DUIJS, Jan Eliza Wilhelm

Jan Eliza Wilhelm Duijs

(bijnaam: Jan Erwtenwater), SDAP-wethouder van Zaandam en Tweede Kamerlid voor de SDAP, is geboren te Nijmegen op 21 februari 1877 en overleden te Lochem op 15 september 1941. Hij was de zoon van Gideon Herbert Duijs, koopman in koloniale waren, en Maria Adriana Bruenis. Op 17 september 1903 trad hij in het huwelijk met Mathilde Adriane Teusse. Dit huwelijk bleef kinderloos en werd ontbonden op 4 december 1917. Op 28 augustus 1918 hertrouwde hij met Cornelia Johanna Quirina van Wijk, met wie hij een dochter kreeg.

Een gemakkelijk man is Duijs nooit geweest. Zijn moeder stierf toen hij vier jaar was en Duijs werd door huishoudsters groot gebracht. Zijn vader, die tot de protestantse bovenlaag van het overwegend katholieke Nijmegen behoorde, bekommerde zich niet om de opvoeding van zijn zoon. Al op jonge leeftijd werd Duijs naar christelijke kostscholen gestuurd. Toen zijn vader hertrouwde haalde de stiefmoeder Duijs weer naar huis en ging hij naar de Nijmeegse Hoogere Burger School. Daar gedroeg hij zich zo onhandelbaar dat zijn vader hem op dertienjarige leeftijd naar zee stuurde. Het verhaal wil dat de vader tegen de kapitein zei dat hij alles met de jongen mocht doen behalve hem verdrinken. Anderhalf jaar lang schrobde de jonge Duijs het dek, splitste touw en teerde planken op het stoomschip Seahorse dat tussen Amsterdam en Huli voer. Deze disciplinaire maatregel had in ieder geval tot gevolg dat hij op het bekende Nijmeegse Instituut Wegerif zijn HBS-diploma haalde en voor adelborst werd voorbestemd. Hij had de smaak van het varen te pakken, maar werd wegens een 'zwakke borst' afgekeurd. Duijs koos nu voor een opleiding voor kandidaat-notaris. De studie verliep eerst voorspoedig. Maar toen Duijs als klerk werkte op het kantoor van de ontvanger der registratie in Elst, hield hij zich volgens zijn baas alleen bezig met het omstorten van inktpotten over notariële akten en registers. In 1897 zakte Duijs voor het laatste deel van zijn examen en verwijderde de ontvanger hem van zijn kantoor. Duijs was weliswaar onhandelbaar, maar ook zeer intelligent. Hij haalde na het debâcle toch zijn examen en hij publiceerde een enkele maal in het Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie. In deze jaren bleek ook reeds zijn maatschappelijk, zij het nog niet specifiek socialistisch, engagement. Een bewijs hiervan is onder meer de brochure Feminisme en staatsnotariaat (Breukelen 1899). Duijs werd waarnemer van een notaris te Ootmarsum. Daar leerde hij zijn eerste vrouw kennen. Zij was katholiek en Duijs Nederlands hervormd, zodat de geestelijkheid en de wederzijdse familie zich tegen hun verloving verzetten. Deze weerstand prikkelde Duijs zo dat hij een geschrift samenstelde waarin hij heftig tegen het katholicisme van leer trok. Dit werkje bracht hem in contact met een andere papenhater, de Leidse filosoof G.J.P.J. Bolland. Duijs zond zijn manuscript ter beoordeling aan de hoogleraar. Deze stuurde het vol doorhalingen terug met de opmerking dat de doorhalingen zijn belangstelling toonden. Duijs logeerde herhaalde malen bij Bolland. Uit deze tijd stamt zijn anticlericalisme dat hem er toe bracht kerkelijke problemen te bestuderen en daarover een uitgebreide bibliotheek aan te leggen. Dit leidde tot de omvangrijke studie Kerk en Maatschappij (Amsterdam 1904), waarin hij fel van leer trok tegen de in zijn ogen verderfelijk rol die de kerken speelden. Hoewel hij naar eigen zeggen het historisch-materialisme onderschreef, was zijn 'critisch-polemische studie' geen analyse maar vooral een opsomming van misstanden in en misdaden van de kerk door de eeuwen heen. Rond de eeuwwisseling verhuisde Duijs naar Amsterdam waar hij op een notariskantoor ging werken. Als belangstellende volgde Duijs de economiecolleges van M.W.F. Treub. Hij voelde er weinig voor het beroep van notaris uit te oefenen en in 1903 werd hij adjunctcommies bij de Rijksverzekeringsbank. De Tweede Kamer-verkiezingen van 1901 en 1902 wekten bij Duijs politieke belangstelling. Hij bezocht de vele vergaderingen en ging in 1901 zelfs in debat met de minister van Financiën en bekende econoom mr. N.G. Pierson. Duijs verdiepte zich in de socialistische literatuur, las H.P.G. Quacks De Socialisten, De Kroniek, De Nieuwe Tijd en Het Volk. P.J. Troelstra's optreden in het debat tijdens de verkiezingen van 1902 in het Amsterdamse district IX leidde tot Duijs' grote bewondering voor de SDAP-leider en tot aansluiting bij de partij. Hij maakte zich al spoedig nuttig als spreker voor de socialistische jongelingsvereniging De Zaaier. Duijs werd secretaris van de SDAP-afdeling Amsterdam IX en secretaris van het Noord-Hollandsch kiesrecht-comité. Duijs bleek als spreker en pamflettist zeer succesvol. In 1905 raakte hij als gevreesd debater bekend toen hij de anti-revolutionaire mr. G.J. Sybrandi zo hard aanpakte dat de man de politiek verliet en volgens Frans Netscher het werkwoord 'sybrandiseren' van politieke tegenstanders ontstond. Deze toenmaals geruchtmakende zaak leverde Duijs veel uitnodigingen als spreker op. Hij raakte overwerkt en zocht naar een rustiger omgeving. Naar eigen zeggen vond hij de mogelijkheid in Zaandam zijn inkomen als adjunct-commies te vergroten door als repetitor de zoontjes van rijke Zaanse ouders op te leiden voor het notariaat. Tevens wilde hij verder studeren om zich als privaatdocent notarieel- en privaatrecht aan de universiteit van Amsterdam te verbinden. Zo kwam hij bij de SDAP propagandist M. Mendels terecht die hem vertelde uit Zaandam te willen vertrekken. In 1905 liet Duijs zich bij de Rijksverzekeringsbank op wachtgeld stellen. Begin 1906 werd hij propagandist en volgde Mendels op als redacteur van het plaatselijke partijorgaan De Voorpost. De nieuwe redacteur veranderde de schrijfstijl onmiddellijk en het intellectuele blad werd een orgaan dat de sensatie niet schuwde. De oplage steeg meteen. Duijs werd onder de Zaanse arbeiders een geziene figuur en ook viel hij door zijn knappe uiterlijk bij de vrouwen in de smaak. In 1907 werd hij gekozen als lid van de Zaandamse gemeenteraad. Mede dankzij zijn organisatorische en oratorische gaven begon de Zaandamse SDAP zich stormachtig te ontwikkelen. Duijs' toespraken in de gemeenteraad of van het balkon van Ons Huis waren legendarisch en werden letterlijk afgedrukt in De Voorpost. Zijn charismatische persoonlijkheid droeg er in niet geringe mate toe bij dat tussen juli 1911 en augustus 1913 het zeteltal van de Zaandamse SDAP steeg van twee naar tien, waarmee de partij de absolute meerderheid behaalde. Door zijn populariteit veroverde Duijs geheel onverwacht in 1909 het Tweede Kamer-district Zaandam. In de Kamer was hij spoedig een van de meest bekende leden door zijn ongegeneerde slagvaardigheid. Als spreker had hij de lachers op zijn hand en was hij vermaard om zijn obstructiespeeches, waarvan er één meer dan negen uur duurde. Tijdens de partijstrijd van 1909 tegen de marxisten rond De Tribune koos Duijs de zijde van Troelstra en de zogenaamde reformisten en drong hij in felle bewoordingen aan op het royement van De Tribune-redacteuren. Zijn tegenstanders haatten hem wegens zijn scherpe en dikwijls onheuse aanvallen, waarbij hij zich meermalen bediende van achterklap en verdachtmakingen. Dat de rechtzinnige marxist Mendels hem in een brief aan Troelstra uit 1907 kenschetste als een 'verachtelijke demagoog' is niet alleen begrijpelijk, maar ook tot op grote hoogte juist. Gedurende zijn politieke loopbaan zou Duijs er herhaaldelijk blijk van geven dat in zijn ogen het doel de middelen heiligde en dat een leugentje om bestwil geoorloofd was. In de Zaanse gemeenteraad veegde hij eens de vloer aan met een politiek tegenstander door van deze uitspraken te citeren die lijnrecht in tegenspraak waren met het standpunt dat de man op dat moment innam. Later bleek dat Duijs deze 'citaten' had verzonnen. Dat men in eerste instantie Duijs geloofde lag aan het feit dat hij de gewoonte had zich goed te documenteren en allerlei uitspraken van tegenstanders op archiefkaart bij hield.

In 1910 kwam Duijs in de Provinciale Staten van Noord-Holland en in oktober 1912 werd hij gekozen tot wethouder van Zaandam, waarmee hij de eerste SDAP-er werd die een dergelijke functie bekleedde. Zijn aantreden als wethouder was omstreden binnen de partij. Zo was een man als F.M. Wibaut op dat moment nog van mening dat de SDAP alleen wethouders mocht leveren als de partij de absolute meerderheid in de gemeenteraad had. Dat was in Zaandam niet het geval en daarover werd Duijs in Het Weekblad aangevallen. Het probleem loste zich op in 1913 toen de Zaandamse SDAP de absolute meerderheid wel veroverde. In 1915 kwam het dagelijks bestuur van Zaandam, onder leiding van de in 1914 als eerste SDAP-er tot burgemeester benoemde K. ter Laan, zelfs geheel in rode handen. Als wethouder voor de gemeentebedrijven ging Duijs voortvarend te werk. De noodlijdende gasfabriek wist hij te veranderen in een efficiënt en winstgevend bedrijf. Duijs zorgde ervoor dat de gemeentewerklieden een achturige werkdag kregen en stelde tijdens de Eerste Wereldoorlog een gaarkeuken in. Het voedsel was van een dermate slechte kwaliteit dat hij er de bijnaam Jan Erwtenwater aan overhield. Duijs kwam nogal eens in aanvaring met zowel vertegenwoordigers van andere partijen als met zijn geestverwanten. Zijn verhouding met Ter Laan werd er in de loop van de jaren niet beter op, daar deze inzake de gemeentefinanciën een voorzichtiger beleid voorstond dan Duijs. Uiteindelijk beschuldigde Duijs zijn burgemeester ervan enkel oog te hebben voor de belangen van de bezittende klasse en dus geen sociaal-democraat te zijn. Hoewel de Zaandamse SDAP sinds 1919 haar absolute meerderheid kwijt raakte en nog slechts twee van de vier wethouders leverde, drong Duijs aan op een radicalere koers. Hij stuurde aan op een openlijk conflict met de regering over de werklozenzorg. Duijs had zich bij de Rijksverzekeringsbank verdiept in de problemen van de sociale verzekeringen en gold in en buiten de Tweede Kamer als expert. Hij was de belangrijkste tegenstander van minister A.S. Talma bij de behandeling van diens voorstellen omtrent de invoering van tal van sociale verzekeringswetten. Duijs bestookte Talma met amendementen en wijzigingsvoorstellen, waarvan het overgrote deel verworpen werd. In 1913 boekte Duijs succes toen zijn amendement op Talma's wetsvoorstel inzake de oudedagsvoorziening werd aangenomen. Hierdoor verkregen 70.000 ouden van dagen voor het eerst een oudedagsuitkering. Tijdens de Eerste Wereldoorlog deed Duijs zich kennen als een radicaal anti-militarist die zich tegen Troelstra en de landsverdediging keerde. In de Kamer riep hij uit 'aan bombast als vaderlandsliefde en dergelijke niet mee te doen'. Het was Duijs die in oktober 1923 toen de Vlootwet werd verworpen en in de Kamer de vreugdekreten van de tegenstemmers weerklonken, het raam naar het Binnenhof opengooide en het nieuws aan de opeengehoopte mensenmassa bekend maakte. Tot het einde van de jaren twintig bleef hij de SDAP woordvoerder voor sociale wetgeving. Toen werd zijn positie meer en meer overgenomen door G.W. Sannes en E. Kupers, ook doordat Duijs zijn taak als Kamerlid minder serieus nam. In 1923 vertrok Duijs als wethouder van Zaandam en verliet hij de Provinciale Staten van Noord-Holland. Hij trad toe tot de Hooge Raad van Arbeid en vestigde zich in Den Haag waar hij een termijn (1927-1931) in de gemeenteraad zat. Duijs was in deze jaren lid van het partijbestuur. Veel tijd stak hij nu in zijn rechtenstudie en in 1927 vestigde hij zich als advocaat en procureur. Al spoedig had hij een bloeiende praktijk en stond hij bekend als een bekwaam jurist. In 1928 verdedigde hij vier nationalistische Indonesische studenten, onder wie Mohammed Hatta, in een geruchtmakend proces wegens aansporing tot geweld. In deze tijd kon Duijs het niet laten te schrijven. Rond 1928 was hij redacteur van het ontwikkelingsblad Beschaving en Wetenschap dat tot 1931 bestond. Hoewel er veel SDAP-ers aan meewerkten was dit geen specifiek sociaal-democratisch tijdschrift.

In 1931 overkwam Duijs en zijn tweede vrouw een persoonlijk drama, toen hun enig kind, een elfjarig dochtertje overleed. Duijs verwerkte deze diepe schok door zich langzaam maar zeker weer in de richting van het christelijke geloof te bewegen. Zijn vrouw zag het verlies van het kind als een teken van god: 'Toen hebben wij ons gebogen en hebben kunnen zeggen: Uw wil geschiede. Een dominee die ons niet kende is door Gods leiding bij ons gekomen en heeft ons met de Oxford Groep in verbinding gebracht. Sinds die tijd is alles bij ons veranderd'. Duijs kwam onder invloed van de Morele Herbewapening en zijn ideeën veranderden. Binnen de SDAP schoof hij steeds verder op naar rechts. Hoewel hij tegen J. de Kadt moet hebben gezegd dat hij het toejuichte dat de linkse oppositie de 'dooievisjesvreters' in de partijleiding wakkerschudde, moest hij van het radicalisme niets hebben. Na de muiterij op De Zeven Provinciën behoorde hij met H. Polak, J.H.A. Schaper, W.A. Bonger en J. Goudriaan tot degenen die felle kritiek hadden op het goedpraten daarvan door sommige SDAP-ers en de tweeslachtige houding van de partijtop. Hij achtte de tijd rijp om zijn denkbeelden over de voor de SDAP noodzakelijke koerswijziging openbaar te maken. Ondanks bezwaren van het partijbestuur en zijn belofte de kritiek voorlopig voor zich te houden, publiceerde hij in juni 1933 de brochure Ter Oriëntering (Zutphen). De zaken die hij hierin aan de orde stelde - onvoorwaardelijke keuze voor de democratie, loyale opstelling tegenover koningshuis en natie zoals voorgestaan door de socialistische partijen in Engeland en Zweden, het loslaten van de exclusieve oriëntatie op de arbeidende klasse, verwerping van de eenzijdige ontwapening, strijd tegen de communisten en het ontwikkelen van een eigen politieke theorie zouden binnen enkele jaren deel uitmaken van de vernieuwde sociaal-democratische ideologie. Halverwege 1933 was de SDAP-leiding geenszins ingenomen met een dergelijke discussie, en zeker niet nu deze werd geïnitieerd door een weinig tactvol man als Duijs, van wie het partijbestuur vond dat hij als Kamerlid eigenlijk niet meer voldeed. Slechts het gegeven dat Duijs veel stemmen trok had hem een verkiesbare plaats opgeleverd. Niet de inhoud stoorde de SDAP-top maar het feit dat hij een interview gaf aan De Telegraaf. Zijn eigen afdeling Den Haag VI eiste zijn royement of op zijn minst het opgeven van zijn Kamerzetel. Duijs verdedigde zich binnen de afdeling zo goed dat beide moties werden ingetrokken. In het partijbestuur was echter een meerderheid die van Duijs geen excuses wilde aanvaarden. Het kostte fractieleider J.W. Albarda de grootste moeite een royement te voorkomen. Een commissie onder leiding van Bonger ging zich over de kwestie buigen. Op het SDAP-paascongres van 1934 werd Duijs het woord geweigerd, zodat hij zich niet kon verdedigen tegen de vele moties die tegen hem waren ingediend. Hij liep kwaad weg onder het uitroepen van 'leve de democratie'. Het rapport van de commissie-Bonger bleek voor alle partijen zo ontluisterend dat het ondanks vele verzoeken niet werd gepubliceerd. Duijs mocht lid van de partij blijven. Hij wenste echter genoegdoening en kreeg op de jaarvergadering van het gewest Noord-Holland Noord in 1934 alle gelegenheid flink uit te pakken tegen Albarda en partijvoorzitter J.J. Vorrink, die beiden aanwezig waren. De vergadering hief spontaan voor Duijs de Internationale aan. Een merkwaardig eerbetoon aan een man die sterk nationalistisch was gaan denken. Duijs bleek in meer opzichten af te wijken van de officiële partijlijn. Hij zag bij voorbeeld niets in het Plan van de Arbeid en verwachtte meer heil van het nieuwe kabinet-Colijn. De machtsovername van de nazi's in Duitsland in 1933 had hem flink uit zijn evenwicht gebracht. Doodsbleek was hij naar de Kamer gekomen toen het nieuws bekend werd en hij dacht er zelfs over naar Engeland te emigreren. Duijs ging in zijn pessimisme zo ver dat hij pleitte voor instelling van een Rijkspropagandaleider die 'desnoods met nog groter demagogie dan de fascisten, de propaganda voert'. Maar in 1935 verdedigde hij het goed recht van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) om propaganda te maken en trad hij in een strafzaak op als de advocaat van een NSB-er. Eind november 1935 keerde Duijs zich in het openbaar van de SDAP-Kamerfractie af. Duijs werd daarop in het openbaar geroyeerd. In Noord-Holland had hij echter een trouwe aanhang die bleef proberen hem te rehabiliteren. De afdeling Nieuwe Niedorp verdedigde hem in de brochure De kwestie Duijs, En waarom deze kwestie voor een aantal Noord-Hollandsche afdelingen niet uit kan zijn (Nieuwe Niedorp 1935). Voor de zogeheten Oxford-beweging, die zich op christelijke waarden en Morele Herbewapening richtte, trad Duijs in deze jaren als spreker op. In 1935 sprak hij in Denemarken en werden de speeches van zijn vrouw en hem op de radio uitgezonden. Tot in de Verenigde Staten hield hij voor de Oxford-beweging toespraken en in korte tijd was hij een gezien man, wiens speeches zelfs op film werden vastgelegd. Ook in Zwitserland was Duijs actief om daar de Morele Herbewapening ingang te doen vinden. Tot aan de verkiezingen van 1937 bleef Duijs Kamerlid. In deze tijd viel hij herhaalde malen de SDAP aan en verweet hij de partij haar revolutionaire karakter. Met name Albarda moest het ontgelden. Volgens Duijs was deze altijd in alle opzichten extreem, eerst met zijn pacifisme en nu met zijn roep om landsverdediging. Albarda antwoordde dat iemand die zo zwabberde als Duijs zeker geen gids kon zijn voor anderen. Duijs probeerde als onafhankelijk Kamerlid zijn zetel te behouden, maar dit lukte niet. Politiek gezien begon hij zich steeds meer op extreem rechts te oriënteren. Hij publiceerde 'Democraten' op Fascistenjacht (Leiden 1936) waarin hij zich op antisemitische toon over enkele joodse SDAP-bestuurders uitliet en het optreden van de NSB verdedigde. Na een weinig vruchtbare poging om samen met enkele anderen de Nederlandsche Volkspartij op te richten, sloot hij zich eind 1938 aan bij de NSB. In augustus 1941 werd hij benoemd tot een van de vijf vrederechters die de Duitse autoriteiten aanstelden om de nationaal-socialistische invloed op de rechtspraak te versterken. Dit ambt heeft Duijs niet meer kunnen uitoefenen daar hij op 15 september van dat jaar overleed.

Archief: 

Documentatie J.E.W. Duijs (Doc. I) in Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Amsterdam).

Publicaties: 

Behalve de genoemde: Mammon of Christus? Wie van hen bracht ons Kuyper-ministerie aan het bewind? (Amsterdam z.j.); Recht of klasserecht? Een en ander over de rechtspraak door leeken, in het bijzonder beschouwd in verband met de samenstelling en werking der raden van beroep (Amsterdam 1904); Overzicht der stemmingen in de Tweede Kamer gedurende de jaren 1901 - 1905, benevens een aanhangsel bevattende de voornaamste stemmingen gedurende de jaren 1897-1901. Alphabetisch en systematisch gerangschikt (Amsterdam 1905); Theorie en praktijk der liberalen en vrijzinnig-democraten. (De zogenaamde vrijzinnige concentratie) (Amsterdam 1905); Paulus of Kaïn. Een pleidooi vóór staatspensioen en tegen de dwangverzekering (Amsterdam z.j.); De mislukking van het 'particulier initiatief' en de 'risico-overdracht' inzake sociale verzekering (Amsterdam 1908); 'Onze klasse-justitie'. Rede, gehouden in de zitting der Tweede Kamer van 27 November 1911 (Zaandam 1911); Het portefeuille-spel der vrijzinnigen (Amsterdam 1913); Het Zaandamsche voorbeeld. Beschouwingen en gegevens naar aanleiding van de totstandkoming van het Zaandamsche Werklieden-Reglement (Amsterdam 1914); De ambtenaren, hun organisatie en hun eischen (Amsterdam z.j.); Zaandam onder sociaal-democratisch bewind (Zaandam 1916, anoniem); Rood Zaandam! Zaandam onder sociaal-democratisch bewind (Amsterdam 1919); De Nederlandsche Sovjet-communisten en het militarisme (Amsterdam 1920, 19213; De bezuinigingsleus! Een woord tot de ambtenaren en werklieden in overheidsdienst (Amsterdam 1922); Het vlootwetschandaal (Rotterdam z.j.); 46 millioen! Géén geld voor sociale hervormingen! 46 millioen voor militarisme! (Amsterdam z.j.); De vervolging tegen de Indonesische studenten Mohammed Hatta, Mr. Al Sastroamidjojo, Raden Mas Abdul Madjid Djojo-Adhiningrat en Mohammed Nazir Pamontjak. Verdedigingsrede gehouden in de zitting der Arr. Rechtbank te 's-Gravenhage op 8 Maart 1928 (Amsterdam 1928); Zuiderzee visschersleed. Rede, gehouden voor de V.A.R.A., op 19 Nov. 1932 (Amsterdam 1932).

Literatuur: 

Vliegen, Kracht II, 365-369; F. Netscher, 'Karakterschets J.E.W. Duijs' in: De Hollandsche Revue, 1915, 734-741, 1916, 31-43; Zes man in den trein! of de Avonturen van de Zaandamsche Bedrijvencommissie op haar reis naar het hoge Noorden onder leiding van het kamerlid J.E.W. Duijs door een ouden Zaankanter (Zaandam 1921); M.W.F. Treub, Herinneringen en overpeinzingen (Haarlem 1931); F. Bosman, Socialisten op den terugtocht. Is de brochure van J.E.W. Duijs incidenteel? (Amsterdam z.j.); G. Rijnders, Mr. Duijs, het vaderland en het vorstenhuis (Zandvoort z.j.); De weg van Duijs. Welke weg gaat gij? Open brief aan de arbeiders van de S.D.A.P. (Amsterdam 1933); J.H. Schaper, Een halve eeuw van strijd. Herinneringen (Groningen 1935) twee delen; J.A. Baars, 'Fascisten' op de fascistenjacht. Open brief aan mr. Jan Duys ter voorlezing aan zijn bewonderaars ir. A.A. Mussert, C. v. Geelkerken en alle andere zedenmeesters (Amsterdam circa 1937); E.B.F.F. baron Wittert van Hoogland, De parlementaire geschiedenis der sociale verzekering 1890-1940 (Haarlem 1940); W. Drees, Zestig jaar levenservaring (Amsterdam 1962); J.J. 't Hoen, Op naar het licht. De Zaanstreek in de periode van de opkomst der arbeidersbeweging 1882-1909 (Wormerveer 1968); H. van Hulst, A. Pleysier, A. Scheffer, Het roode vaandel volgen wij (Den Haag 1969); R. Veldhuys, Duijs, Jan Eliza Wilhelm (kandidaatsscriptie politicologie Amsterdam 1969); J. de Kadt, Politieke herinneringen van een randfiguur (Amsterdam 1976); J.J. 't Hoen, De rode Zaanstreek: de periode van grote invloed der arbeidersbeweging aan de Zaan 1909-1939 (Zaandam 1978); H.C. van der Hoeven, Om de macht bij het ziekenfonds (Den Haag 1983); F.M. Galesloot, 'Partijformaties in een tanend liberaal bolwerk. De opmars van confessionelen en socialisten in Zaandam in de periode 1880-1929' in: J.C.H. Blom, C.J. Misset (red.), 'Broeders sluit u aan'. Aspecten van verzuiling in zeven Hollandse gemeenten (Dieren 1985) 110-142; C.H. Wiedijk, Koos Vorrink (Groningen 1986); H.D. de Loor, Nieuw Nederland loopt van stapel (Kampen 1986); H. Buiting, Richtingen- en partijstrijd in de SDAP (Amsterdam 1989); P.J. Knegtmans, Socialisme en democratie (Amsterdam 1989) 95-96; R. Hartmans, 'Schermutselingen binnen een benarde veste: de SDAP en de kwestie-Duijs (1933-1935)' in: Socialisme en Democratie, 1990, 18-23; R. Hartmans, 'Jan Duijs. Ruziezoeker en vrederechter' in: De Groene Amsterdammer, 7.8.1991; B. van Dongen, Revolutie of integratie (Amsterdam 1992); H.C. Heering, Socialisten en justitie (Groningen 1994).

Portret: 

J.E.W. Duijs, IISG

Auteur: 
Rob Hartmans
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 65-72
Laatst gewijzigd: 

25-09-2002