ENGELS, Jacobus Alphonsus

Jacobus Alphonsus (Jacq) Engels

(roepnaam: Jacq), vrije jeugdbeweger, communist en religieus-socialist, vakbondsfunctionaris van het Nationaal Arbeids Secretariaat en het NVV, is geboren te Rotterdam op 18 januari 1896 en overleden te Haarlem op 27 januari 1982. Hij was de zoon van Jacobus Franciscus Engels, winkelier en kantoorbediende, en Christina Paulina van Beemen. Op 18 augustus 1920 trad hij in het huwelijk met Aleida Cornelia de Jonge. Dit huwelijk bleef kinderloos en werd ontbonden op 2l augustus l924. Op 18 juni 1925 hertrouwde hij met Wilhelmina Comelia Kolling, met wie hij een dochter en een zoon kreeg. Dit huwelijk werd ontbonden op 13 augustus 1936. Op 22 november 1943 hertrouwde hij met Johanna Helena Heemskerk. Dit huwelijk bleef kinderloos.
Pseudoniemen: Jelle Boersma, R. Nieuwenhuis.

Toen Engels nog geen jaar was overleed zijn vader. Zijn moeder verdiende met het verhuren van kamers en hertrouwde vier jaar na de dood van haar man met een kostganger. Engels bewaarde geen slechte herinneringen aan zijn kinderjaren. Toen hij tien jaar was sloten zijn ouders zich aan bij de SDAP. Nadat hij de handelsschool tussentijds had verlaten werkte Engels op diverse kantoren. Al snel werd hij actief in de jongerenorganisatie van de SDAP. De leden kwamen bijeen in het café van de coöperatie Voorwaarts, waar onderwijzers als aanvulling op het lager onderwijs les in Nederlands en andere vakken kwamen geven. Engels stuurde met steun van H. Spiekman vanaf 1912 ingezonden stukken naar Het Volksweekblad, waarin hij protesteerde tegen de leiding en inmenging van volwassenen in de jeugdbeweging. In 1913 sloot hij zich aan bij de SDAP in Rotterdam en tevens bij de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van Alcoholhoudende Dranken. Toen de SDAP bij het uitbreken van de Wereldoorlog koos voor de vaderlandsverdediging ervoeren velen, onder wie Engels, dit als een verraad aan de internationale solidariteit van de arbeidersbeweging. Hij voelde zich niet meer in de SDAP thuis en verlegde zijn werkterrein naar andere organisaties. In 1915 werd hij lid van de Algemeene Nederlandsche Bond van Handels- en Kantoorbedienden, die aangesloten was bij het NVV, en van de Jongelieden Geheelonthoudersbond (JGOB), een vrije jeugdbeweging die als zodanig geen leiding van ouderen kende. In 1916 kwam Engels in het hoofdbestuur van de JGOB en in 1917 werd hij algemeen secretaris. Samen met de JGOB werd Engels naarmate de oorlog voortduurde steeds antimilitaristischer en ten slotte, toen de revoluties in Rusland en Duitsland uitbraken, revolutionair-socialistisch. Hij sloot zich aan bij het door een groep oudere JGOB'ers gevormde Verbond van Revolutionair-Socialistische Jongeren en in 1918 voerde hij de redactie van de Stem der Jongeren, het orgaan van dit verbond. Engels werd, geïnspireerd door J. van Rees en M. Meyboom, enthousiast voor leefcommunes en produktieve associaties. Tegelijk schreef hij in Opwaarts, het blad van de Bond van Christen-Socialisten. Zonder christelijk te zijn - al overwoog hij korte tijd om theologie te gaan studeren - waardeerde Engels in de geest van het vrije jeugdbewegings-idealisme de nadruk die het geestelijke kreeg en verwierp hij het in zijn ogen materialistische socialisme van SDAP en NVV. In 1917 stapte Engels uit de SDAP en meldde zich in 1919 onder de indruk van de Russische revolutie met een hele groep JGOB 'ers aan als lid van de Communistische Partij in Nederland (CPN). Hij nam deel aan het werk aan de basis. Eind 1921 werd hij voorzitter van het Werkloozen Agitatie Comité (WAC) te Rotterdam, dat korte tijd tweeduizend leden telde. Hij bracht, voorbereid door een reeks artikelen in De Tribune over woningellende, in opdracht van de CPN de Huurdersvereeniging Rotterdam tot stand. Eind 1922 kreeg hij van de partijleiding vanwege 'dubieuze contacten met de politie' - de vader van zijn vriendin was straatagent - opdracht zijn voorzitterschap van WAC en Huurdersvereeniging, zijn bestuurswerk voor de CPN-afdeling en zijn medewerking aan De Tribune en De Communistische Gids te beëindigen. Korte tijd later werd hij geroyeerd. Engels' royement en dat van anderen - op gezag van D.J. Wijnkoop - riep binnen de partij een krachtig verzet op. Na protesten bij de leiding van de Communistische Internationale (Komintern) werd de CPN-leiding gedwongen de royementen ongedaan te maken, Op 26 juli 1923 werd Engels opnieuw lid van de CPN. Eerder dat jaar had hij aan H. Roland Holst geschreven over de geestelijke en morele problemen van het communisme. Zij nodigde hem uit voor een gesprek bij haar thuis, waarna een langdurige en nauwe samenwerking ontstond. Engels (die overigens niet in Het vuur brandde voort, de memoires van Roland Holst, voorkomt) volgde haar voortaan in haar geestelijke ontwikkeling. Haar boek Communisme en Moraal (1925) verdedigde Engels in de communistische pers tegen de aanvallen van A.S. de Leeuw en anderen. In de jaren 1925-1926 werkte Engels met Roland Holst aan de voorbereiding van het tweede deel van haar Kapitaal en Arbeid in Nederland, dat het eerste kwart van deze eeuw omvatte. Historische opstellen van Engels in Klassenstrijd werden er in verkorte en bewerkte vorm in opgenomen. De kijk van Roland Holst op de cultuur en de maatschappij maakte echter een grote verandering door en daardoor oordeelde zij ook anders over de linkse arbeidersorganisaties. Dit maakte dat het tweede deel ondanks de aansporingen van Engels nog jaren ongedrukt bleef liggen. In 1932 verscheen het in een door Engels ingekorte vorm, zoals Roland Holst in een voetnoot bij haar voorwoord aangaf: 'De bewerking van enkele onderdeelen in dit tweede deel, waaronder volkshuisvesting, onderwijs, kerkelijke en syndikalistische vakbeweging en antimilitarisme, is insgelijks van zijn hand.'

Engels kon, zoals hij ook zelf constateerde, het schrijven geen moment laten. Behalve de duizenden artikelen die in de loop van zijn leven uit zijn pen vloeiden schreef hij begin jaren twintig tijdens zijn royementsperiode De communist en zijn sexueele moraal (Overschie 1926), dat in een kleine oplage met een voorwoord van Roland Holst verscheen. Engels was een van de eersten, zeker binnen de CPN, die Marx en Freud met elkaar in verband brachten. Hij keerde zich tegen de dwang van het huwelijk, was voorstander van een vrije beleving van de heteroseksualiteit en van lusten zonder de lasten. Kinderopvoeding moest een zaak van de gemeenschap worden. Hij pleitte voor woonblokken met gecentraliseerde keukens en wasgelegenheden. In 1924 behoorde Engels tot degenen die met Roland Holst, J. de Kadt en anderen, na ondertussen al of niet uit de CPN geroyeerd te zijn, de Bond van Kommunistische Strijd- en Propagandaclubs (BKSP) oprichtten uit protest tegen de dictatoriale leiding van Wijnkoop en tegen diens weigering zich aan de richtlijnen van de Komintern te houden. Nadat de Wijnkoop-leiding in 1925 was afgezet keerden Engels en zijn politieke vrienden terug naar de CPN. Terwijl De Kadt zich ondertussen van de Komintern afkeerde bleven Roland Holst, Engels en anderen haar ondanks alles toch verdedigen. In maart 1924 keerde Henk Sneevliet, na jaren in Azië rechtstreeks voor de Komintern gewerkt te hebben, definitief naar Nederland terug, waar hij voorzitter van het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS) werd. Roland Holst vestigde zijn aandacht op Engels, die met een kantoorbaan de kost verdiende. Sneevliet stelde hem in 1925 aan als functionaris bij de Nederlandsche Federatieve Bond van Personeel in Openbaren Dienst, die bij het NAS aangesloten was. Engels verliet Rotterdam en vestigde zich te Zeist. Hij was in 1926 betrokken bij de oprichting van de Revolutionaire Jeugdbond (RJB) van het NAS en stuitte daarbij op fel verzet van de jeugdbond van de CPN, De Zaaier. Van 1927 tot 1930 was hij voorzitter van de RJB, als zodanig poogde hij contact te leggen met linkse en vrije jeugd-organisaties. In 1927 brak Engels in navolging van Sneevliet en Roland Holst definitief met de CPN. Hij sloot zich aan bij de in 1927 door Sneevliet opgerichte Revolutionair-Socialistische Partij (RSP), die politiek-electoraal nodig was na de breuk van het NAS met de CPN. Engels, die in 1928 verhuisde van Zeist naar Amsterdam, werkte in deze jaren zeer nauw samen met Sneevliet, maar midden 1930 raakten zij in conflict met elkaar. De groeiende sympathie van Engels voor het pacifisme en de geweldloze weerbaarheid van M. Ghandi verdroeg zich niet met het revolutionaire socialisme. Roland Holst constateerde dat de artikelen van Engels in De Nieuwe Weg, zoals het theoretisch orgaan van RSP en NAS ondertussen heette, 'het mikpunt van ten deele zeer onbillijke en hatelijke kritiek' werden. De bijeenkomst van redactie en lezers op 25 mei 1930 eiste dat aan de medewerking van Engels een einde moest komen. Een positief artikel over de politieke betekenis van de kort daarvoor overleden P.J. Troelstra in het juni-nummer van De Vonk, het orgaan van de RJB, deed voor Sneevliet de deur dicht. Dit leidde tot een breuk van Engels met Sneevliet, RJB en RSP. Tot 1932 bleef hij nog in dienst van het NAS als administratieve kracht. Nadat hij ontslag had genomen vestigde hij zich te Haarlem.

Als RJB-voorzitter was het Engels gelukt weer aansluiting te vinden bij de ondertussen niet meer zo jonge idealistische jongeren uit de vrije jeugdbeweging die probeerden, buiten het orthodox-marxistische denkkader om en op basis van de opgang makende psychologie, de socialistische beginselen opnieuw te doordenken. Zij groepeerden zich rond De Jonge Gids. Engels maakte in de jaren 1931-1933 deel uit van de redactie en leverde bijdragen. Hij werd evenals Roland Holst een aanhanger van het religieus-socialisme en zat weldra in het bestuur van het Religieus-Socialistisch Verbond. Bijdragen van zijn hand verschenen in Bevrijding, het blad van de religieuze anarcho-communisten. B. de Ligt sprak zijn waardering uit voor Engels. In januari 1931 schreef Engels vol bewondering over de Zwitserse socialistische theoloog L. Ragaz in het blad De Ploeger. Aan dit, aldus de ondertitel, onafhankelijk socialistisch orgaan voor Friesland werkte hij geregeld mee, maar pogingen dit blad tot het orgaan van ondogmatisch links Nederland te maken mislukten. Engels besloot begin jaren dertig terug te keren naar de sociaal-democratie en in een van de hiermee verwante organisaties een bezoldigde functie te verwerven. Om van zijn gewijzigde inzichten publiekelijk blijk te geven publiceerde hij in Het Volk van 5, 8 en 9 augustus 1932 een felle en uitvoerige aanval op Sneevliet. Hij werd opnieuw lid van de SDAP en van het NVV en zei hier zelf van: 'Ik veranderde veel van werkplaats, maar ik bleef bij mijn ambacht.' In zijn nieuwe woonplaats Haarlem werd hij voorzitter van de SDAP-afdeling, kwam voor de SDAP in de gemeenteraad en werd eveneens voorzitter van de Haarlemsche Bestuurdersbond. Tevens werd hij lid van de religieus-socialistische Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers, waardoor hij in contact kwam met W. Banning. In de jaren 1932-1935 leidde hij op voorspraak van Banning in Amsterdam het Gemeenschapshuis voor Werkeloozen van het Vrijzinnig Protestantsch Verbond. Een poging in 1936 om in aanmerking te komen voor de post van sociaal redacteur bij Het Volk mislukte. Volgens zijn zeggen waren J.F. Ankersmit, K. Vorrink en Banning vóór hem, maar Y.G. van der Veen, de directeur van De Arbeiderspers, had bezwaar tegen zijn benoeming. Wel kreeg Engels een baan bij De Arbeiderspers in Leiden, waar hij ook ging wonen. Met een rapport over de wantoestanden in dit filiaal, dat hij na vijf maanden opstelde, baande hij de weg voor een functie in het NVV, want verscheidene vakbondsbestuurders zaten in de raad van commissarissen van De Arbeiderspers. Het NVV stelde hem aan als functionaris bij de afdeling Werklozenzorg. Toen de Duitse bezetters het NVV onder toezicht stelden behoorde Engels tot de weinigen die direct ontslag namen. Wel sloot hij zich aan bij de Nederlandse Unie, maar tegelijkertijd nam hij deel aan illegaal werk. In december 1943 werd hij gearresteerd op beschuldiging van het beleggen van verboden bijeenkomsten, het houden van marxistische toespraken en hulp aan joden. Hij werd overgebracht naar het gevangenenkamp Vught, waaruit hij na zes maanden werd vrijgelaten. Na de bevrijding was Engels van mei 1945 tot eind 1956 in dienst van het NVV, eerst als bestuurder van de Bond van Werknemers, Technici en Opzichthoudend Personeel (BWTO). Toen door de omzetting van vakbonden in bedrijfsbonden de BWTO in 1951 werd opgeheven zette Engels zijn vakbondswerk voort als secretaris van de Algemene Bond van Textielarbeiders 'De Eendracht'. Daar hij behoorde tot degenen die tijdens de Koude Oorlog weigerden voor een van beide machtsblokken te kiezen had hij in het NVV een moeilijke positie, bovendien was hij voor een strijdbare vakorganisatie. Zijn bekwaamheden als bestuurder, redacteur en journalist maakten dat hij zich kon handhaven. In 1956 ging hij met pensioen en op zijn verzoek werd het, gezien zijn opvatting van vakorganisatie, een afscheidsreceptie zonder werkgevers.

Politiek voelde Engels zich na de bevrijding zeer thuis in de redactie van De Vlam en de kring rond dit blad. Naast zijn drukke vakbondswerk richtte Engels in 1945 de vereniging Het Nieuwe Land op, die zich ten doel stelde een woon- en levensgemeenschap van socialistisch denkenden te stichten. Engels dacht aan het bouwen van woningwetwoningen, neutrale bijzondere scholen en kleinschalige boerenbedrijven met subsidie van de overheid. Het plan kwam zelfs niet tot een begin van uitvoering. Engels werd in 1946 bij de oprichting lid van de PvdA. Toen het hoofdbestuur van de PvdA een socialistische werkgemeenschap niet toestond omdat het socialisme naar zijn mening geen levensbeschouwing was besloot de initiatiefgroep waar Engels toe behoorde iets anders te bedenken. In 1948 was hij medeoprichter en van 1948 tot 1961 hoofdbestuurslid van de Humanistische Werkgemeenschap in de PvdA. Blijkbaar zag hij kans zijn religieus-socialisme met het humanisme te combineren. Tevens maakte hij van 1955 tot 1959 deel uit van het bestuur van het Sociaal-Democratisch Centrum (SDC) in de PvdA. De oude socialistische cultuur vond in hem een warm pleitbezorger. In een brochure Ons Strijdlied (Amsterdam 1960) riep hij op de socialistische liederen te blijven zingen. Hij behoorde in 1951 tot de initiatiefnemers van de Vredesbeweging De Derde Weg en was een van de hoofdbestuurders. Een reis in 1963 naar Joegoslavië resulteerde in een brochure die getuigde van de hoge verwachtingen die hij had van het arbeiderszelfbestuur daar: In het land van Tito (Amsterdam 1963). Nadat in 1959 het SDC door het PvdA-bestuur verboden was bestond het SDC-blad Socialistisch Perspectief nog tot april 1964 voort. De opheffing van het blad was voor Engels aanleiding van 'werkplaats' te veranderen en hij sloot zich aan bij de Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP), waar zijn pacifistische en religieus-socialistische overtuiging tot haar recht kwam. Toen hij zich hier in 1972 door een veldwinnende revolutionair-socialistische stroming minder thuis voelde was het verzoek, met ingang van januari 1973 toe te treden tot de redactie van Militia Christi, het orgaan van Kerk en Vrede, hem zeer welkom. Opnieuw demonstreerde Engels zijn imponerende werkkracht. Hij zocht vooral de polemiek en liet zijn slachtoffer dan niet ontsnappen. Hij bestookte mensen met wie hij van mening verschilde met brieven, copieën van brieven en vriendelijke maar dringende aanmaningen om te reageren. Redacteuren van een blad aan wie hij een ongevraagde bijdrage gestuurd had kwamen evenmin van hem af. Vasthoudend en vindingrijk vestigde hij de aandacht op zijn bijdrage. Dit bezorgde hem de reputatie van lastig en onaangenaam. Het zat hem dwars geen hoger onderwijs gevolgd te hebben. Op hogere leeftijd volgde hij nog, ver van het universitaire bestel, een cursus in 'psychocuriëntie' als vrije leergang aan de Bijzondere Faculteit, die zich ten doel stelde levensproblemen te bespreken waarmee gezonde mensen te kampen hadden. Hij verwierf een diploma en hield als 'lid van het Genootschap van Curiëntologen' spreekuur. Engels documenteerde zijn publicistische bestaan tot in de details. Geen van de duizenden artikelen die hij geschreven had voor in totaal 188 periodieken ontbrak in zijn archief. Veel aandacht besteedde hij aan zijn politieke memoires waarvan behalve de twee gepubliceerde versies, Voor een strijdend socialisme. (Een korte schets van mijn leven) (z.pl. 1967) en Zestig jaar socialistische beweging (Amsterdam 1979), nog diverse ongepubliceerde bestaan.

Archief: 

Archief J. Engels in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 189), en stukken in archief G. Harmsen in IISG.

Publicaties: 

Keuze (behalve de genoemde): Aan de JGOB-ers. Een laatste woord aan de Bond (Haarlem 1919); (met J. Mourits) Onze toekomst. Naar de eenheid! (z.pl. 1919); Woningellende (Rotterdam z.j.); Iets over de geschiedenis der Nederlandsche Jeugdbeweging (Amsterdam 1927); Rapport betreffende de rationalisatie der overheidsbedrijven (Amsterdam 1929); Socialisme en sexueele moraal (Den Haag 1931); Socialisme en zijn tegendeel: materialisme (z.pl. 1931); De steun gaat omlaag (z.pl. 1933); Het gemeenschapshuis voor werkeloozen (Amsterdam 1934); Toen het waaide... (Arnhem 1935, speciaal nummer van De Smidse); Bij de kapo's (Leiden 1945); Vereniging 'Het Nieuwe Land' (Leiden z.j.); Socialisme in het gezin (z.pl. 1946); 'D.A. van Eck overleden' in: De Vlam, 28.5.1948; (met G. van Dolder) Verslag betreffende een studiereis in België. Ondernemingsraden (z.pl. 1955); 'Strijdbare jongeren. Een episode uit de geschiedenis van de zelfstandige jeugdbeweging' in: Socialisme en Democratie, 1959, 239-245; De socialistische vakbeweging. - Vanwaar? Waarheen? (Monnickendam 1960); Is dat nou zo? (Monnickendam 1960); De socialisten en de oorlog (Monnickendam 1962); Geweldloos verzet (Monnickendam 1962); Tegenstellingen in de socialistische methoden van strijd en organisatie (z.pl. z.j.); 'De weg die Henriette Roland Holst ons wees' in: Militia Christi, 1976, maart, 10-11, april, 6-7, mei, 4-5, juni, 4-5.

Literatuur: 

G. Harmsen, Blauwe en rode jeugd (Assen 1961); 'Portret van een PSP'er' in: Bevrijding, 24.11.1964; J. de Kadt, Uit mijn communistentijd (Amsterdam 1965); E. Meijer, 'Jacques Engels 75 jaar' in: Radikaal, 4.2.1971; Fr. Dam, 'De mémoires fan Jacq Engels' in: De Strikel, 1979, nr. 11, 344-346; T. Akkerman, K. Couprie, 'Een communist en zijn sexuele moraal' in: Komma, l98l, juni, 60-70.

Portret: 

J. Engels (1926), particuliere collectie

Auteur: 
Ger Harmsen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 56-61
Laatst gewijzigd: 

00-00-1995