KORTEWEG, Bastiaan Pieter

Bastiaan Pieter Korteweg

redacteur van De Tolk van den Vooruitgang en vrijdenker, is geboren te Den Bosch op 21 september 1849 en overleden te Groningen op 13 oktober 1879. Hij was de zoon van Adrianus Johannes Korteweg, rechter, en Cornelia Holster. Op 15 februari 1879 trad hij in het huwelijk met Maria Elize Baart. Dit huwelijk bleef kinderloos.
Pseudoniem: T. Mouset.

Korteweg groeide op in een intellectueel en welgesteld vrijzinnig protestants gezin. Over zijn jeugd schreef hij: 'Met vurige begeerte zocht ik naar een grondslag voor mijn daden, naar een toets mijner waarde.' In het christelijk geloof en de vrijmetselarij kon hij die niet vinden. Korteweg doorliep het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord en ging in 1868 als adelborst naar Nederlands-Indië. Eind 1872 keerde hij terug, haalde de Middelbaar-Onderwijs-akte wiskunde en werd in september 1873 docent aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda. In 1874 kreeg hij op eigen verzoek eervol ontslag uit de marine, maar bleef docent. In april 1874 raakte Korteweg in conflict met zijn superieur, omdat hij niet onbezoldigd tentamens wilde afnemen. Zijn aanstelling werd per 1 september 1876 niet verlengd. Korteweg was in de ogen van zijn superieur een goede docent, maar door zijn politieke opvattingen niet geschikt om les te geven aan militairen. Korteweg was namelijk kort tevoren Multatuli gaan lezen en had blijk gegeven van de invloed die deze lectuur op hem had. Naar eigen zeggen had hij tot die tijd slechts lichamelijk genot nagejaagd en liep hij rond met zelfmoordplannen. Maar hij kwam tot de conclusie dat zelfmoord laf was en hij besloot 'lief te hebben en goed te doen zonder loon'. Hij verheelde ook zijn antimilitaristische opvattingen niet. Korteweg verdedigde zich tegen de beëindiging van zijn aanstelling in een brochure: Mijne niet-herbenoeming aan de Koninklijke Militaire Akademie te Breda, en verdere wetenswaardigheden (Rotterdam 1876). De wetenswaardigheden in de titel sloegen op zijn verloving in augustus 1876 met de toneelspeelster en schrijfster Elize Baart. Naar aanleiding van de verloving had de pers geschreven dat Baart voor het toneel verloren was. Korteweg reageerde met een ingezonden brief in de Provinciale Groninger Courant tegen deze gevolgtrekking: een getrouwde vrouw kon volgens hem een zelfstandig bestaan hebben. Deze affaire trok de aandacht van Multatuli, die Korteweg uitnodigde bij hem in Wiesbaden te komen wonen en werken.

Korteweg schreef vanaf 1876 in De Tolk van den Vooruitgang, waarvan hij onder het pseudoniem T. Mouset de redactie op zich nam. Hij kwam in conflict met de medewerker J.H. de Haas, die hij een oneerlijk man noemde, wat tot een veroordeling leidde. Korteweg beschouwde De Tolk als opvolger van het blad De Vrije Gedachte (1872-1874) van de Groningse vrijdenker F. Feringa. De Tolk kende dan ook een aantal medewerkers uit het Noorden, zoals H. Hartogh Heijs van Zouteveen, H.C.J. Krijthe en Feringa zelf. Het blad publiceerde onder meer de laatste twee delen van het vroegste overzicht van de geschiedenis der Nederlandse arbeidersbeweging door Jac. Rademacher, waarvan eerdere afleveringen in De Vrije Gedachte waren verschenen. In De Tolk stelde Korteweg onder meer dat het atheïsme en het socialisme de toekomst hadden, mits gekoppeld aan bevolkingsbeperking.

In juni 1877 vestigde Korteweg zich in de stad Groningen. Eerst was hij compagnon van de effectenhandelaar en uitgever van het blad De Nieuwe Financier, de medemultatuliaan J. Pik. Maar Kortewegs opvliegend karakter liet de samenwerking op de klippen lopen, waarna hij samenwerkte met de effectenhandelaar J. Broese. Daarnaast was hij met Hartogh Heijs van Zouteveen redacteur van Het Financieel Weekblad, ook een beleggingsorgaan. In De Tolk, waarvan hij vanaf 1878 onder eigen naam de redactie voerde, besteedde Korteweg aandacht aan de processen tegen A. Besant en Ch. Bradlaugh, die in 1877 in Engeland vervolgd waren wegens het verspreiden van lectuur over geboortenbeperking. Dit proces inspireerde Korteweg om in Groningen propaganda te maken op het gebied van 'de sexueele moraal'. Hij vond een medestander in de voorman van de Algemeene Groningsche Werkliedenvereeniging (AGWV), F.E.L. Urban, die hem in 1877 strikte voor lezingen voor deze vereniging. Korteweg sprak over het in 1873 in vertaling verschenen boek De elementen der sociale wetenschap van G. Drysdale, een voorstander van geboortenbeperking. Korteweg koppelde armoede aan kindertal. Volgens hem was geboortenbeperking de geëigende oplossing voor de maatschappelijke ellende, niet emigratie of ontginning van woeste gronden. Tevens hield hij de werklieden voor dat vrouwen dezelfde rechten dienden te hebben als mannen. Behalve contacten in de AGWV had Korteweg vriendschappelijke omgang met Feringa, met wie hij Multatuli bezocht toen deze in maart 1878 in Groningen sprak. Korteweg maakte zich binnen korte tijd gezien bij de werklieden, die hem erelid maakten van de AGWV. Zij vonden het geweldig dat een 'beer' mét zijn vrouw bereid waren in hun midden te verkeren. Maar vanaf begin 1879 wilde Korteweg niet meer voor de vereniging spreken. Hij had last van zwaarmoedigheid. In mei 1879 was hij voor het laatst op een vergadering van de AGWV aanwezig. Hij nam het woord om de werklieden op het hart te drukken zich geen illusies te maken. Dat er geen tegenspraak was tegen hen kwam volgens hem niet omdat er geen tegenstanders waren, maar omdat de werkliedenbeweging werd doodgezwegen. Korteweg vond dat de arbeiders zich met andere groepen uit de samenleving moesten verbinden en naar de middelen zoeken om hun wensen ingewilligd te krijgen. Eerder al had Korteweg de uitgave van De Tolk van den Vooruitgang beëindigd, onder meer 'omdat mijn betrekking - industrieel! - mij niet tot de aangewezen persoon maakt om vaandrager te zijn van ónze partij - die van het zelfstandig denken en het door niets belemmerde onderzoek'. De hoofdreden van het staken van De Tolk was 'het toenemend gemis aan beschikbaren tijd. Ik werk langzaam en ben zeer afhankelijk van stemming...' Kortewegs zwaarmoedigheid ontaardde uiteindelijk in agressie: op de ochtend van 13 oktober 1879 ging hij zijn compagnon Broese te lijf. 's Middags vertelde hij zijn huisbaas dat hij en zijn vrouw ziek waren. Toen de hospes 's avonds het eten bracht vond hij het echtpaar dood. Korteweg en Elize Baart hadden wijn met cyaankali gedronken en waren in elkaars armen gestorven. Ze lieten een brief aan Feringana, waarin Korteweg schreef dat ze het leven moe waren en 'het nirwana gingen deelachtig worden'. De zelfmoord deed veel stof opwaaien. Voor de AGWV was de dood van het enige erelid een grote klap. Urban herdacht het echtpaar Korteweg in De Werkmansbode. Hij vond de zelfmoord niet in overeenstemming met de genoeglijke sfeer die het echtpaar had uitgestraald bij een recent bezoek van hem en B.H. Heldt. B.C.J. Mosselmans, remonstrants predikant te Groningen en een oude huisvriend van de familie Korteweg uit Den Bosch, hield een rede bij de begrafenis, waarin hij Korteweg en Baart beschreef als slachtoffers van dweperij. Zij stelden volgens hem te hoge eisen aan het leven en raakten daardoor buiten de werkelijkheid van het dagelijkse bestaan en teleurgesteld. Voorbij gaand aan Kortewegs vele activiteiten in zijn korte leven oordeelde Multatuli over hem: 'Altijd heb ik ... hem voor 'n warhoofd gehouden, zonder studie, zonder werkkracht.' Wellicht was Kortewegs opkomende sympathie voor het socialisme debet aan Douwes Dekkers oordeel: een jaar vóór zijn dood noemde W. Ansing in een brief aan F. Domela Nieuwenhuis Korteweg als een mogelijke spreker voor de Amsterdamse Sociaal-Democratische Vereeniging.

Publicaties: 

Behalve de genoemde: De Vrouw als hervormster optredend in de maatschappij (Rotterdam 1876); Gedenkschriften van een Industrieel van het jaar 2240, vrijvertaald uit het Fransch (Rotterdam 1877).

Literatuur: 

M. Krüseman, Mijn leven I en II (Dordrecht 1877); B.C.J. Mosselmans, Toespraak, gehouden te Groningen, 19 October 1879, naar aanleiding van het overlijden van den Heer en Mevr. Korteweg (Groningen 1879); B. Bymholt, Geschiedenis I 10, 30, 255; J.J. Lodewijk (red.), Gedenkboek opgedragen aan F. Domela Nieuwenhuis (Amsterdam 1904) 76; P.J. Meertens, 'Korteweg (Bastiaan Pieter)' in: Mededelingenblad, 1960, nr. 20, 10-12; P.J. Meertens, 'Een Middelburgse burgerfamilie uit de negentiende eeuw. Kornelis Baart en zijn dochters' in: Archief Zeeuws Genootschap der Wetenschappen, 1970, 68-99, herdrukt in: P. Meertens, In het voetspoor van Henriette Roland Holst (Alphen aan den Rijn 1982) 160-204; O. Noordenbos, Het atheïsme in Nederland in de negentiende eeuw (Nijmegen 1976) 67-68; J. Baars, 'Bastiaan Pieter Korteweg' in: Woordenboek van Belgische en Nederlandse Vrijdenkers II (Brussel 1982) 65-83; C.W. ten Teije, De opkomst van het socialisme in Breda (Tilburg 1986) 19, 20, 79, 231; J. Houkes, P.H. Hoekman, Multatuli en Groningen (Groningen 1987) 41-42; H.Q. Röling, 'De tragedie van het geslachtsleven' (Amsterdam 1987) 46, 122; M.A.W. Gerding, P.H. Hoekman, "Darwin in Drenthe". Een biografische schets van Hermanus Hartogh Heijs van Zouteveen (1841-1891)' in: Nieuwe Drentse Volksalmanak (Assen 1992) 1-27; J. Brouwers, Twee verwoeste levens. De levensloop en de dubbelzelfmoord van Elize Baart (1854-1879) en Bastiaan Korteweg (1849-1879) (Amsterdam 1993).

Portret: 

B.P. Korteweg, uit: J. Brouwers, Twee verwoeste levens. De levensloop en de dubbelzelfmoord van Elize Baart (1854-1879) en Bastiaan Korteweg (1849-1879) (Amsterdam 1993)

Auteur: 
Jannes Houkes
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 128-131
Laatst gewijzigd: 

00-00-1995