad rond De Ligt en de Bond van Religieuze Anarcho-Communisten, waaraan hij reeds enige jaren meewerkte. Zijn betekenis voor de socialistische beweging ligt in zijn lange reeks bondige, bezonnen en kritische bijdragen. Daarin kwamen zijn grote culturele eruditie en behoefte aan heldere intellectuele verantwoording tot hun recht.

In zijn persoonlijke leven ging De Lange in toenemende mate gebukt onder een groeiende verwijdering tussen hem en zijn vrouw. Nadat zij in november 1927 rooms-katholiek was geworden, achtervolgde zij hem met haar bekeringsijver. Hun jongste zoon kreeg door haar toedoen een rooms-katholieke opvoeding. Seksuele omgang stond haar tegen en zag zij nu als zondig. Zij probeerde haar man hiervan te overtuigen. De vrouw waarop hij in 1928 verliefd werd, wilde echter geen verhouding. Aan Roland Holst had hij tot het einde toe steun. De Tweede Wereldoorlog trof het gezin zwaar. De twee zoons in Nederland waren gemobiliseerd tijdens de Duitse overval. Wel overleefde hun oudste zoon een Japans concentratiekamp, maar Pam, hun tweede zoon, werd al in oktober 1941 vanwege zijn verzetsactiviteiten in Nederland gevangen genomen. Vlak voor de bevrijding bezweek hij aan vlektyphus in het concentratiekamp Dachau. Alleen de jongste die een tijdlang bij Roland Holst op de Buissche Heide ondergedoken was, kwam goed door de oorlog heen. Het huis van De Lange in Bilthoven werd in december 1944 door een bom getroffen. Zijn gezondheid verslechterde en in januari 1945 kreeg hij een attaque. Zijn vrouw ging geheel op in het geloof en bleek slecht opgewassen tegen de huishoudelijke taak, die extra zwaar was in de hongerwinter van 1944 - 1945. Verzwakt en ondervoed werd De Lange in april 1945 wegens hartklachten in het Academisch Ziekenhuis te Utrecht opgenomen. Op 18 mei besloot hij rooms-katholiek te worden. Op 12 september 1948, kort voor zijn zeventigste verjaardag, kwam het einde. Een bloemlezing uit zijn werk, die hem als verjaarsgeschenk toegedacht was, verscheen voorzien van een voorwoord van Roland Holst, postuum. Vele geestverwanten heeft hij bij hun overlijden herdacht, weinigen deden het hem. Hij was reeds een vergeten figuur.

Publicaties: 

De mutatie-theorie en de sociale wetenschappen' in: De Kroniek, 17.5.1902; 'De tegenwoordige stand van het evolutie-vraagstuk' in: De Nieuwe Tijd, 1917, 187-197, 253-264, 426-438, 485-510; 1918, 156-175, 418-431, 477-487; 1919, 283-298, 333-339, 360-368, 563-569 (reactie van W. Wolda, zie De Nieuwe Tijd, 1919, 155); De invloed van aanleg en milieu op het tot stand komen van misdaad en misdadiger. Een biologische beschouwing (Blaricum 1920); Doel en streven van de Bond van Revolutionair Socialistische Intellectueelen (z .pl. 1920); 'Eenige aanteekeningen bij het artikel van H. Canne Meyer "Hier met Montessori"' in: De Nieuwe Tijd, 1920, 801-807; 'Is een communistische samenleving mogelijk? (Een antwoord aan Dr. K. Tjebbes)' in: De Nieuwe Tijd, 402-410; 'Clara Wichmann' in: De Communistische Gids, 1922, 209-218; 'Sociologische en eugenetische varia' in: De Communistische Gids, 1922, 375-381, 462-469, 534-541, 737-743, 1923, 88-95; 'Willem de Zwijger als revolutionair politikus' in: De Communistische Gids, 1923, 510-517, 578-589, 735-747, 1924, 21-31, 222-231; 'Stoom en electriciteit als sociale krachten door ir. P. Schut' in: De Communistische Gids, 1924, 304-305; 'Herman Gorter (1864-1927)' in: Klassenstrijd, 1927, 290-292; 'The theory of the leisure class, door Th. Veblen' in: Klassenstrijd, 1928, 63-64; "Gas". Drama in 5 bedrijven door Georg Kaiser' in: Klassenstrijd, 1928, 126-128; 'Rationalisatie van den arbeid en socialisme' in: Klassenstrijd, 1928, 274-278; 'De weg tot eenheid, door Henriette Roland Holst-van der Schalk' in: De Nieuwe Weg, 1929, 57-63, 84-87; 'Herman Gorter, de dichter van Pan, een heroïsch en tragisch leven, door W. van Ravesteyn' in: De Nieuwe Weg, 1929, 158-160, 219-224; 'Die Rationalisierung der Wirtschaft und die Arbeiterklasse, door Rudolf Rocker' in: De Nieuwe Weg, 1929, 276-280; 'Henriette Roland Holst-van der Schalk (1869-1929)' in: De Nieuwe Weg, 1929, 353; 'Herman Gorter als revolutionaire persoonlijkheid' in: Bevrijding, 1929-1930, 12-13; 'De hooge, lichte kim der stilte, door Joost Mendes' in: Bevrijding, 1929-1930, 79-80; 'Het "Zionisme" en de gebeurtenissen in Palestina' in: Bevrijding, 1929-1930, 83-85; 'Die Rationalisierung der Wirtschaft und die Arbeiterklasse, door Rudolf Rocker' in: Bevrijding, 1929-1930, 95; 'Frederik van Eeden (1860-1930)' in: Bevrijding, 1929-1930, 183-184; 'Jacobus van Looy (1855-1930)' in: De Nieuwe Weg, 1930, 90-91; 'De triomf der dictatuur' in: De Nieuwe Weg, 1930, 102-103; 'De frontverandering in Sovjet-Rusland in zake godsdienstvrijheid' in: De Nieuwe Weg, 1930, 130-133; 'Pieter Jelles Troelstra (1860-1930)' in: Bevrijding, 1930-1931, 29; (met B. de Ligt) 'Over afreageeren van ergernissen, kerkvorming en nog wat' in: Bevrijding, juli 1930 (reactie op: Bart de Ligt 'Meer dan tegen Moscou, tegen Rome' in: Bevrijding, 1929-1930, 179-181); 'Poenale sanctie en werkloosheid' in: Bevrijding, 1930-1931, april 1931; 'Van Christus tot Marx - van Marx tot Christus, door Leonhard Ragaz' in: De Nieuwe Weg, 1931, 83-87, 114-120; 'Beginselverklaring van den Bond van Religieuse Anarcho-Communisten (BRAC)' in: De Nieuwe Weg, 1931, 214-215; 'De paleisraadhuiskwestie' in: De Nieuwe Weg, 1931, 218-219; 'Het fascisme' in: De Nieuwe Weg, 1931, 332-338, 365-373, 1932, 86-94; 'Sovjet-Rusland in het Oost-Aziatische conflict' in: Bevrijding, april 1932; 'Professorale ergernissen, wanbegrippen en oneerlijkheden. Een antikritiek' in : De Nieuwe Weg, 1932, 49-53 (verdediging van H. Roland Holst); 'De ekonomische nood-verordeningen van den verlichten despoot Von Papen' in: De Nieuwe Weg, 1932, 27 1-274; 'De Spaansche revolutie, door A. Müller Lehning' in: De Nieuwe Weg, 1932, 315-316; 'Partij discipline en socialistische overtuiging, door Anna Siemsen' in: De Nieuwe Weg, 1932, 347-349; 'Enkele beschouwingen n.a.v. den vierden druk van "Kapitaal en arbeid in Nederland", door Henriette Roland Holst' in: De Nieuwe Weg, 1933, 26-30, 58-62, 122-126; 'Willem de Zwijger als rebel' in: De Nieuwe Weg, 1933, 98-103; 'Herman Gorter, door Henriette Roland Holst' in: De Nieuwe Weg, 1933, 282-284; 'Nacht over Duitschland, door Robert Hahn' in: De Nieuwe Weg, 1933, 352; 'Kantteekeningen bij het artikel van Simone Weil "Vooruitzichten" in: De Nieuwe Weg, 1934, 23-26; 'Erger dan fascisme?' in: De Nieuwe Weg, 55-59 (kritiek op W.A. Bonger); 'De wereldbeschouwing van den modernen mensch, door Bruno H. Bürgel' in: De Nieuwe Weg, 1934, 188-190; 'Stemmen der vrijheid. Brieven van revolutionnairen, samengesteld en vertaald door David de Jong jr.' in: De Nieuwe Weg, 1934, 269; 'Oorlog en revolutie, door Simone Weil' in: De Nieuwe Weg, 1934, 269-270; 'De Spaansche tragedie. Een antwoord aan J. de Kadt' in: De Nieuwe Weg, 1934, 372-375; 'Ik was een Duitscher, door Ernst Toller' in: De Nieuwe Weg, 1934, 383-384; 'B. Gubbel: De geest der Hunnen in Europa' in: Bevrijding, 1934, 75-78; 'De macht der traditie' in: Bevrijding, 1934, 93-95; 'Het sociologisch karakter van partij en kerk' in: Bevrijding, 1934, 141-142; 'De Zoeker, door mr.H.Th. Gerlings' in: De Nieuwe Weg, 1935, 32; 'Rosa Luxemburg. Haar leven en werken, door Henriette Roland Holst-van der Schalk' in: De Nieuwe Weg, 1935, 60-64; 'Friedrich Engels. Eine Biographie, door Gustav Mayer' in: De Nieuwe Weg, 1935, 92-95; 'Een woord ter inleiding' in: De Internationale, 1935, 1-2; 'De ondergang der antieke beschaving' in: De Internationale, 1935, 26, 60, 115, 200; 'Christus' antwoord op het communisme, door Stanley Jones' in: De Internationale, 1935, 237-238; 'L. Hornstra: Politieke zielkunde en sexueel-ekonomie' in: Bevrijding, 1935, 19-21; 'Over Politieke zielkunde, matriarchaat en nog wat' in: Bevrijding, 1935, 54-55 (reactie van W. Jong, 'Politieke psychologie' in: Bevrijding, 1935, 75); 'Uit Gorter's nalatenschap' in: Bevrijding, 1935, 172-174; 'Nationalisme' in: Bevrijding, 1936, 46-47, 54-55, 74-75; 'De russische tragedie' in: Bevrijding, 1937, 33-34, 58-59; 'Een pleidooi ex cathedra tegen sterilisatie en oorlog' in: Bevrijding, 1937, 46-47; 'Albert Verwey' in: Bevrijding, 1937, 52-53; 'Het sexuele leven van den mensch' in: Bevrijding, 1937, 128-129; "Prinzipienreiterei" met gevaarlijke consekwenties' in: Bevrijding, 1937, 165-166 (polemiek met L.M. Mispelblom Beyer-van den Bergh van Eysinga, zie Bevrijding, 1937, 144-145, 178); 'Bart de Ligt en de intellectueelen' in: Bart de Ligt 1883-1938 (Arnhem 1939) 185-194; 'Bij de dood van Willem Kloos' in: Bevrijding, 1938, 78-79; 'Enkele persoonlijke herinneringen aan Bart de Ligt' in: Bevrijding, 1938, 146-147; 'Richard Nicolaas Roland Holst (1868-1938)' in: Bevrijding, 1939, 17; 'Een poging om het rassenprobleem op wetenschappelijke grondslag te plaatsen' in: Bevrijding, 1939, 30-31, 44-46; 'Een beschouwing met negatieve strekking en zonder opbouwend perspectief?' in: Bevrijding, 1940, 2-3 (polemiek met H.J. Mispelblom Beyer, zie Bevrijding, 1939, 161-164, 1940, 3-4); 'Het falen der epigonen van Marx' in: Bevrijding, 1940, 29-31; Willem de Zwijger en andere opstellen (Utrecht 1948).

Portret: 

D. de Lange, uit: D. de Lange, Willem de Zwijger en andere opstellen uit zijn geschriften... (Utrecht z.j.) t.o. titelpagina

Auteur: 
Carolien Boon, Ger Harmsen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 173-178
Laatst gewijzigd: 

00-00-1992