AUWERDA, Ettina Gerhardina

(roepnaam: Dientje), voorzitster Algemeene Nederlandsche Dienstbodenbond, is geboren te Hoogersmilde (gemeente Smilde) op 22 maart 1861 en overleden te Den Haag op 13 december 1933. Zij was de dochter van Cornelius Petrus Auwerda, winkelier, landbouwer, schipper en logementhouder, en Zara Elisabeth Cornelia Hatzmann.

Auwerda stamde uit een eigenzinnige Groningse familie van ambtenaren, predikanten en heelmeesters. Haar betovergrootvader werd als politiecommissaris ontslagen omdat hij hooggeplaatste burgers afperste. Diens zoon hakte een gat in de Martinikerk om als torenwachter makkelijker zijn werk te kunnen doen. Haar grootvader bezwangerde als student theologie al voor het huwelijk zijn vrouw. Om een schandaal te voorkomen vertrok hij in 1824 naar Ambon, waar hij predikant werd. Hij overleed in 1828 en zijn vrouw en vier kinderen vertrokken een jaar later verarmd naar Nederland. Auwerda’s vader kwam terecht in Hoogersmilde, waar hij in 1851 trouwde, acht kinderen kreeg bij zijn eerste vrouw en bij zijn tweede nog eens negen. Na zijn faillissement als winkelier was hij landbouwer en daarna schipper op een trekschuit. In die hoedanigheid ging hij wedstrijden aan met het stoomschip dat hem beconcurreerde. Toch kon hij tegen de stoomkracht niet op en begon een logement. Zijn dochter Dientje vertrok op zeer jonge leeftijd als dienstbode naar Den Haag. Dames betrokken graag meisjes uit de provincie, die ze goedkoper, volgzamer en ijveriger achtten dan die uit de stad. Later vertelde Auwerda dat ze, slechts van de hoogstnodige spullen voorzien, drie maanden op haar eerste salaris moest wachten, terwijl haar kleren en schoenen versleten. Ze was blij met iedere fooi die ze kreeg. Rond 1880 vond zij een betrekking waar ze twintig jaar werkzaam zou zijn. Ze bleef in Den Haag niet alleen, want haar halfzusters Johanna, Wilhelmina, Hendrika en Antje trokken ook naar die stad en rond de eeuwwisseling kwamen de ouders bij hen wonen. Alle zusters waren actief in de Haagse arbeidersbeweging. Johanna speelde een rol in de socialistische vrouwenbeweging, Wilhelmina werkte in een productieve associatie van modistes en de jonggestorven Hendrika bracht het tot bedrijfsleidster van de Coöperatieve Volkswasscherij te Loosduinen. Willem Drees sprak als voorzitter van de Haagse Federatie van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) aan haar graf. Antje trouwde met de Friese bakkersknecht en Volkspartij-aanhanger Feitse Mol, die naar Den Haag was uitgeweken en de grote man werd van de in 1891 opgerichte vrijzinnige Werklieden-Kiesvereeniging ‘Ontwikkeling’. Alle Auwerda’s streden voor algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen. Dientje was bestuurslid van Ontwikkeling en daarnaast lid van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (VvVK). 

Toen eind 1897 Franc van der Goes en Cornélie Huygens van de Haagse SDAP-afdeling samenwerking zochten met Ontwikkeling, leerden ze Auwerda kennen. Samen met Huygens richtte Auwerda vervolgens in mei 1898 de dienstbodenvereniging Allen voor Elkander (AvE) op, waarbij zich direct 37 dienstboden aansloten. Auwerda werd voorzitster, maar Huygens leidde als ere-voorzitster de eerste vergaderingen, want, schreef Auwerda later: ‘We hadden totaal geen begrip van vergaderen!’. AvE sloot zich aan bij het Haagsch Vakcomité. Allerlei feministes en socialisten spraken op de vergaderingen: Huygens, Marie Rutgers-Hoitsema, Suze Groshans en Margaretha Meijboom, die tevens haar woning ter beschikking stelde voor vergaderingen. Auwerda liet Roosje Vos van de Algemeene Nederlandsche Naaistersbond spreken over vakorganisatie en Daan de Clercq over de noodzaak van zondagsrust voor dienstboden. De Clercq vertelde aan de hand van het werk van de Amerikaanse feministe Harriet Melusina Fay Pierce dat dienstboden in de Verenigde Staten coöperatief werkten en van het gezamenlijke inkomen huizen bouwden voor hen die niet meer konden werken. Auwerda had Groshans via haar zwager Mol leren kennen. Groshans en Huygens waren betrokken bij de organisatie van de Nationale Tentoonstelling voor Vrouwenarbeid in 1898, waar ook een twaalftal congressen plaatsvond, waaronder één over ‘het dienstbodenvraagstuk’. Auwerda werd uitgenodigd om te komen spreken, maar was niet meer welkom omdat ze kritiek had op de organiserende dames die hun dienstboden niet bij het congres wilden betrekken. Huygens drukte door dat Auwerda toch sprak tijdens het Dienstbodencongres, dat op 21 augustus plaatsvond. Het was nog nooit vertoond dat ‘dienstbaren met hare heeren en vrouwen samenkwamen om in het openbaar de wederzijdsche grieven en belangen te bespreken’. Auwerda pleitte op zakelijke toon voor een betere loonregeling (ze berekende het uurloon op twee cent) en voor afschaffing van het vernederende fooienstelsel. Auwerda wees erop dat dienstboden per kwartaal werden betaald en daardoor vaak niet over geld beschikten. De arbeidsomstandigheden waren slecht: lange werkdagen, keukens waren in het souterrain, er was nauwelijks slaapgelegenheid en het personeel kreeg inferieur voedsel. De dames-feministes negeerden Auwerda tijdens de discussie en richtten het woord tot de andere spreekster, Rutgers-Hoitsema, die ook het zware bestaan van de dienstbode benadrukte. De dames-feministes Wilhelmina Drucker, Theodora Schook-Haver en Elize Haigton ontkenden dat dienstboden slecht betaald werden, slecht eten kregen en hard moesten werken. Drucker vond dat ze het beter hadden dan andere arbeidsters. Volgens Haighton hadden dienstboden het zelfs beter dan de dames waarvoor ze werkten. Misschien stonden ze dan wel vroeger op dan de familie, zei Drucker, daar stond tegenover dat ze ook vroeger naar bed gingen. Auwerda kwam hiertegen op: zij werkte van zeven uur ’s ochtends tot elf uur ’s avonds. Ze kreeg steun van Huygens, Henri van Kol en Meijboom. Bij het vertrek van gasten van de familie stonden de dienstboden met open hand bij de deur. De fooi moest vervolgens bij de werkgeefster worden ingeleverd en werd later met het loon uitgekeerd. In Evolutie schreef Drucker dat Auwerda’s rede in klassenhaat gedrenkt was. Een verwijt dat Mol, één van de latere oprichters van de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB), ook kreeg, omdat hij haar betoog ondersteunde met voorbeelden uit het leven van zijn moeder, vrouw, zusters en dochters, allen dienstboden. Een dag na het Dienstbodencongres herhaalde Auwerda haar toespraak in het geheelonthouderslokaal op de Haagse Varkensmarkt, voor die dienstboden die de entree niet hadden kunnen betalen. Zij trok daarna door het land om dienstbodenverenigingen op te richten.

Auwerda zette zich met Vos in voor het Comité tot Vorming van Vrouwenvakvereenigingen. Vanwege haar bezadigde toon werd ze nu in Evolutie geprezen en moest Vos het deze keer ontgelden, omdat die zich verbitterd toonde. Auwerda sloot haar betoog aan op de statuten van Allen voor Elkander. Daarin stond dat dienstboden hun plichten moesten nakomen, zich zedelijk moesten ontwikkelen en dat overleg met de werkgeefster belangrijk was. De vereniging streefde daarnaast naar verbetering van vakkennis. Auwerda meldde trots dat de leden lessen volgden bij de Haagse huishoudschool. Auwerda was lid van de Nederlandsche Coöperatieve Vrouwenbond en liet Schook-Haver en Meijboom spreken over coöperatieve huishoudens. Via haar lidmaatschap van de VvVK kwam Auwerda terecht in het door de SDAP opgerichte Nederlandsch Comité voor Algemeen Kiesrecht. Omdat de VvVK zich inzake algemeen kiesrecht dubbelzinnig opstelde, sloot Auwerda zich in 1900 aan bij de Haagse SDAP-afdeling. Vanaf de oprichting in 1906 was ze actief in de Haagse afdeling van de Bond van Sociaal-Democratische Vrouwenclubs. In 1901 kwam Henriette Roland-Holst, geharnast tegenstandster van het burgerlijk feminisme, spreken en riep op van AvE een echte vakvereniging te maken. Er kwam inderdaad een weerstandskas en AvE begon een eigen bibliotheek en een bemiddelingsbureau, dat de commerciële besteders van dienstboden succesvol concurrentie aandeed. 

Eind 1901 wist Auwerda uit verschillende dienstbodenverenigingen de landelijke Algemeene Nederlandsche Dienstbodenbond te vormen. In januari 1902 verscheen het maandblad Ons Streven, orgaan van de bond, onder administratie en redactie van Auwerda en haar zuster Johanna. Willem Havers, die zij kenden uit Ontwikkeling, had hen geholpen. Het blad uitte zich direct geïrriteerd over het dames-feminisme, dat geen belang zou stellen in het de strijd der dienstboden voor een menswaardig bestaan en schilderde het werkelijke leven in schrille kleuren. Zelfmoord, aanrandingen, ongelukken, het gevaar van blanke slavinnenhandel en in het algemeen de slechte behandeling door werkgeefsters kregen veel aandacht. Namen en adressen werden niet geschuwd. In 1904 was de feministe en VDB-bestuurster Welmoet Wijnaendts Francken-Dyserinck aan de beurt, die voor Ons Streven wel eens knipsels uit het Duits of Engels vertaalde. Zij had een bondslid ontslagen die haar vaste vrije middag niet wilde verzetten indien Dyserinck dat nodig achtte. Verbolgen schreef zij in een tweetal ingezonden brieven aan Het Volk dat zij haar vertrouwen in de bond had verloren nu die stelselmatig de rechten benadrukte, maar niet het plichtsbesef en de toewijding vermeldde die een dienstbode behoorde te hebben. Auwerda kon beter opschieten met Meijboom, die op de vergaderingen van AvE kwam theedrinken en sprak over zaken als reformkleding en de Deense vrouwenvakbeweging. Auwerda kon haar betrekking niet houden en werd directrice van het bemiddelingsbureau. Omdat daar de eerste jaren geen volledig inkomen uit te verdienen was, ging ze bij haar vader en stiefmoeder in Den Haag wonen.

De dienstbodenbond hield op 7 augustus 1904 het eerste congres, waar het door Marie Jungius geschonken bondsvaandel werd ingewijd. Auwerda herdacht de in 1902 overleden Huygens: ‘Voor ons was ze steeds thuis, ons kon ze altijd ontvangen’. Auwerda had oog voor de zwakke maatschappelijke en juridische positie van dienstboden en waarschuwde in Ons Streven tegen commerciële besteders die ook contacten hadden met bordelen. Om die reden zette zij zich ook in voor kinderbescherming. Zij bezocht met andere afgevaardigden van het Nederlandsche Comité voor Algemeen Kiesrecht de minister van Binnenlandse Zaken, Pieter Rink, om algemeen kiesrecht te bepleiten. Zij zorgde er altijd voor dat de dienstbodenbond bij kiesrechtacties tegenwoordig was. Maar ook de strijd voor de tien-uren werkdag vond zij belangrijk, evenals de strijd voor betere sociale wetgeving. Huishoudelijk personeel viel niet onder de werking van de Arbeidswet en de Ongevallenwet en ook in de aanstaande Wet op de Arbeidsovereenkomst was de positie van huishoudelijk personeel nauwelijks geregeld. Begin 1906 pleitte Auwerda, namens de dienstbodenbond en met Mol als voorzitter van de Kamer van Arbeid voor de Voedings- en Genotmiddelen, tijdens een audiëntie bij minister Jacob Dirk Veegens voor een Kamer van Arbeid voor Dienstboden. Auwerda hamerde er bij herhaling op dat dienstboden behoefte hadden aan geregelde werktijden, goede huisvesting en vrije tijd. Zij wilde dat de Woningwet ook regels opstelde voor keukens en de verblijven van dienstboden. In 1908 kon Auwerda het tienjarig bestaan vieren van AvE in Den Haag. Er was zang en de leden konden er dansen. Zij werden toegesproken door Nico van Hinte, secretaris van de Nederlandsche Bond van Gemeentewerklieden, die hen prees om hun bewustwording. Op het congres van de landelijke dienstbodenbond in dat jaar werd overwogen tot aansluiting bij het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV), maar er brak ruzie uit tussen de afdeling Amsterdam en het hoofdbestuur. Auwerda trad af als voorzitster van AvE en legde het redacteurschap van Ons Streven neer, omdat er kritiek was op ‘de Auwerda’s’ die de baas speelden. Zowel Auwerda als het nieuwe hoofdbestuur vroeg het NVV om advies. Secretaris Jan Oudegeest gaf het nieuwe hoofdbestuur gelijk dat daarop AvE schorste, omdat AvE vanwege het conflict geen contributie meer betaalde. Toen Auwerda niet bijdraaide, volgde haar royement. AvE sloot zich daarop aan bij de Haagsche Bestuurdersbond en deed vanaf dat moment als onafhankelijke vereniging mee aan allerlei acties. In 1910 tekende Auwerda een petitie tegen het wetsvoorstel om gehuwde vrouwen uit de overheidsdienst te ontslaan. In 1912 reorganiseerde het NVV de Algemeene Nederlandsche Dienstbodenbond tot de Algemeene Nederlandsche Bond van Huishoudelijk Personeel, die zich nu wel bij het NVV aansloot. Onder druk van de Haagsche Bestuurdersbond sloot AvE zich een jaar later aan bij de nieuwe bond. Auwerda vervulde daarin echter geen bestuursfunctie, maar bleef wel directrice van het bemiddelingsbureau. 

In de laatste jaren van haar leven nam Auwerda afstand van politiek en vakbeweging, al bleef zij tot 1925 actief in de Haagse Sociaal-Democratische Vrouwenclub. Ook bleef ze agente van De Proletarische Vrouw en bracht tot vier dagen voor haar plotselinge overlijden het blad rond. De Sociaal-Democratische Vrouwenclub herdacht haar als één der eerste leden. De familie bedankte in Het Volk voor de vele bewijzen van deelneming. Carrie Pothuis-Smit, redactrice van De Proletarische Vrouw, kende Auwerda nog uit de beginjaren van de arbeidersbeweging. Auwerda was haar opgevallen omdat vrouwen toen nog uitzonderingen waren. ‘Het was niet alleen haar bekwaamheid en haar verstand, dat wij toen leerden waarderen, maar niet minder haar hart vol toewijding aan de zaak, die haar lief was. Zij was beschaafd in den besten zin des woords.’ 
 

Publicaties: 

‘De afschaffing van het fooienstelsel en het noodzakelijke van betere loonsregeling’ in: Verslagen van de congressen gehouden op de Nationale Tentoonstelling VII. Dienstboden-Congres gehouden op 21 Augustus (Amsterdam 1899); ‘Cornélie Huygens overleden’ in: Ons Streven, december 1902, 1.

Literatuur: 

‘Dienstboden-congres’ in: Vrouwenarbeid. Orgaan van den vereeniging Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid, 25.8.1898; ‘Het Dienstboden-Congres’ in: De Groene Amsterdammer, 28.8.1898; ‘Congres-indrukken’ in: Evolutie, 21.9.1898; R. de Rijckère, La servante criminelle. Etude de criminologie professionnelle (Paris 1908); C.A.M. Diepenhorst, De sociaaldemocratie in de residentie (Den Haag 1932); C. Pothuis-Smit, ‘In memoriam. Een belangrijk leven gewijd aan de meisjes en vrouwen van het proletariaat’ in: De Proletarische Vrouw, 16.2.1934; B. Henkes en H. Oosterhof, Kaatje, ben je boven? Leven en werken van Nederlandse dienstbodes 1900-1940 (Nijmegen 1985); C. van Eijl, Het werkzame verschil. Vrouwen in de slag om arbeid 1898-1940 (Hilversum 1994); J. Poelstra, Luiden van een andere beweging. Huishoudelijke arbeid in Nederland 1840-1920 (Amsterdam 1996); M. Grever en B. Waaldijk, Feministische openbaarheid. De Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898 (Amsterdam 1998); E. Leijnse, Cécile en Elsa, strijdbare freules (Breda 2015).

Handtekening: 

Brief Cornelie Huygens d.d. 17 juni 1898 in Archief Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid, 1898, Correspondentie dienstbodencongres,
nr. IIAV00000110-301, in Atria, Amsterdam

Auteur: 
Jannes Houkes
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online, 2019